Index Dionyzos | Index Recensies
OVERZICHT DER NEDERLANDSCHE LETTEREN.
XI.
over prozakunstArthur van Schendel. Een Zwerver verliefd (W. Versluys.)
Louis Couperus. Dionyzos (L.J. Veen.)
L. van Deyssel. Verzamelde opstellen. Zevende en Achtste Bundel.
(Scheltema's en Holkema's Boekhandel.)
II.
Menigeen, die, wetend van welke schrijvers in dit opstel
gesproken zou worden, het besluit van ons vorige hoofdstuk las, zal tot die
enkele auteurs van wie gezegd werd, dat zij (om reden van hun zuiveren en
breederen schrijftrant) onze letteren in een betere richting trachtten te
brengen, al-vast gerekend hebben: Louis Couperus.
Louis Couperus toch is niet een schrijver van één of twéé
moeizaam-doorwrochte, van over-zware woordkunst puilende werken, die een heel
léven vullen, niet een schrijver van ééne bladzijde in doorzwoegde maanden, één
woord in uren van tobbend gedenk... neen, Louis Couperus is een schrijver,
wat-je-noemt een schríjver, die, even veertig jaar nu, rond vijf-en-twintig
boeken ons kleine Holland heeft ingestuurd.
- Als nu die vijf-en-twintig boeken allemaal, of bijna
allemaal, zoo mooi zijn, of bijna zoo mooi, als men niet opgehouden heeft
390
van bevoegde zijde ons te vertellen - zoo denkt de argelooze Nederlander -, dan
kan dat prachtige leger van vijf-en-twintig regiménten schriftuur toch wel
gëacht worden te trekken langs die 'breede en schoone heirwegen', waarvan gij
daar in ('t zij toegegeven) ietwat knaleffectige beeldspraak gewaagdet....
Inderdaad.... àls!
Maar de goede critiek, die gij, omdat ze u minder
'houvast' scheen te geven, wellicht ter zijde legdet, - de goede, want altijd
weer frissche, altijd weer níeuw bekijkende, door geenerlei overlevering maar
alleen door de on-middellijke áán-voeling geleide, de tegenover de Kunst altijd
dezelfde blijvende en daarom tegenover de personen soms magnifiek-verraderlijke,
de góede critiek, die heeft over die vijf-en-twintig boeken oordeelen
uitgesproken, zóó wijd uitéénloopend, dat - hadt ge ze geloofd - ge de compacte
armee van Couperus-kunst verspreid zoudt hebben gezien als na een zeer onzekeren
veldslag, en slechts een al te klein gedeelte op onzen wèl knaleffectigen, doch
niettemin te stade komenden heir-weg.
Zamelt men uit Van Deyssels acht bundels opstellen diens
uitspraken over Couperus bijeen, dan vindt men, hoe de criticus, wiens oordeel,
was 't niet steeds voldoende over-wogen, toch altijd het oordeel is geweest van
een echt artiest, d.i. van iemand die het rechte begrip van kunst heeft, - zoo
vindt men dan, hoe deze criticus in een tijdverloop van vijftien jaren
achtereenvolgens gesproken heeft van Couperus' 'slechte, knutselige, kunst- en
aandoening-looze verzen', van zijn 'schitterende', 'charmante'
Eline Vere, van zijn 'sublieme', 'stralende' Extaze, - toen, van
dezen top weer omlaag springend, van Majesteit als van 'niets,
een werk zonder eenige waarde', van het 'toonloos en hol geraffel' van
Wereldvrede, en - het is jammer, dat over Metamorphose, Psyche,
Fidessa en Babel
geen directe meening gëuit werd - later nog van Langs Lijnen van
Geleidelijkheid,
De stille Kracht en De kleine Zielen als van minderwaardige of
hoogstens om een geringere soort aangenaamheid apprecieerbare zaken.
De meeningen van Kloos, uit den schoonen tijd, toen hij nog
wist - en hoe klaar en krachtig! - waarom hij 't eene mooi vond en 't andere
leelijk, - de meeningen van Kloos over Couperus, voorkomend in 'Veertien Jaar
Literatuur-Geschiedenis', zijn gemakkelijker te overzien.
391
Het zijn er twee, lijnrecht tegenovergesteld.
Eerst, naar aanleiding van Orchideeën en Een
Lent van Vaerzen, deze karakteristiek van den poëet Couperus:
'Als artiest: handig balanceerder op het slappe koord eener
ongevoelde zoetvloeiendheid, jongleur met klankenreeksen van een weeke
onbeduidendheid, spreker en zinger met een krachtelooze radheid van tong -
als mensch, zich bewegend in een fantasiewereld van affectatie
en onwaarheid en flauwigheid, zich suikeren tempeltjes
bouwend met goud-papier beplakt, rococo-sentimentjes uitkirrend met een
stemmetje van was, zich verkneuterend kortom in de bonte en zoetige banaliteit
van een modisten-ideaal.'
Daarna, over Eline Vere:
'...de kunst van Couperus, van het lieve en vermakelijke, van
het droevige en teêre, van liet lieve pretmaken en trouwen en huislijk-zijn, van
het droevige niet-trouwen, oud-worden of dood-gaan, van al dat
waar-menschelijke, dat rozig ware, van al die beste, aanbiddelijke
menschkinderen, die zoo mooi en trouwhartig kunnen schreien en lachen, en zoo
innig gelukkig zijn, in hun eentje of niet hun beidjes, met hun beetje geluk. En
dan midden in die alleraangenaamste wereld, waar zelfs de ondeugd onschuldig
schijnt en alles van mensch tot mensch gaat, dat ééne diepe, tragische
zielsportret, dat menschelijkst hart onder al die harten, haar eigen middelpunt
en schatkamer en slachtoffer, zij, eenzaam met zichzelve tot den dood. 0, kunst
om te kussen!'
'... Couperus die zich vijf jaren lang heeft vergist in de
kunst, die hij maken moest, is, van een precieus en pretentieus poëetje,
veranderd in een groot en mooi-voelend realist.'
Dat de verzen on-echt waren, en het proza echt, daarover
waren Van Deyssel en Kloos het eens, maar terwijl Kloos een diametrale
tegenstelling voelde tusschen den poëet en den realist, een onverklaarbaren
omdraai van 't een tot 't ander, zag Van Deyssel 't een in 't ander wèl
wonderbaarlijk maar toch hoog-logisch verglijden en òpgaan, alsof een
vlak-blikkerend stukje glas inwendige glansjes ving en zacht gekaats van àl meer
facetten, vonken van rood, spatten van electrisch wit, en zoo, in snelle,
zichtbare, klare en wondere metamorphose, werd tot een flonkerend juweel.
Ziehier Van Deyssels verklaring van het phenomeen:
392
'Het werk (Eline Vere) is wat het op zich zelf is, maar in
dit geval is het ook een merkwaardig dokument voor de fyziologie der
artisticiteit; ik bedoel hiermeê, dat dezelfde soort van levensvisie en
kunstvoeling, dezelfde zin voor het korte, het on-zware, het gracieuse, het
elegante, het kiesche, het fraaye, het weelderige, het rijke, die den heer
Couperus slechte, knutselige, kunst- en aandoeningloze verzen
deed maken, - dat die zelfde eigenaardigheid nú, zoo geheel anders aangewend,
zeer heeft meêgewerkt, om hem een goed, ernstig, affektatieloos, zeer
orizjineel proza-werk te doen maken,' enz. 'Niet waar? dit is heel
merkwaardig; allicht had er, na de antecedenten. van den heer Couperus, een van
deze twee andere dingen kunnen gebeuren: òf hij had, zijn vorig schrijvers-wezen
als een kleeding uittrekkend zich in een geheel nieuwen aard kunnen vertoonen'
enz. (zoo ongeveer meende Kloos, dat hij déed) 'òf hij had, de affektatie en de
nietige weelderigheid zijner verzen in zijn proza overbrengend, een nuffigen en
wezenloosfraayen roman kunnen maken, die alleen voor het publiek iets waard zou
zijn geweest. Maar neen, het derde mogelijke is geschied, het element van
fraaiheidszin en weeldebegeerte, dat hoofdbestand-deel van 's heeren Couperus
schrijvers-karakter, dat, tot verzen omgezet, puur fatterig schijn-schoon werd,
is, nu er een naturalistisch proza-werk mee gemaakt moest, tot tintelend-fijne
zegging en lief-rijk-ware verhaling geworden. Want het is het zelfde.'
Deze verklaring, suggestief door dien met fijne
onderscheidingen en een rijkdom van beeldende woorden den geest dwingenden
proza-gang, heeft aanvankelijk een sterken schijn van waarheid.
Maar heeft men wel opgemerkt, hoe Van Deyssel eerst zegt, dat
dit 'fraaye, weelderige' enz. 'zeer heeft meegewerkt' (slechts) om
Eline Vere
zoo goed te doen zijn, - terwijl aan het eind hij ver-zeild is in de eenigszins
andere, veel verder gaande bewering, dat die 'fraaiheidszin,' die
'weeldebegeerte' òf omgezet
werd in fatterige verzen, òf geworden is tót de 'tintelend-fijne
zegging en lief-rijk-ware verhaling' van het naturalistisch proza-werk?
De overweging dan, dat het die zelfde fraaiheidszin ook en
weeldebegeerte was, die tot het schrijven van Majesteit dreef, en de
innerlijke koudheid van dien fraaiheidszin en die weeldebegeerte, waaraan het
dood-vroor, - deze overweging brengt een nieuwen twijfel aan de juistheid dier
metamorphose-visie.
393
En nooit (wij houden ons voor even aan het oordeel van Van
Deyssel zelf) nooit meer zouden die fraaiheidszin en die weeldebegeerte -
bizonderlijk uitkomend in Psyche bij-voorbeeld - tot iets goeds geleid hebben;
terwijl het eerste werk, dat wat meer dan de vorige er buiten ging, De
kleine Zielen, door hem begroet werd niet eenige voorkomendheid.
Zoo zou het dus weer beter zijn, vast te houden aan Kloos'
splitsing van Couperus' schrijvers-aard in een wee-killen prachtwellust, o.a. in
zijn opzichtige verzen veil, en een teer en warm gemoed, dóór die bedriegelijke
oppervlakte héén in realistisch proza-werk heerlijk omhoog-gebloeid; zoodat men
deze raadselachtige figuur zich voorstellen kon als een flauwtjes-glimlachenden
swell met een gebrocheerd-satijnen vest en armbanden om de vrouwe-polsen, in
wien tòch, diep in zijn wezen, een mooi-menschelijk gevoel leven zou.
Ook deze onderscheiding en deze voorstelling echter, wil men
Kloos-zelven gelooven, schijnen met den tijd niet van kracht gebleven.
In een zijner 'literaire kronieken' van de laatste jaren - de
waarde, die men daaraan te hechten heeft, kan voor 't oogenblik buiten
beschouwing blijven - wordt Couperus' arbeid op gansch andere wijze ontleed:
'De heer Louis Couperus valt, als schrijver, uiteen in twee
scherp-onderscheidene helften: de eene van deze is de mensch, die werkend voor
een breed, een halfbeschaafd publiek, insteê van uit eigen observatie of
onbewustheid levensvolle kunst te scheppen en te beelden, als-paleisjes optrekt
van papier-mâché, waarin kunstiglijk mechanische poppetjes zich bewegen, en
tooneelmatig redevoeren, ongeveer in den stijl van: 'Amalia, bemint gij
werkelijk den grootvorst, die resideert op zijn adellijk slot in de hooglanden?
vroeg de vader met zijn edelaardig, als gebeeldhouwd gelaat. Maar de
jonkvrouw, met een plots en zelfbewust gesproken: 'Welzeker, papa,
waarom zou ik hem niet beminnen?' sloeg, door de kracht van haar
onwankelbaar zeggen, den ouden hoveling dien troef uit de hand.'
(In 't voorbijgaan zij opgemerkt, hoe dit gespreks-fragment
zelfs niet 'ongeveer' in den stijl van Couperus is; er is niets van
Couperus in, niets dat maar zweemen zou naar Couperus' geluid;
394
van een parodie op wat dan ook van Couperus kan dus geen sprake zijn; toch, want
het heeft even weinig den toon van den gewoon-of-huis draak, ziet het er uit als
een parodie... een parodie die zoowaar, als men 't wèl beluistert, van den stijl
dier 'literaire kronieken' zelve...)
'Doch naast dezen gullen gever van copy,' zoo gaat Kloos
voort, 'die als alle bedenkhoofden, nuchtere bedenkhoofden, lang zaam-aan in 't
vergeetboek zal raken, bestaat er, in denzelfden mensch, nog een ander
schrijver, de wezenlijke kunstenaar, de echte Couperus, die evenlang zal leven
als de Hollandsche taal.'
Volgt een niet erg treffende vergelijking van Couperus met...
Poot! Ondertusschen denkt echter de lezer: nu ja, maar zoometeen zul je 't
hebben: al die 'Majesteiten' en 'Lijnen' enz. dat betreft den 'gullen gever van
copy', maar de 'wezenlijke kunstenaar,' da. is de schrijver van Eline Vere, van
Extaze, en verder... nu, dat zal blijken.
Maar neen, als de genoegelijke causerie over Poot afgeloopen
is, komt er dit:
'Couperus is niet in essentie een realist.' 'Zijn
pogen, om de realiteit te geven, zooals die is, daarin toont hij geenszins zijn
ware kracht. Tegenwoordig hebben anderen dat veel beter weten te doen. Couperus'
beteekenis in dat opzicht is minder een actueele, dan wel een historische, omdat
hij met zijn Eline Vere een der eerste aanloopen gaf tot den modernen roman.
'Neen, meer dan een realistisch romancier, is Louis Couperus
een eigenaardig soort van dichter, die zich hierin van andere dichters
onderscheidt, dat'... wij zullen het nu maar in 't kort zeggen: hij niet in
vèrzen uitmunt.
'Neen, hij is veeleer te noemen een proza-dichter, een man,
die met een weelderige fantasie, in zacht-harmonisch glijdend proza, breede
geheelen van vizioenaire schoonheid weet te scheppen, waardoor hij onder onze
moderne kunstenaars een plaats inneemt, die hem alleen past.'
En het eind is:
'Neen, "Dionyzos", zooals het daar ligt, vind ik de kroon op
àl Couperus' werken (hoe moet men zich die ééne kroon op 'al' die werken
voorstellen? en men mòet zich die kroon kunnen voorstellen, wijl er nog
plastisch van gezegd wordt:) die de grootere
395
of geringere schoonheid van de vele anderen met haar schitt'ring overstraalt'.
Goed, Couperus zou dus, inplaats van in, I, den kouden
weeldeaanbidder der gedichten en van wat later daarmee parallel liep, en, II,
den waar-menschelijken realist, - Couperus zou thànds 'uiteenvallen' (en waarom
zou in vijftien jaar de stand van zaken niet kunnen veranderen? maar die
radicále verandering is even curieus als het feit, dat Couperus toch altijd maar
weer 'uiteenvallen' moet!) in, A, den realist, die niet meer meetelt, en, B, den
dichter, die, hoewel ook in verzen nog steeds niet meetellend,
bewonderenswaardige proza-gedichten maakt.
Ook Psyche was jaren geleden, in De Nieuwe Gids
van Maart 1899, door Kloos reeds hoogelijk geprezen, maar daar heette Eline
Vere nog, in plaats van 'een der eerste aanloopen', 'dat wondervolle boek,
waarin hij als ziend en voelend kunstenaar, als mensch van meer dan gewone
zielsdiepte en met een fijn-breed vermogen van uiting stond'.
Nog eens echter, het is er ons voor 't oogenblik niet om te
doen, de waarde van Kloos' latere kritieken in 't algemeen, of de juistheid van
deze in 't bizonder te betwisten; dat Kloos' analyse van het gecompliceerde
verschijnsel: Couperus, van lieverlede tot een resultaat kwam, tegengesteld aan
dat van jaren her, over zooiets, op zich zelf genomen, zou men zich niet
behoeven te verwonderen: niet alleen toch kan hetzelfde
werk er van dicht bij heel anders uitzien dan op den afstand van jaren
literatuur; maar de geheele Couperus zou veranderd kunnen zijn en een mee-draai
van de kritiek met die verandering zou dan alleen van de levensvolheid dier
kritiek getuigen.
Het is ons dan ook slechts hierom te doen: aan te toonen, dat
niemand ooit recht geweten heeft, hoè 't nu eigenlijk zàt met dien Couperus, met
dien wonderlijken verzen-maker, juwelier, echt mensch, Haagsch heertjen,
mysticus, globe-trotter, proza-dichter, kapper, profeet.... maar dat iedereen
altijd gevoeld heeft, al werd meer en meer onnaspeurlijk, wat nu eigenlijk nièt
en wat wèl deugde in dien gladden schedel daar in Nice, den Haag, Venetië,
Batavia, - dat iedereen altijd gevoeld heeft een zeldzaam verfijnd mengsel van
echt en on-echt, dat iedereen ten slotte heeft moeten zien: in dien man kan
alles, op de goede keeren, echt zijn, en al
396
datzelfde is, op andere oogenblikken, van de verfoeilijkste on-echtheid.
Want sinds den tijd, dat men zijn werk zoo gemakkelijk kon
overzien, door aan den ongunstigen kant te scharen: Orchideeën (waarom
het zwoel-zoete Santa Chiara onveranderlijk, als bij heilige traditie,
ervan uit te zonderen?) Een Lent van Vaerzen, en Williswinde -
en daar tegenover, aan de licht-zijde, Eline Vere, Noodlot en
Extaze, - sinds dien zijn alleen z'n verzen (na jaren kwam er ineens weer
een heele partij opduiken, in Groot-Nederland) bestendig geweest in akelige
gepoelitoerdheid en beleedigende onwaarachtigheid, waarbij zich nog een soort
van indringerige jovialiteit voegde, die het hoog-allurige knutselwerk eenvoudig
weerzinwekkend maakt.
Maar het proza, in grilligste wetteloosheid, was nu eens mooi
plots, in een genre dat men als slecht van hem kende, dan weer niet-te-lezen,
schoon 't als volgend in een rij van te-prijzen werken stond; en niet zelden
kwam binnen den omslag van een en hetzelfde boek het beste en het
verwerpelijkste uit dezen schrijversgeest verwarrend dooreen te loopen.
Zoo borg Psyche, het wèl verstandelijk-koele, maar
toch ook koel-schóóne boek, dat zoo uitermate verrassen moest na de
keizerromans, wijl een wéér buiten-gewoner milieu niet wéér verder verwijderde
van de warme menschelijkheid zijner eerste prozawerken, maar bloeide nu en dan
van onverwachte levens-ademen - zoo borg datzelfde Psyche in zekere
beschrijving van Emeralda een delfstoffen-uitstalling zóó heftig-bespottelijk
als Majesteit noch Wereldvrede er hadden aangeboden.
Fidessa, de sproke der liefde-trouw, zooveel warmer,
hoewel minder goed geschreven, dan Psyche, liet weer nòg verdachter
zaakjes doorschemeren dan den valsche-diamanten-winkel van Emeralda; o.a. op den
woesten tocht van den eenhoorn met de naakte nimf door het nacht-zwart
angst-woud - daar staat ergens: 'Toen smeekte zij, aan zijne ooren. Hij wendde
nerveus den kop van haar af. Haar allerliefste stem wond hem op!' Wat
hoort ge in deze laatste woorden: de energische zenuwspanning van het wilde
wouddier soms, met de nimf op zijn sterken rug? of is het ook eerder het
flauw-draaierig gevoel van een leeghoofd-in-rok, die tegen zijn zin van streek
zou raken door het aanminnig gevlei van een beelderig 'praatstertje'?
397
Toch, Fidessa bevatte stukken, dialoog vooral, die
gloeiden van onvoorgewend, levend gevoel.
Van de keizer-romans tot Psyche, en van Psyche
tot Fidessa, ging de stroom in stijging van zielvolheid tot Babel,...
en, Babel, het bleek een rommelig, kleuren-schreeuwend
tentoonstellings-paleis van zielloos bogend en kronkelend ijzer, dat doorgaan
wou voor een kathedraal, en waarin een draaiorgel van zeurig, pijnlijk-valsch
gerijmel zich hield voor het koorgezang van een grootsch prozagedicht.
Intusschen was de schrijver, 'langs lijnen van
geleidelijkheid', ook weer op den beganen grond aan 't wandelen geweest, maar
had er de oude, innige menschelijkheid niet teruggevonden.
Dan, in De kleine Zielen, hier en daar, wàs het er
weer, hoewel niet zoo vol en overal dóor-vloeiend als in zijn allereersten
roman, - maar met God en Goden, dat, boven Babel uit, en zelf
nu iets als een toren-van-Babel, niet minder dan het Heelal omvatten wou,
belandde inmiddels de reeks der proza-gedichten in een geloei en windgehuil van
woorden, of in een even machteloos als afmattend gegil en gegooi met galmende
uitroepen, één lange razernij van fantasie, waarin men meende den auteur te
zullen zien blijven.
Doch niets daarvan; toen God en Goden in Nice was
uitgewoed, ging de heer Couperus zich wat vertreden te Rome, waar hij door de
musea drentelde en een dozijn sonnetten fabriceerde, die hij
Dionyzos-studiën noemde. Dan ging hij weer naar Nice terug, om zich later
naar Venetië en vandaar naar Cadore te begeven, en schreef op dit reisje, in een
maand of vier, vijf, 'de kroon op al zijn werken': Dionyzos.
En werkelijk - al is er natuurlijk geen sprake van, dat het
't beste zou zijn, wat Couperus geschreven heeft - Dionyzos is wel weer
een mooi boek, of liever, een boek waar wel weer 'heele mooie dingen' instaan;
mooie, gevoelde dingen, drijvend verspreid als rozebladen op een bollen wind,
dien zekeren opgeblazen toon, bijna aan-hóudend onder-door te hooren, en die
meer en meer de grond-toon is geworden van den Couperus-stijl.
Diezelfde hol-verrukte toon, die reeds zijn eerste argelooze
letteroefeningen, zijn eerste verzen, geheel opvulde, die toon, die
zijn aangeboren stem schijnt te zijn, slechts bij wijlen met meer of
398
minder kracht door de waar-menschelijke stern zijner te dikwijls sluimerende,
diepere ziel onderdrukt, - die toon vierde hoogtij in de keizer-romans, woelde
in Fidessa, gulpte en spoelde door Babel heen, deed van
Over Lichtende Drempels
rijzen het veege deeg van quasi-mystiek, zwol 't bolst in God en Goden,
joeg nog, bij vlagen, sommige episoden van De kleine Zielen in leege
opgewondenheid voort, en ook weer dit Dionyzos, voor een te groot deel,
drijft er op.
De meening is gangbaar, dat wat niet de moeite waard zou
zijn, in proza mee te deelen, dikwijls, dansend op de maat en klinkend met de
zin-ledige bokaal der rijmen, als vers beteekenis zoekt te krijgen.
En zeker, er is heel wat, vooral philosopheerend dichtwerk,
dat, geparaphraseerd, er al zeer onnoozel zou uitzien; toch, voor den kenner,
zal ook zulk dichtwerk-zelf waardeloos blijken, niet alleen van inhoud, maar ook
van vorm; omdat vorm-alleen niets is, en zich alleen ver-vormt tot schoonheid,
als het technisch kunnen door een ontroerden en dus nooit berekenenden of dorren
geest wordt geleid en bezield.
En zoo, voor den kenner, doet wel eens het òmgekeerde zich
voor; wat in de wijde plooiingen en golvingen van het ongebondene proza als
onecht wordt vermoed soms en gevoeld, maar bijna niet bij de lurven te pakken
is, dat loopt wel, naakt, van alle kanten te bekijken, en reddeloos
overgeleverd, in het vers als in een val!
De verzen des heeren Couperus waren van-ouds één tastbare
onechtheid; zij zijn het gebleven.
De cyclus Endymion, het 'mysterie-spel' Imperia, en nu weer
de twaalf sonnetten, die Dionyzos inleiden, zijn slecht; een oogenblikje, in
Endymion en in deze Dionyzos-studiën, is er wel eens iets aardigs, maar iets
aardigs, dat het verstand bedacht; waar de schrijver ons in een diep gevoel wil
doen gelooven, daar sleept hij zijn praal van woorden en kunstige rijmen
vruchteloos aan... want die vierkante vitrines vol nagemaakt geflikker, hebben
niets van de dauw-fonkelende bloembedden der bewogene schoonheid.
Wij laten verder deze verzen buiten beschouwing hier.
Vooreerst, wijl dit opstel 'over proza-kunst' te handelen heeft, - en ten
tweede, wijl wij niet de vèrzen van den proza-schrijver tot de ver-
399
klikkers willen maken van wat in zijn proza-zelf verborgen ligt.
Dat proza-zelf moet de bewijzen kunnen leveren van wat wij er
als niet echt in gevoelen, en... het bevat die bewijsstukken te over.
Het is niet in-beeldspraak, maar onze directe indruk, dat
wij Dionyzos
zien als iets moois en kleurigs en tintelends, warm om ons toe, vertrouwd, maar
dat dan ineens zich verheft van de aarde, alsof een ijdele wind er onder
op-bolt, zoodat wij, zelf in een wonderlijke leegte, het plotseling aanstaren
als iets vervreemds, waar het voort-ijlt, in ontkleurde stukken uiteen-geweken,
ergens omhoog... Dan, eensklaps, zinkt het tezamen weer, het is weer één en
reëel, het kleurt en tintelt weer bloeiend om onze zinnen...
De hier beschrevene sensatie ontstaat, sterker of zwakker,
korter of langduriger, door veel-verscheidene oorzaken; 't is, waar Couperus, te
vluchtig werkend, met los-gegrepen woorden en vergelijkingen gaat gooien naar de
gapingen, die zijn ongeduld niet toelaat, alle met gevoelde woorden en
vergelijkingen te vullen, - of, waar hij de zinnetjes, die te onnoozel en te
kaal zouden heen-kuieren uit zijn leegere stemming, dooreen draait en friseert
en een duwtje geeft in de lenden, tot ze wat lijken van houding en rhythme...;
maar vooral dáár, waar hij, niet meer eenvoudig, innig, en vandichtbij zijn
onderwerp doorvoelend (doch zonder zich daarvan bewust te worden) de
futiele opgewondenheid er over van zijn in momenteele verzwakking altijd weer
jonge-dames-alluretjes aannemenden geest, voor dichterlijke vervoering houdt, en
meenend te dansen in extaze, voortfladdert in ijl, hysterisch dwepen... totdat
een rustiger moment in het verhaal den vliegerig-opgetogen auteur weer tot
bedaren en... tot de schoonheid terug brengt.
Nauwelijks is 't verhaal ingezet met den dauwigen morgen te Nyza en het zacht-kleurig ontwaken van Dionyzos, die gedroomd heeft: 'de verovering van geheel de wereld' - of, dadelijk al, maakt Silenos, de oude wijsgeer, die toch geenszins als een kijver of een druktemaker is bedoeld, zich, zonder een naderen uitleg af te
400
wachten, van die nog vage woorden meester, en slaat aan het tegen-betoogen met
zoo overdreven ijver, als had de heer Couperus hem vooraf ingelicht, hoe 't
loopen zou:
'- En wat heeft mijn heer gedroomd? vroeg (eene der
nimfen) Ione.
- Ik heb gedroomd... zei Dionyzos; de verovering van geheel
de wereld ...!
- Wat een dwaasheid! Wie zou er nu moeite doen om de wereld
te veroveren! klonk in spot, een stem, en Silenos, zich rekkende, trad naar
voren uit het boschje waar hij geslapen had. Zeg, Dionyzos, wat spiegelden droom
en slaap je zoo ijdele eerzucht voor? Geheel de wereld...! Maar kan het de
moeite loonen geheel de wereld te veroveren...? Kan zij schooner zijn dan Nyza,
kan de lucht om haar zijn blauwer, de zee rondom haar stralender, de nymfen in
hare wouden verleidelijker dan Ino en Ione zijn? Ik geloof het niet! Ik geloof
het niet! O, Dionyzos, vergeet je droom, die ijdelheid was als àlle droomen.
- Ik heb gedroomd... - Dionyzos herhaalde het -; de
verovering van geheel
de wereld!!
- En waarom zoû je die wereld veroveren? Geen van de goden
geeft om'... hé, man, zijn wij geneigd in de rede te vallen, maak je niet zoo
dik, laat Dionyzos nu eerst eens uitpraten, wat een herrie op den vroegen
morgen!
De opwinding van den schrijver - we zijn op bladz. 4! - heeft
zijn personen alreeds bevangen, en van dat oogenblik af gaat het voort òf in
drukke, gemaniereerde, even breedsprakige als ondiepe dialogen, òf in
dwarrelende, eindeloos zich herhalende en rondwentelende, en toch àl maar dóór
dravende, dravende, dravend-pratende monologen, die samen het grootste gedeelte
van het boek beslaan.
In het door ons onderbroken gesprek tusschen Dionyzos en Silenos komt, op bladz. 7 bovenaan, het woord voor langen tijd aan Dionyzos.
401
Deze gespreksbeurt is, voor de factuur van het gansche werk,
van bizonder belang. Voor het eerst heeft hier het spreken in sommige zinnetjes
een ongewone functie, een functie, die het, 't geheele boek door, bij buien
houden blijft, - met een even uiteenloopend effect echter, als de oorzaken van
haar ontstaan verschillend zijn.
Het verschijnsel bestaat hierin, dat in het spreken
opgenomen
wordt hetgeen gewoonlijk tusschen het spreken in als stukjes
beschrijving
een plaats vindt, beschrijving zoowel van de omgeving als van de gebaren en
handelingen van de persoon die spreekt en van de persoon of de personen tot wie
gesproken wordt.
Dionyzos, op bladz. 7, begint zijn gespreks-beurt, terwijl
hij en Silenos nog staan waar zij zooeven ontwaakten; dan, onder het praten,
hooren wij hem zéggen, dat zij op weg gaan, wij hooren hem zeggen, waar zij
langs loopen, wat hijzelf doet onderweg, wat Silenos doet, hoe de natuur om hen
heen verandert met hun voortgang... eerst op bladz. 9 onderaan eindigt
nog-altijd-diezelfde gespreks-beurt met: 'Hij hield stil. ..'
En wat is nu, hier op deze plaats, het gevolg van dit opnemen
van handelings- en omgevings-beschrijving in den dialoog, of, zoo men wil, van
dit beschrijven van omgeving en gebeur sprekenderwijs? Ziehier een
gedeelte van wat Dionyzos al-doende hier zegt:
'O Zeus, hoe zalig is al wat ge schiept, om de schoonheid der glanzende vormen, die van hemelen, en die van de aarde! Aarde, blinkende erfenis, bloeiend erfgoed, vervalt ge Dionyzos alleen? Zeus, god van hemelen, zal Dionyzos der aarde god zijn... ?! Silenos, kom nu met mij! kom mee, ik weet den weg! Ik zag hem in mijn droom! Langs deze wateren en langs deze wouden wezen hem mij najaden en hamadryaden, lachende, met schalke vingertjes... Ik liep den weg al af in mijn droom. Om mij heen riep de op mij verliefde aarde met tallooze stemmen, dat ik haar veroveren zoû! Er woelde een razende vreugde! Ik ontwaakte... Nu, in morgenwerkelijkheid, loop ik den weg af! Hierheen, hierheen! Volg mij, meester, gij, die de wijsheid gaarde in uw woord, als de bijen honig in raten, en ze mij aanbiedt, als mij hongert, tot ik walg van de zoete wijsheid! Hierheen, hierheen: Dionyzos hongert naar honig niet; Dionyzos dorst! Hem dorst... ! Hier
402
spoelt zuiver water... ! Ik schep het in mijn hand, ik drink het... O,
ik wilde er ware ander vocht, dan het water uit de kruik der najaden... Maar
Zeus hield den nektar voor zich daar boven aan hun godenfestijnen... Daar komt
Dionyzos niet! Maar is hem de hemel gesloten, de aarde zal hem open zijn...!
Vlugger, vlugger, Silenos' enz.
Het is maar zulk een klein verraad, wat er schuilt in dit
fragment; maar, tot een vast procédé gegroeid, wordt het hier even ietwat
vluchtige in de behandeling, een algemeene en gevaarlijke eigenschap, die tot
het beste toe uit dit werk heeft meegesleept.
'Dionyzos dorst! Hem dorst...! Hier spoelt zuiver
water... Ik schep het in mijn hand, ik drink het... O, ik wilde, er ware
ander vocht' enz. Dionyzos zegt hier iets
te doen, en te doen in denzelfden tijd, dat hij 't zegt (want
dadelijk praat en gaat hij weer door) - iets, dat hij niet doen kàn in den tijd
dat hij 't zegt. . . Het zien van het water, het erop-toe-loopen, het erbij
knielen, bukken, het scheppen, het voorzichtig op-beuren van de lastig
gesloten-te-houden handholte, en het drinken, dit alles duurt zeer veel langer
dan het hier in 't voorbijgaan gezegde.
Eén oogenblik sluit zelfs zeggen en doen elkander uit: 'ik
drink het,' want, drinkend, zou hij niet zeggen kunnen, dàt hij dronk.
Welk effect nu heeft dit meêdeelen eener terzelfder tijd
gebeurende handeling, die even lang als de mededeeling heet te duren, maar
langer duren mòet, en één oogenblik zelfs niet onder dat meêdeelen
gebeuren kàn...?
Dat wij niet gelooven, dàt ze gebeurt, maar dat wij alleen
een vage mimiek
van die handeling zien, alsof iemand het gesprokene voordroeg, een paar
passen deed bij 'hier spoelt zuiver water', zich bukte en een schep-beweging
maakte bij 'ik schep het in mijn hand', een drink-beweging bij 'ik drink het',
om, de hand weer in de hoogte, uit te roepen: 'O, ik wilde, er ware ander
vocht!'...
En hiermee is ééne der holten van dit boek aangeklonken: de
ten onderwerp gekozen mythe tot een werkelijkheid willende maken, doet
het, te herhaaldelijk, onder die vermeende werkelijkheid als
403
't ware de tooneel-planken hooren, waarop dan plots de mythe niet meer leeft,
maar voorgedragen wordt.
't Is echter niet genoeg, dat wij weten, door welk procédé
dit effect ontstaat. De verkeerdheid toch van dit effect gradueert zich van iets
nauw-merkbaars tot de grove fout. Terwijl, aan den anderen kant, het procédé
opzichzelf, een enkele maal toegepast, en behoorlijk bewaakt, er een heel
eenvoudig en goed kan wezen.
Wanneer wij nu echter nagaan, hoe, in dit werk, dat procédé
ontstaat, dan vinden wij van die zeer uiteenwijkende schakeeringen, waarin het
bedoelde effect zich voordoet, de verklaring.
Hoe kwam de schrijver tot dit procédé?
Gewoonlijk, wanneer de vaak wat vrouwelijk-nerveuze Couperus,
in meer of minder echte begeestering, de personen van dit boek in meer of minder
echte vervoering doet geraken, dan bevangt hen iets, in beginsel, van de
zenuwachtige bedrijvigheid van 't, vrouwtje, dat, haar kamers gereed makend voor
een feestje, al wat ze doet met gepraat begeleidt: nu ga ik dáar de schemerlamp
zetten; die staat! de theetafel een beetje zoo; zóó! en nu die stoel nog wat
achteruit...
Waar nu de schrijver werkelijk is in den tintelenden,
weidsch-opgetogen geestes-staat, van waaruit het gansche werk had moeten
geschreven worden, daar komt hij òf niet tot dit aan bedrijvige
vrouwtjes herinnerende procédé, òf - doch dit is zeldzaam - hij beheerscht het,
't dribbelig-blije opvoerend tot het helder gejubel om de schoone wonderen, die
daar worden beleefd; - maar is hij in het vliegerig enthousiasme, dat in drukke
uitbundigheid een momenteele inwendige leegte te overbruggen tracht, dan laat
hij de opgewonden huisvrouw (om dit beeld nu maar even vast te houden) aldus
voortgaan: nu sjor ik de piano naar het andere eind van de kamer, nu loop ik
snel de trappen af, en geef aan de meiden mijn orders... zonder te bemerken, dat
dìt niet meer, tegelijk met het zeggen, gebeuren kàn, en dus ook niet gezègd kan
worden... dàn: buiten de werkelijkheid.
Doch er is een gemiddelde: soms is een wel echte geestdrift
niet kláár genoeg geweest, te veel een róes, om aan alle
404
schoone beelden, die hem voorbij-ijlden, de juiste taak te kunnen
geven; ontstaat er dan soms al dat treden uìt de werkelijkheid der geleefde
mythe, in een soort vertooning van de mythe, - die vertooning, nu en
dan, kan mooi zijn; en, een enkele maal, wordt de lyriek der aldus acteur
geworden personen, óver de personen, die ze aanvankelijk waren, zóó mooi, dat
eerst later het nuchter verstand die subtiele en door de Schoonheid zelf
verhulde gedaanteverwisseling bemerkt.
Op zijn morgen-wandeling met Silenos hebben wij Dionyzos verlaten. Kort daarop liet ook Silenos, bang wordend in die onbekende wouden, hem in den steek. En alleen verder ijlend, vond hij Ampelos, den Faun, wien Zeus den wonderbaarlijken wijnstok in de hand legde, die Dionyzos' scepter worden zou. Samen gaan zij op weg, om de gunstige plek te zoeken, waar zij hem planten konden tot vreugde, den tooverstok! De Faun pijpt zijn lokkende wijze, en van overal, van al de gunstige plekken antwoorden de pans-fluitjes:
'- Kom, Dionyzos.
- Ik volg je ....
- Ik speel de wijze, al gaande.... Ik de wijze al
spelende, zal mijn lied onbewust ons leiden ter goede en gunstige plaatsen.
Waar zonen van Pan, enz.'
En, lezer, wij bekennen 't graag, hier hadden wij, bij 't
eerste doornemen van 't boek, niet gemerkt, dat de Faun niet 'al spelende' maar
al pràtende vooruit liep; en dat praten en.... fluitspelen niet tegelijk gaat! -
wij hadden 't niet gemerkt, want behalve dat onbewust wij achter die woorden de
mimiek van fluitspel zagen, hadden wij ìn die woorden, in het zacht-dansend
rhythme dier woorden, het fluitspel zelf, op de maat van Faun's lenigen
tred, gehóord: Ík speel de wíjze al gáánde.... Ik de wijze al spélende.... enz.
Het is een feitelijke onmogelijkheid, als het 'ik
drink' van een vorig citaat, dit fluitspel onder 't praten; maar hier is die
feitelijke onmogelijkheid geen blijk van ongevoeldheid, daar juist het rhythme
der het onmogelijke schèppende woorden zèlve.... van hunne gevoeldheid getuigt!
En dàt is 't voornaamste!
405
Wij maken dan ook geen jàcht op die fouten-zelf: dat dìt
eigenlijk niet kan, of dat dàt niet precies klòpt, - want om haarzelf laten zij
ons tamelijk onverschillig; het is trouwens opmerkelijk, dat de
verstàndelijk-èrgste onmogelijkheden, onlogischheden enz. lang niet altijd het
meeste, soms, zooals hier, in 't geheel géén kwaad doen; maar nìet onverschillig
zijn die fouten ons, zoodra ze de onmiskenbare symptomen zijn van innerlijke
kilte, valsch gevoel, flauwheid, en dan ook niet nalaten, den lezer een
(misschien onbestemde) gewaarwording van holheid, afkeer, weeïgheid mee te
deelen.
Dionyzos en de Faun hebben een gunstige plek gevonden; zij planten den wonderbaarlijken stok, en het wonder gebeurt; hij kronkelt en weligt uit in takken en twijgen; bladeren ontvouwen zich, trossen zwellen er heerlijk tusschen.... wij vernemen het alles uit het gesprek van Dionyzos en den Faun, die door de wisseling van hunne verrassings-uitroepen ons doen bijwonen wat er geschiedt. En hier, waar het gebeuren werkelijk met het spreken erover gelijk gaat - zoo'n wonderboom groeit in een oogwenk! - heeft men dus een geval, waaruit blijkt, dat het procédé-zelf volstrekt niet uit den booze is, zoolang het niet uit verkeerde geestes-bewegingen van den schrijver ontspruit. (Dat dit gesprek niet zeer móói is, een beetje week, waar het een wonder had kunnen worden als het wonder dat erin beschreven staat, dit doet voor het oogenblik niet ter zake.)
'- Nu sidderen van groen de twijgen en de bladeren
ontplooien... O, Dionyzos, dit is een nieuwe boom, en hij zal zijn je eigen,
Dionyzos! De druiveboom, die is voorspeld!
- Faun, zie, mijn druiveboom heerlijkt uit in kronkelende
ranken en van nog nooit gezien ooft zwellen er kleine besjes aan...
- De besjes zwellen...
- Zacht rozig bleek eerst purperen de trossen, en hangen nu
zwaar...
- De ranken rekken verder over den rotswand...
- En krinkelend als met klauwtjes teêr, hechten zij zich vast
aan het steen...
406
- En kronkelen haar rankjes om iedere punt die uitsteekt...'
Op dit oogenblik gaat het regelmatig gesprek over in een lange alleenspraak van Dionyzos, voortdurend echter tot den Faun gericht; er gebeurt nu weer meer achter het gesprokene dan wat door den sprekende gezien wordt; hij zelf en ook zijn Faun gaan druk aan 't handelingen verrichten. Laten we maar eens kijken:
'...O, mijn, wonderboom, o, mijn wonderboom, o mijn heerlijke druivewingerd! Faun, kom, plukken wij een tros en proeven wij dien om te weten hoe smaakt ooft zoo nieuw. Ja, van boschbes en braam is de geur, maar heftiger te zamen geperst en de aroom vertienvoudigd in bezwijmelende kracht! Hier, Faun, ik pluk er een tros af... Zie, hoe heerlijk mijn tros mooi is! Zie, hoe heerlijk... Een waas als van eersten dageraad ligt over de even gepurperde blauwte, als een schuchterheid over een gloed! En hoe zwaar is mijn tros! Nauwelijks kan ik hem beuren... Nu til ik hem met beide handen omhoog om hem vonkelen te doen in de zon. In iedere druif trilt als een roode drop, zichtbaar en schitterend door den wazigen glans van de schil. Hoe zwaar, hoe zwaar is mijn tros... Ik vrees, de steel zal breken... Ik neem den tros in beide handen nu vast, ook al ontwijden mijn vingers het waas... De tros bloost in mijn palmen alsof hij blaakt in mijn liefkoozing! O Faun, nu te zoenen, te zoenen mijn tros... Maar hij is zoo zwaar, dat ik mij schrap op de voeten moet zetten; mijn lendenen buigen achterover, mijn spieren spannen om hem op te tillen naar de gretigheid van mijn lippen toe. Nu, o nu, lig je, tros, op mijn mond! Nu, o nu druk je mijn mond te pletter! Als een even gepurperde zwaarte blauw ligt de tros over mijn gelaat, streelt mijne oogen, die zich sluiten, zoekt met zijn druiven mijn hijgende lippen en purperkraalt af tot op mijn borst in mijn armen, die hem tegenhouden! Zware, zware tros... een roode geur zweet als een walm uit je op... zware, zware tros, ik wankel onder je bezwijmeling... O Faun, ik zie, mijn oogleden even geopend tusschen de druiven, dat je deed als ik, en plukte een tros, en hem bracht aan je lippen verliefd... zware, zware tros... o, nu val ik onder je zwaarte... Nu lig ik in het, warm gestoofde zand en je ligt zwaar op mijn hart, op mijn mond! Mijn purperen wellust, kom! hier in mijne armen druk
407
ik je te pletter! Tegen mijn hart, op mijn mond! Faun, ik perste den tros, omdat
ik bezwijmelde onder mijn wellust, en niet weerhouden kon den drang van mijn
armen. Nu stroomt zijn roode bloed mij langs de lippen en over mijn
leden! O! Faun, ik zie, rood bloed stroomt je de lippen en de leden over? Je
perste den tros!! O Faun, nu druipt mij het bloed in den mond en rilt langs
mijn verhemelte. Nu zamel ik de gekneusde druiven, woest, woest, in de
kramp van mijn hand, en pers ze razende uit boven mijn mond: Faun, het
bloed van den tros, verkracht, stroomt met een rijken straal, stroomt mij binnen
en gloeit tot in mijn merg! Nog een tros, een andere tros!'
Gebeurt dit alles, zóó als het hier staat, gebeurt het
voor onze oogen? Gebeurt het werkelijk, alles wat Dionyzos zegt, terwijl hij het
zegt? Neen. Menig gebaar, menige daad, en dus het geheel, waarover ze verspreid
zijn, zou leelijk wezen als het gebeurde! Het zou leelijk zijn, als
Dionyzos, terwijl hij den tros 'op zijn mond te pletter drukte,' moeilijk
uitbracht, onverstaanbaar 'o nu drkt je mn mnd te plttr', - als hij, terwijl hij
viel onder den tros, uithikte: 'O nu vehal ehik onder je.... zewaarte', - als
hij, drinkende, zich zou verslikken in 'o Faun nu druipt mij het bloed in den
mond.'
Maar dat alles gebeurt niet, en zóó leelijk is het
niet, al zijn de zinnetjes, waar het op aan komt, óók niet zoo móói geworden,
dat men ze niet meer als niet-gebeurend mèrkt. Men gevoelt er dus in: iets als
een uitzinging van gevoelens over een denkbeeldig gebeuren, en, omdat
het dan toch in een als werkelijk voorgestelde situatie wordt gezègd, en men het
dus niet als lyriek beschouwen mag van den auteur persoonlijk, kan men het niet
anders zien dan als de uitgezongen lyriek van... den telkens even acteerenden
Dionyzos, die ons de situatie in woord en gebaar uitbeeldt... wel wat
mal nu en dan!
Doch ook móóie oogenblikken zijn er in die lyriek. Mooi is
bijv.
'Een waas als van eersten dageraad ligt er over de even
gepurperde blauwte, als een schuchterheid over een gloed!'
En zoo is er nog het een en ander; maar vooral, als men niet
408
al te intens leest, niet al te nauw kijkt, en men laat zich niet pakken door de
ietwat komische effectjes, als bijv. het feit dat Dionyzos, zóó tobbend onder
dien tros als het er stáát, zóó zwoegend dat 't zweet hem wel van 't vuurrood,
ader-gezwollen voorhoofd moet druipen, toch voortgaat met zich op 't fraaist en
teederst uit te drukken, - als men zich dus maar een beetje overlevert aan den
auteur, dan heeft vooral het gehéél iets moois, dan voelt men door het gehééle
fragment een trék en een gloed, die, al geeft hij geen diepe bevrediging, voor
een oogenblik bekoort en meesleept.
Een náar accentje is: het welbehagen, waarmee in het
extatisch uitpersen der druiven, in het argeloos Gode-zuiver natuur-genot, het
begrip 'verkrachten' wordt ingevoerd.
Waar wat minder plastiek door het 'nu doe ik dit, nu doe
ik dat'-procédé heengevlochten is, waar het dus wat aparter in 't oog valt, maar
ook hier, als men er op let, moet men óok nog wel eens aan iets anders denken...
In 't bizonder, wanneer zich daarbij zinnetjes voordoen, als we reeds in een der
bovenaangehaalde fragmenten tegenkwamen: 'Dionyzos hongert naar honig niet! -
Dionyzos dorst!' en 'Dáár kòmt Dionyzos niet!' - ook Ampelos zegt van
zichzelf: 'Ampelos wéet niet van triomf .. maar Ampelos weet' enz.; en Silenos
en Ariadne doen als Dionyzos en zijn Faun...
Allen praten zij, zoo nu en dan,... als kinderen. En in hun
pratend bezig-zijn, telkens en telkens, hoort men... kinder-gespeel.
Mocht men willen tegenwerpen, dat Dionyzos en de Faun
eigenlijk kinderen zíjn, groote, blijde, heerlijke natuurkinderen! - de verlaten
minnares van Thezeus, de weeklagende Ariadne heeft weinig van een kind...; en
ook van Dionyzos en Ampelos is het van zichzelf als van 'Dionyzos', 'Ampelos'
spreken geen kínderlijkheid, maar een weeïge kinderáchtigheid., waar een
kinderlijk-doend 'Dionyzos...' verbonden wordt met den boekerigen, zelfs niet
door groote menschen gebruikten datief 'mij hongert,' 'mij dorst.' -
Wat nu, behalve dit, doet aan kinderpraat denken?
Het is 't begeleiden van handelingetjes met de vermelding
dier handelingetjes, op oogenblikken en in situatie's, waarop of waarin
volwassenen zwijgen zouden.
409
Waar Dionyzos zegt: 'Nu til ik hem met beide handen omhoog,
om hem vonkelen te doen in de zon. In iedere druif trilt,' enz. - daar zou een
groot mensch den tros omhoog tillen en zeggen 'kijk hij eens vonkelen in de zon.
In iedere druif trilt,' enz. en alleen een kind zegt óók er nog bij, dat hij hem
optilt.
Waar een tuinman, die een boompje geplant heeft, zonder het
er bij te vertellen de aarde er weer om dichtgooit, zegt het kind Ampelos: 'Nu
zamelen mijn handen den zandgrond weer dicht om den stok.'
Maar dit kinderlijk-drukke overal-iets-bij-zeggen geschiedt
nu weer in méér dan grootmenschige, in 'literaire' zinnetjes: 'Nú til ik
omhoog', 'nu zamelen' enz. Men hoort niet echt iets van kinderen
plots, maar iets halfslachtigs... Men krijgt een indruk van 'flauwigheid'; en
dit, samen met perverse toontjes, die niet vlijmend en gedurfd, doch ook maar
zoo-éventjes pervers zijn, als bijv. dat 'verkrachten' van druivenbloed, - dit
brengt al meê iets van dat vaag-weeïge aan, dat men kent van Couperus en ook in
dit boek terug vinden zal.
Opzettelijk, om ons betoog te klemmender te maken, kozen
wij zoo straks het betrekkelijk wel mooie fragment van het eerste
druivenplukken; - de bewijsplaats voor aanmerkingen van algemeene geldigheid
moet van beter en niet van minder gehalte zijn dan de middelmaat van het geheel.
Heel wat armelijke en hollere hoofdstukken dan, naast brokken
van ongeveer gelijke waarde als het bovenstaande, slaan wij over, - ook de
mislukt-klassieke, waarin een handvol epitheta ornantia als 'weemoedoogige' bij
Hermafroditos, 'van verstand stralende' bij Hermes, 'roosvingerige' bij Eos, en
nog zoo wat uiterlijkheden, niet méer gaande maken dan wel eens een
leuk-om-te-herkennen Homeros-imitatie...
En, opzettelijk, voeren wij den lezer ineens naar het
groote, pathetische en werkelijk machtig-geconcipieerde hoofdstuk van dit boek,
het hoofdstuk der verlaten Ariadne en haar waanzinnige wanhoop, met het
fijn-zangerig bedoelde voorspel van de rei der Nereïden, de dansende nymfen der
zee.
410
Dit voorspel is, om andere, straks aan te geven
hoedanigheden, eigenlijk allerakeligst, maar als wij het ons verbeelden, zooals
Couperus gaarne zou willen, dat het was, dan hoeren wij een vaag en teer zwevend
zingen heen om Naxos 1) en de slapende Ariadne, voorbereidend het
wreed ontwaken der heimelijk te nacht door Thezeus verlatene...
En wij zien haar wakker worden dien morgen; eerst is zij
heerlijk blij en rustig, dan stil bevreemd, dat Thezeus er niet is, dan angstig,
angstiger, zich herinnerend de vroegere verschrikking van Kreta met den
loeienden Minotauros, monsterzoon van haar liefde-kranke moeder Pazifaë en den
stier; haar angst neemt toe en in dien angst worden broeiender en verwarder de
herinneringen, hoe Thezeus landde op Kreta met de offerlingen, hoe hij doodde
den mensch-stier en vluchtte met haar... zij zoekt overal over het eiland, tuurt
in de zee... zij vindt hem niet, haar angst wordt een marteling, tot ineens, zij
in de verte de schepen met de zwarte zeilen heen ziet varen; nog even meent zij,
dat ze terugkomen, - dan zijn ze weg achter den horizont; - en herinnering en
werkelijkheden mengen zich in gruwzame foltering... zij waant zich weer op
Kreta, zij waant haar liefde en vlucht een droom, want het gebrul van den
Minotauros klinkt haar weer in de ooren! - Dionyzos met zijn leger van saters en
faunen en wilde dieren was op Naxos geland...
Een geweldig hoofdstuk, een hoofdstuk, dat, van zóó
zwaarschoone verbeelding en bewonderenswaardige compositie, had kunnen zijn van
weêrgâlooze pracht! En... wij zien het... als iets heel moois, zeker, maar als
de heel mooie, de groote, de pakkende, de aparte - waar je apart om gáát -
de beroemde 'scène'... op het eind van de derde acte bijvoorbeeld. Het is
prachtig, maar prachtig... tooneel. Het is de groote monoloog of aria van de
groote actrice of zangeres, de monoloog van Ariadne die gaat van blz. 221, met
vijf regels tooneelaanwijzing op blz. 223, tot blz. 237.
Om meer redenen is dit zoo, maar toch voornamelijk roept en
zucht en smeekt en huivert en gilt, in onze herinnering, niet Ariadne
maar een tooneel-Ariadne, door hetzelfde, dat maar zoo
1) Het bekende eiland.
411
een kleine vluchtigheid was bij het gaan-drinken van Dionyzos, in 't begin van
't boek...
Reeds negen bladzijden lang staat Ariadne aan zee en roept Thezeus, roept Thezeus, en daartusschen in verhaalt zij zichzelve haar herinneringen... het duurt lang, zeer lang, maar, denkt men, wij hebben hier niet te doen met klein, preciesjes-reëel realisme, we hebben hier te doen met een hóógere realiteit... wel is er meer en meer een klank van declameeren in Ariadne's heeten woordenvloed, doch, schoon aarzelend, de lezer aanvaardt het... totdat de ware staat-van-zaken doorbreekt:
'Nu zullen zij dadelijk komen. Te lang toefde hij al! Wat zoeken zij over het eiland? Nu treed ik de zee in... Zee, omhels mijn leden, zooals ge Thezeus hebt omhelsd... Zee, wat zijt ge eenzaam! Waar zijn de schepen met zwarte zeilen? De zee is blauw, de lucht is blauw, één blauwe eenzaamheid! Thezeus!? Thezeus!! Hij antwoordt mij niet... Waar zijn de schepen?... Zij voeren het eiland om... Waarom? Thezeus... Nu zoek ik hem... Nu zoek ik hen allen... Nu zoek ik de schepen der zwarte zeilen...'
Dit zeker, is geen, en ook geen hoogere, realiteit meer.
Achter dit terloopsche 'nu zoek ik hem... nu zoek ik hen allen' zit niet meer
een werkelijk zoeken, en, in waarheid zoekende, de veeldadige en angstige
handeling van het zoeken verrichtende, zou Ariadne niet deze
literair-aanzwellende frazes verzinnen...
Nog duidelijker declamatie-voor-waarheid is, wat drie
bladzijden verder de van smart waanzinnige vrouw te zeggen heet:
'Gek was mijn moeder, Pazifaë, ik ben gek als zij! Ik ben gek...! Zij beminde den Stier...; ik.... een Droom! Zij werd gewond door de Werkelijkheid: een Schaduw verwondde mij doodelijk... Zij liep rond, handen wringende, ik loop handen wringende rond...'
Wie handen wringende rondloopt, zegt het er heusch niet bij, ook niet in de mythologische wereld, ook niet in een gestyleerde
412
of supra-reëele wereld, en nog minder past bij de opperste wanhoop de theatrale
tegenstelling: 'Zij beminde den Stier: ik een Droom', of de Couperische
stijl-draaierij: 'Zij liep rond, handen wringende, ik loop handen wringende
rond.'
Maar nòg erger kón het: Ariadne, ten toppunt harer
vertwijfeling, wil zich om hals brengen; nog altijd is ze monologeerend aan zee,
en besluit:
'Rotsen, rotsen, waar zijt gij... hier zijn alleen boomen, struiken en bloemen... Dáar... daar zijn rotsen! Ik beklim ze... hooger... O, nu sta ik hoog... Hoog sla ik de armen uit! Dood, ontvang mij ! Zee, ontvang mij... Ariadne stort zich in zee en in dood.. Onverzoenlijke, wees tevreden!!'
Dit, vrienden onzer, is, buiten en behalve die
mirakuleus-snelle rotsen-bestijging - 't zijn kisten met grijs zeil erover - dit
slot is nu het pure en onvervalschte melodrama!
En nogmaals: niet om henzelve laten wij die stuk of wat
zinnetjes hier zien: kwamen zij voor bijv. in een proza-gedicht, dat Ariadne
poëtisch haar lotgevallen deed vertellen, zonder, als hier, een onderdeel te
zijn van een geheel, waarin een mythologisch verhaal een levende realiteit
bedoelt te wezen, - men zou er wellicht even bij stilstaan om bijkomstige
redenen, doch het inwendige zouden zij niet raken.
Nu zijn zij de punten, waarin de van de realiteit ontaarde
adem van den monoloog aan de oppervlakte komt, de punten, waarin helderst
blijkt, dat die monoloog niet meer één is met het leven van het geheel.
En het is ons zelfs niet te doen om dien ademtocht-zelf, om
den grondklank-zelf van dien monoloog. Het is ons te doen om den ziels-staat van
den schrijver, die dien adem als een holle davering onder de woorden aanblies.
Och, want als dit het eenige was! Maar het is één symptoom onder de véle symptomen van het onechte deel in dezen
413
schrijvers-geest, misschien wel voor niemand ooit met zekerheid grijpbaar, maar
onmiddellijk voelbaar voor ieder zuiver mensch.
Zie het dádelijk-áánsprekende, de taal, den stijl....
O, als Couperus maar heel innig vóelt wat hij schrijft! àls
hij maar altijd zóó vóelde, wanneer hij schreef! als hij maar niet altijd,
inplaats van te wachten op het volle, lichtende oogenblik, luchtigjes-weg
schreef en schreef, waarover, het doet er niet toe, over het Noorden of over het
Zuiden, over de oudheid of over vandaag, over de aarde of over den hemel, -
schreef en schreef en schreef, totdat zoo toevallig ereis hij 't volle oogenblik
en 't innige gevoel tegen komt!.... Ja, àls hij! Want de keeren, dàt hij,
schrijvende, innig voelt; dat de visie, die vóór hij schrijven ging door zijn
hoofd flitste, niet te hoog en te vaag is, om onder het schrijven (en
schrijven is dikwijls de toets-steen voor de echtheid, de duurzaamheid der
gevoelens) ìn hem te blijven, levend en licht - wanneer Couperus zóó, zonder
forceering zijner vermogens, eens werkelijk doorleeft wat hij schrijft, dan
schrijft hij nog wel zeer goede dingen.
Lees bijv. de beschrijving van den Faun, zooals Dionyzos hem
de eerste maal zag:
'....water murmelde er frisch sijpelend de rotsen af, tusschen de altijd vochtige groene en goudgele mossen, en geleund tegen den steenwand stond een Faun, het linksche been over het andere rechts, rustende op den even gebogen voet, met den druk van de teen in de viooltjes. Een gespikkeld wilde-katte-vel hing, met dooden kop, slappe pooten zijn schouder af. Hij glimlachte, en bespeelde zijn fluit, de vingers tegen de mondholten der rietjes. Hij stond rustig en kalm als een kalme en rustige vreugde. Zijn glimlach was van blijde gedachte vol. Zijn voorhoofd heel smal en de slapen heel schuin, kruifde zijn kort haar dicht als het gekroes van een lam, dat goud zou geweest zijn van zijdige vacht. Onder de welving der brauwen waren zijne lachende oogen als water zoo klaar, grijs-blauw met de geboorde diepte der donkere pupil. Baardeloos, warm zongewaasd was zijn nooit geschoren en dus even donsfulpig gelaat, breedkalm om zijn glimlach, die zijn puntige tanden deed glinsteren. Zijne ooren spitsten, als bij alle zijne stamverwanten, en gaven aan zijn goedheid en vroolijkheid een pittigen geest, schalk wèl-demoniesch.
414
Hij was groot, breed, kalm, jong en rustig. Hij stond als een jeugdig
athleet, die een dichter was. Zijne spieren, niet zichtbaar, verrieden zich
onder de gestoofde goudtint van zijn vleesch. En zoo was hij een kracht, die
eene teederheid was, en een ernst, die was een vreugde.
Dit is werkelijk mooi, rijp-mooi, maar zoo is er niet
veel!
Kijk nu nog dit, aardig, met iets héél liefs en echts hier en
daar, van het ingeslapen Pans-zoontje; maar wat is de stijl weer gecontourneerd
in dien zin over de gunstige plek!
- 'O Dionyzos, o Dionyzos! zei, opgestaan, het Pans-jongetje bang, en hij begon heel hard te huilen. O Dionyzos, den heelen morgen... den heelen morgen - nauwelijks was je weg - heb ik gefloten: hierheen! hierheen! tot ik geen speeksel meer had, tot mijn lippen waren als droge schilletjes, en mijn wangen mij schenen te barsten... en niemand, niemand kwam! Kijk Dionyzos, hier te Nyza, kijk Dionyzos, is een gunstige plek, een heel gunstige plek, zoo open in Helios' stralen, zoo breed vlak van karteligen rotswand, zoo gruizelig en zandig van glinsterende aarde, die, losgewoeld, aroom doet zoo prettig in je neusgaten kriebelen, dat je er van fniest, apetjie! en gefloten heb ik, gefloten, en niemand, niemand kwam, om ook maar een klein wijnstokje te planten!'
Het slot hebben wij weg moeten laten, zóo krom werd de stijl; en de laatste woorden, ouwelijk, bederven den indruk geheel: 'ach wat heb ik geblazen, en niemand achtte mijn roep!'
Goed is:
'Maar de looveren bruischten en een panther tam zag haar aan
met schitterende oogen, naderde toen, legde zich neêr aan haar voet. Zij
streelde zijn machtigen kop, en hij brieschte zalig te moê, mauwende als een
heel groote kat, met steile snorrebaarden. Nu hief zich het tamme dier en
kronkelde om haar rond, en stond stil. Ariadne steeds streelde hem, met de hand
over kop en rug. Hij strekte den rug uit onder haar palm, en zijn staart
zwiepte van gelukzaligheid. Toen, omdat breed zijn rug was, zette Ariadne
zich op heen neêr. Langzaam schreed hij met haar voort,
415
buigzaam en krachtig zijn dijen en zijn pooten plomp en toch gluiperig zacht...
'De panther sloop met zijn voorzichtig-slappen tred...
enz.
Zoo is er op allerlei plekken in het boek nog wel eens
iets...
En, lezer, bij al dat 'afbreken' zijt ge misschien verwonderd
over nog zooveel goeds! Vergeet echter niet, dat wij zeiden, Dionyzos,
betrekkelijk gesproken, wel weer een mooi boek te hebben gevonden! In z'n geheel
vertoont het ook werkelijk een mooie fantasie - in tegenstelling met de leelijke
fantasie van enkele voorgaande werken; en een mooie fantasie te boek stellende,
komt men allicht tot mooiere dingen, dan een leelijke fantasie bot-vierende.
Er is werkelijk een mooie fantasie in deze reconstructie van
de Dionyzos-mythe.
En zooals wij die zien, nu, als we het geschrevene, dáár, in
letters, op bladzijden, heel ver van ons afzetten, en wij beschouwen, van uit
die verte, den inhoud van dit boek, zijn algemeen sentiment, zijn gang, zijn
mooie figuren en momenten - den edelnatuurlijken, goeden Ampelos; den weemoed
van Ariadne over de wankelheid der menschelijke gevoelens; het oogenblik van
smartwaanzin bij Gaia, de rampzalige moeder der Goden, - zóó, vaagmooi, zal
Couperus zijn boek hebben gezien, vóór hij het schrijven ging.
Hij ging het schrijven....
Naderde hij eerbiedig dien wonderen droom, voelde hij zich
klein, bijna niet váttende hoe 't zíjn droom was, en gaf hij een deel van zijn
leven weg aan de verwerkelijking - mijn God! de verwerkelijking, dat welhaast
onmogelijke - van dien ontzaglijken droom?
Neen. Hij had, daar in Februari te Rome zijnde, veel gevoeld
voor die Dionyzos- en Faunen- en Saterbeelden, en, in den trein, had hij dien
droom erover door zijn hoofd voelen gaan... een mooi idee voor een boek! een
prachtige donnée! een rijke donnée zelfs... en aardig ook, fijn, luchtig!...
maar tevens groot van gevoel!... en weelderig; hè ja, een mooi onderwerp! En,
thuisgekomen te Nice, kom, hij ging maar dadelijk - 't was begin Maart -
gauw-gauw aan het werk; de zinnetjes fiedelden en zwierden lustig over het
papier.... en dat diende wel, want over een week of wat moest
416
hij naar Venetië; koffertje pakken, een dagje in een salonrijtuig, ziezoo
Venetië, een hôtelkamer, Dionyzos uitgepakt, gauw-gauw aan het werk; lustig
zwierden en fiedelden over het papier de zinnetjes.... en dat diende wel, want
over een week of wat moest hij naar Cadore; koffertje pakken, pas op, Dionyzos
niet vergeten, een dagje in den trein, ziezoo, Cadore, een hôtelkamer, Dionyzos
uitgepakt, gauw-gauw aan het werk - o, zwierden lustig over het papier en
fiedelden de zinnetjes? - ja, over het papier, lustig, fiedelden ze en zwierden,
want in Juli, nadat hij daar in Februari te Rome die beelden had gezien, zette
hij te Cadore onder het voltooid manuscript: Nice, Venetië, Cadore, Maart-Juli
III, met een Romeinsch cijfer.
Dit was zoo zijn kleine coquetterie; een grootsch werk,
begrijpt u, waarover anderen tobben, niet waar, vier, vijf jaren, dat schreef
hij, de duizendkunstenaar Couperus, och, zoo eens in Nice, Venetië, Cadore, in
vier, vijf maanden....
Helaas, zoo schreef hij....
Maar was zijn droom werkelijkheid geworden, dáár zóó zijnde,
de schoone droom zèlf, in wonder-bare taal, in wonder-doenden stijl?
Helaas, de taal, de stijl, die hij schreef!....
Men noemt Couperus een taal-virtuoos en daarin
heeft men groot gelijk.
Maar men noemt Couperus wel eens een taal-virtuoos, om hem
als zoodanig te stellen, - een wimpelend vaantje van onafhankelijkheid tegenover
een moeilijk verduurde heerschappij - naast Van Deyssel, die immers óok zulk een
taal-virtuoos is.... en dan is 't om tureluursch te worden.
Want een virtuoos en een virtuoos, dat zijn er twee.
De grootste kunstenaars van alle tijden zijn, behalve een
heeleboel andere dingen, zieners, dichters, groote temperamenten - virtuozen
geweest.
Maar óók virtuozen zijn de ziel-leege kwasten, die zich, een
groote lenigheid van vingers of een groote vaardigheid van goochelen met
schitterende woorden en sierlijke zinnen verwierven.
417
Louis Couperus is lang niet altijd een ziel-leege kwast. Wij
lieten u ook uit dit boek enkele warm-mooie dingen van hem zien. Maar waren dat,
lezer, wel virtuozen-stukjes? Nee, dat waren stukjes zoo getrouw en goed
mogelijke gevoels-verwoording, eenvoudige pogingen tot iets werkelijk goeds, die
met virtuoziteit weinig te maken hadden.
Zoodra echter Couperus virtuooslijk gaat doen, dan is dat
goede en getrouwe vér heengevlucht voor een zwieren en cancaneeren en
draaien-in-'t-rond van zinnen en periodes, een glijen en spartelen van aaiende
en kietelende woorden, een coquetteeren met valsche rijm-juweelen aan zijn heen
en weer fladderende virtuozen-handen, en Sint-Vitusdans van stijl en taal,
huppelend en dravend op het leeg enthousiasme van een overprikkelde verbeelding.
Couperus en Van Deyssel!
Maar weet ge dan niet, wie Van Deyssel was?
Van Deyssel, - dat was de gééstdrift, dat was de gloed, de
heet-menschelijke gloed van bezielde vervoering, die het stralende Woord in
sterre-zwermen opjoeg in de lucht, een brand van walmenden hartstocht, waarin de
vurige vonken der woorden wervelden en stierven in de laaiende vlammen der
omhoog striemende zinnen...! Van Deyssel!
Couperus... en Van Deyssel! schei uit....
Couperus, als hij virtuoos is, wordt het type van een
virtuoos in den ongunstigen zin: brillant maar gevoelloos.
Rijk en vol verwonderende vondsten kan zijn taal zijn, maar
een eenvoudig fijn taal-gevoel héeft hij eigenlijk niet... als die
woorden-rijkdom er eens voor een keer - niet dikwijls - afkomt zonder scheeve
beelden en valsche klanken, dan is het heusch bij toeval! Van de door ons
geciteerde beschrijving van Ampelos, bij-voorbeeld, moesten wij weer den
aanvangszin weglaten, om den lezer niet al-dadelijk af te schrikken met zekere
'vlakte' die 'cirkelt' als een 'koepel'.
O die 'rijke' taal van Couperus! O, die 'heerlijkheden van
mooie taal', 'zooals Couperus alleen ze kan geven!' O, die schitterende,
verrukkelijke woorden van Couperus!
Ook in Dionyzos staat er één, liefhebbers, om van te
watertanden! Verbeeldt u wat Ariadne heeft! Ariadne, wier naaktheid
418
één zilveren glans is, wier glimlach een glorie, Ariadne met haar goudene haren
en roze borstpunten... ! Ariadne heeft... iets nieuws, iets... O! nee! - Ariadne
heeft... chrysoprazen
oogen! Hoe rijk! Hoe prachtig! chryzóprázen oogen! Hè! chry-so-praas!... 't is
als kleurig vruchten-ijs, dat woord, en wonder-zacht verbrijzelende borstplaat:
chry... ze kneust en vergruizelt, broos en exquis! chry-só.. het aroma stroomt
uit in den mond! práze... zálig en wijd vervloeit het en geurt langs het
gehemelte! O chrysopraze! O verbijsterende schoonheid!
Maar wat is dat feitelijk, 'chrysopraas', vraagt een
woord-gastronoom, die er het fijne van weten wil... Zullen we het even voor u
opzoeken in ons zak-encyclopedietje? Ziehier:
Chrysobériel; chrysoliet; chrysopras! m. goudgroene edelsteen
van niet veel waarde...
Het encyclopedietje, lezer, heeft gelijk. Dat soort
uiterlijke woorden-rijkdom is waardeloos, ja, is ergerlijke ijdelheid, waar het
innerlijke taalgevoel vaak zoo gebrekkig is, waar zelfs de eenvoudigste
zorgvuldigheid en eerbied, die de taal toch tenminste van den kunstenaar mag
eischen, zooveel te wenschen overlaten!
Dat dit zoo is, het blijkt op iedere bladzijde, die Couperus
schrijft. Er zou uit dit Dionyzos weer een lange lijst van grootere en
kleinere ongevoeldheden van taal, van beeld, van visie, zijn op te maken. Maar
het samenstellen zoogoed als het bestudeeren daarvan zou nogal vervelend worden,
en nogal nutteloos zijn. Hóezeer deze schrijver het fíjne taalgevoel mist, wij
kunnen het korter en duidelijker doen zien uit het soort van koorgezang, dat
door Babel dreint, en waarin Couperus zijn gebrek letterlijk heeft
uitgestald.
Herinnert men zich niet die kreunende, dreunende, steunende,
en suizende, ruischende, bruisende, druischende klacht van duizenden? Herinnert
men zich niet, hoe deze woorden in alle denkbare permutaties en combinaties door
elkaar werden geroerd tot ze onherkenbaar waren? hoe eerst die klacht 'kreunde,
suizende,' wat verder 'dreunde, ruischende,' dan weer 'steunde,
suizende' en nog weer 'ruischte, suizende'... als ware 'dreunen' met
'ruischen' vereenigbaar, of 'steunen' met 'suizen', en 'ruischen' en 'suizen'
hetzelfde, àl één pot nat? - want zóó ging dat rijmend en lijmend, deunend
gespuizende, het heele boek door!
419
Nu, Dionyzos begint alweer in zijn allereersten volzin met 'anemonen, die
openden haar slaapdronken kelken, en gretig (den dauw) drinken wilden met
bekertjes'... hadden ze die in de hand? of zijn het de kelken zelve? dan zijn
dat dus slaapdronken bekertjes... Die bekertjes hadden natuurlijk weg moeten
blijven, aangezien ze de visie verwarren van de slaapdronken bloemen die drinken
willen, zelve, en niet met behulp van iets, uit iets, dat... zijzelve
weer zijn!
We gaan nog enkele valsche vergelijkingen en beelden voorbij:
'bergen, wier rondingen schakelden op de parelgekleurde lucht, als een snoer
cameeën om blinkenden hals'... (de lucht is een hals, een háls, die weer ván die
camee-bergen de lucht in steekt?) en wij gaan langs Dionyzos' beenen, die -
griezelig genoeg - 'bloemesteelden,' om even stil te staan bij het zinnetje,
waarin de nymphen 'verzamelden rondom hem heen'... wat? niets! zij, verzamelden
zich... Couperus' taal is ook dikwijls slècht, gebroken, geen Hollandsch;
'herkenden hem een jongen god' voor 'herkenden in hem een jongen god,'
'doe of je ze niet let' voor 'doe of je niet op ze let,' 'verweigeren' voor
'weigeren' - zulke kleinigheden komen ieder oogenblik voor.
Nadat dan de nymphen 'verzameld' hebben, 'verslinden' ze
Dionyzos - 't is op bladz. 3 - met hun oogen.
We slaan een paar bladen om: en, op bladz. 6, vinden we:
'Om de kleine mondhoeken koraalden de lippen en de email-witte tanden parelden schel.'
Wat zijn 'kleine mondhoeken'? Wij dachten altijd, dat de hoekjes, waar de lippen, dik of dun, van een kleinen of van een grooten mond, aaneensluiten, bij den een of bij den ander nauwelijks verschillen, aangezien ze bijna het punt slechts zijn, waar de lijnen van onder- en bovenlip samenkomen. Maar bestonden ze al, de afwijkende mond-vormen, aan de hoeken uitkwabbend bij-voorbeeld als de muil van een hond, dan zou Dionyzos de eerste zijn om zulke 'groote' mondhoeken te bezitten! Immers, om de mondhoeken koraalden de lippen... die liepen dus rondom, en niet spits in den mondhoek toe? Wel neen, de schrijver zag een heel gewonen mond! Hij schreef alleen maar zoo gebrekkig, dat de lézer niet wist wat hij zag!
420
Doch dit alles is nog niet zoo fel-slecht als wat dan volgt
over Dionyzos' tanden, die, emailwit, schel parelden. Dat andere is alles wel
slordig geschreven, of foutief geschreven of rhetorisch, maar dit raakt
onmiddellijk het taal-gevoel zelf.
'en de emailwitte tanden parelden schel.
Het 'parelen' betrof natuurlijk, voor Couperus, den vorm, en 'schel' de kleur;
maar als men éens gezegd heeft, dat iets 'parelt', dat het dus - want aan een
snoer van parelen wordt gedacht - een zuiver rijtje is van ronde helderheden,
die glanzen, maar bovenal zacht
zijn van glans, dan kán men niet meer zeggen - ook al bedoelde men aanvankelijk
alleen den vorm - dan kán men niet meer zeggen, of men moet niets voelen bij wat
men zegt, dat het tegelijkertijd schel is. Wij gelooven, dat zeer
eenvoudige lieden niet in staat zouden zijn, uit te brengen: 'wat een
schelle tanden heeft hij toch! net parels !'
En toch hindert Couperus' weinig scherp-waarschuwend
taal-gevoel en slordig taal-gebruik ons niet zóózeer als zijn stijl.
Waar wij in 't eerste om zoo te zeggen een passieve
onechtheid gevoelen - want wat kan hij er aan doen, als het fijnste hem eenmaal
voorbijgaat? - een passieve onechtheid, alleen hatelijk wordend bij 't pralen
met diezelfde taal, die hij zoo juist bedierf, van den virtuoos, - daar doet het
andere, de stijl, zich voor als een actieve onechtheid.
Want niet anders dan welbewust kan een schrijver er toe
komen, den Hollandschen volzin zóó te verhanselen als Couperus telkens en
telkens doet.
Het is waar, hij doet dit terwille van het rhythme; en zijn
proza wordt er als 'zacht-harmonisch glijdend', ja als 'muziek' om geroemd....
Muziek! zacht-harmonisch-glijdende muziek! Wilt ge er eenige
proefjes van, zoo terloops onder 't lezen aangeschrapt:
'Zie, oude Silenos, waardige meester, zie hier hem, wiens blijde wijze ons lokte... hij Ampelos, die viooltjes ter eere mij duizenden in eenen nacht deed ontbloeien...
421
'Gelooft mij: dag van smart is niet deze.'
'Mijn bliksems breken op de schubben der vreeswekkende
monsters, die Gaia mij, boos, baarde, ze toekennende tegen ons tooverkracht,
waartegen geen onzer weet middel!
'Had ik mijn broer niet gezien, ik had Thezeus geleid! Nu, nu
gaf ik het kluwen hem! Ik had, bal, in mijn schoot, nog van liefde
trillende, het kluwen, en voedster moest den draad vademen uit.'
En ook reeds in de fragmenten, die wij u als overigens-mooi
gaven - er is
geen fragment af te schrijven, dat geheel in natuurlijk Hollandsch gesteld zou
zijn - werden soms op die wijze de woorden dooreen gewrongen tot zinnen, die
misschien muziek zijn, maar zeker geen echte muziek.
Want echt rhythme is nièt, dat gij de woorden, die u in de
gedachte loopen, zóó lang omzet en door elkander draait tot ze wel geen
Hollandschen volzin meer vormen, maar zich rijen in een soort van huppelenden
maatgang....
Echt rhythme is daar, wanneer de woorden die als wonderen
opbloeien uit uw ziel, zóo innig vervuld zijn van zingend gevoel, dat ze
vanzélve bloeien in de rythmisch-wiegende trossen en tuilen van uw
eigen goede schoone Hollandsch.
Want de eigen taal, lieve menschen die praat van Couperus'
'muziek', de eigen taal, die is innig verweven met uw diepste bestaan. Nooit kan
er uw hart iets ontwellen, dat anders zich vorm zou geven dan in de echte taal
van dat hart. In
die taal ligt de wezens-echtheid. Als gij aan die taal komt, dan komt gij dáár
aan. Als gij die taal muzikaal máákt met uw verstand en anders dan zij uit
zichzelve was, dan moet gij niet denken, dat een echt gevoel daar gewillig in
gebleven zal zijn. En beweert gij, dat het er werkelijk in gebleven is,
dan is uw gevoel wel zeer week en slap.
Zoo komt het, dat vaak Couperus' proza den gemengden indruk
maakt van valsch, onecht, of... flauw, verwijfd.
En juist zooals hij de woorden draait om zijn volzin
muzikaal te krijgen, zoo draait hij de volzinnen door elkaar, om tot
gedichten-in-proza zijn hoofdstukken op te schroeven.
Het gansche boek door, bij vleugen, is het een dooreen
gewentel van vragen naar den bekenden weg, en replieken, waarin de woorden
422
der vraag weer in bevestigenden of ontkennenden zin zijn geschoven, - tot een
twijfel ze weer wat anders schuift, een nieuwe vraag wat uitgebreider wordt,
waarop een nieuw antwoord wat uitgebreider ook in den bevestigenden of
ontkennenden zin zich wentelt... en zoo door, tot wee-wordens toe en doodelijke
verveling....
Met één voorbeeld, uit den reeds genoemden rei-dans der
Nereïden om Naxos en de slapende Ariadne, meenen wij wèl te kunnen volstaan:
'- Thetis...
- Demp nog meer uw stem...
- Thetis... is zij Afrodite...?
- Neen. .. !
- Ja, Thetis, zij is Afrodite... die sluimerde-in te Naxos...
en wat geeft zij om schippers van zwarte zeilen?
- Neen, zuster, zij is niet Afrodite.
- Zij is Afrodite, zij is Afrodite... Amfitrite, is zij niet
Afrodite?
- Neen, zuster, zij is niet Afrodite.
- Wie is zij...?
- Wie is zij dan?
- Wie is zij dan, zoo blank?'
Nadat de nymfen het nog een bladzijde lang over Ariadne
hebben gehad, beginnen ze weer:
'- Is zij dan niet Afrodite?
- Ja, zuster, zij is Afrodite!
- Neen, zuster, zij is het niet.
- Vorstelijke Amfitrite ... is nòg schooner de goudene
Afrodite?
- Ja, zuster, die is nóg schooner...
- Toch is de slaapster zóó schoon!
En aan het slot is er eene, die het nòg niet weet:
'- Helaas de heerlijke slaapster!
- Is zij dan niet Afrodite?
- Neen, zuster, dàt is zij niet!
- Helaas!'
- Is dit nu een proza-gedicht?
- Neen, lezer, dit is geen proza-gedicht!
- Ja, critici, het is een proza-gedicht!
423
- Neen, lezer, het is het niet.
- Wat is het?
- Wat is het dan?
- Wat is het dan, zoo prachtig ?
- Critici, is dan nòg prachtiger een proza-gedicht?
- Ja, lezer, dat is nòg prachtiger...
- Is dit dan niet een proza-gedicht?
- Neen, Couperus, dàt is het niet!
Het is... 't woord moet eruit, boerenbedrog, en een nare
Maeterlinck-parodie ook! Gij meendet zoo iets te geven van een muziekstuk met
motieven die weerkeeren enz., is 't niet? Maar zóó goedkoop dringt men tot de
fijn-verglijdende mysteriën der muziek niet door! Echte muziek is er in dit weeë
gewiebel niet één noot; echt gevoel, muziek geworden!
Neen, tegenover van Schendels natuurlijke muziek, echt gevoel in echt Hollandsch, maar, wijl schoon dit gevoel was en zóng, gëuit ook in schóón en zingend hollandsch - staat Couperus' kunst maar al te vaak als de ijdele muziek van wie liever bekoorde dan echt te zijn, niet begrijpende dàt hij bekoorde.... alleen waar hij echt was.
C. en M. Scharten-Antink.
(Slot volgt.)
(Uit: De Gids 70 (1906), I, p.389-423.)
Redactionele ingrepen:
-p.394:
veergeetboek> vergeetboek
-p.407:
alles wat Dionysos zegt > alles wat Dionyzos zegt
acteerenden Dionysos > acteerenden Dionyzos
-p.419:
'verslinden' ze Dionysos > 'verslinden' ze Dionyzos