Index Algemeen | Index Recensies

Rede gehouden tot den heer Louis Couperus, bij zijn jubileum op zaterdag 9 juni 1923 te 's Gravenhage door L. van Deyssel.

    Mijnheer Couperus,

    Het was voor mij een aangename tijding aangewezen te worden om heden tot U het woord te richten.
    Ik hoop dat de dag van heden later in uwe herinnering aanwezig zal zijn als een der gelukkige dagen in uw leven. Ik voor mij weet nu reeds dat ik hem tot een der gelukkigste in het mijne rekenen zal.
    Wij allen, die hier aanwezig zijn, - en, zoo als U ziet, zijn wij met ons zeer, zeer velen! - zijn hier heen gestuwd geworden door den drang om een der uitverkorenen onder het volk van Nederland, een van het zeer kleine aantal, waarvoor wij allen eene zeer bizondere bewondering en genegenheid hebben, van die gevoelens te doen blijken. En nu mag, ten overstaan van alle de hier samengekomenen, ik U dat zeggen, die wellicht degene ben, wiens gevoelens voor U en uw werk het verst in den tijd terug reiken.
    O, ik behoef - zoo als ten opzichte van een ander auteur allicht wèl het geval zoude zijn, - dezen middag niet te vreezen te spreken over dingen, die zij ter nauwer nood kennen, indien ik, tegenover uwe vele bewonderaars hier, die wel bijna zonder uitzondering jonger in jaren zijn dan U en ik, uwe aller-eerste werken ter sprake breng, die immers ook thands niet minder bekoorde en meêgesleepte lezers tellen dan een veertig jaar geleden.
    Dat ís iets. Dat is véel. Dat is reeds véel hulde waard.
    Maar ik ga nog verder terug dan uw eerste grootere alom beroemde boeken.
    Ik ga terug tot het jaar achttien honderd twee en tachtig en ik denk

2   
aan uw toen verschenen bundel gedichten. De bundel droeg een bloemennaam.
    Gij hebt wellicht niet juist gekend de waardeering door uw Amsterdamsche mede-jongeren van toen, door die Amsterdamsche groep, die met U medeleefde in overgegeven geestdrift voor de Nederlandsche Letteren, aan dien gedichtenbundel toegedragen. Klaar ik herinner mij, dat men er zulk een gevoelen over had, dat niet alleen menige gedachtenwisseling er aan was gewijd; maar dat men strophen en regels in zijn gedachten omdroeg; dat er niets verrassends in was, toen op een herfstavond te Amsterdam een vriend mijn vertrek betrad onder het stil voor zich zelf zeggen van woorden, waarmede hij zijn wandelingmijmering nog voort zette, van de woorden:
    'als donkere violen die verkwijnen' (eene vergelijking voor lijdende meisjesoogen). Dat waren woorden uit úw dichtbundel, mijnheer Couperus.
    Daarna zijn uw eerste groote proza-dichtwerken gekomen: Eline Vere, Noodlot en Extaze.
    Eline Vere, - het zoude in der daad moeilijk zijn te overdríjven bij het kiezen van termen, die den indruk wedergeven, welken uw Eline Vere bij hare verschijning in onze Letteren maakte, - het is trouwens de zelfde, als dien zij nimmer heeft opgehouden te maken tot op het huidige oogenblik. Zij is daarmede een uitgelezen voorbeeld van een der praerogatieven, die de kunst heeft op het leven. In oudere levende menschen kunnen wij dikwijls nog steeds waardeeren de hoedanigheden, die in hun jeugd ons troffen. Eline Vere nu heeft daar-bíj de jeugd zelve behouden, en die haar heden ten dage voor het eerst ontmoet, die ziet haar in hare jeugd en dien wordt de zelfde ontroering ten deel als dengenen, die kennis met haar maakten vóor meer dan dertig jaar.
    Eline Vere, - brachten wij alle de voornaamste gestalten, die de Nederlandsche Letterkunde der laatste veertig jaar ons schonk, ons voor den geest, hoe zéer weinige waren er dan, wier waarde de hare nabij kwam.
    Vinden wij die wel in de zoo gezegde realistische Letteren? En moeten wij, om iets aan te treffen, dat even hoog zoude gaan als Eline's schitterende menschelijkheid, die ik nu als éene gestalte zie met het kleurige kleed der kunst, waarin zij tot ons kwam, ons niet wenden tot de grootsche karakters van heldinnen- en godinnen-

3
figuren, die, op eene enkele uitzondering na, slechts voorkwamen in de schoonste letterkundige tijden van het verleden?
    Mijnheer Couperus, de meening is niet onjuist, dat er te midden der zoo vele en in zoo groote verscheidenheid door U ons geschonken werken gevonden worden waarin de kunstwaarde van Eline Vere nog wordt overtroffen. Ik verwijl het langst bij uw eerste groote werk, omdat gij zelf in al den rijkdom en met alle charmes van uw heerlijk kunstenaarskarakter met dat werk tot ons kwaamt en wij uwe latere werken steeds eenigszins hebben gezien als waren dat de reizen en pelgrimstochten door de schoone rijken en naar de stralende doelen van den menschengeest, van de menschenverbeelding, van den auteur van Eline Vere.
    Met de twee, op Eline Vere gevolgde boeken, Noodlot en Extaze, werd verder het jónge tijdperk uwer voortbrenging gevuld en afgesloten. Met drie zeer bizondere werken dus. Noodlot behelst karakterontleding, Extaze noteert een zeer zelden voorkomend lotgeval van menschenzielen, de eerste diep in de menschennatuur ingedrongen juist, het tweede hoog zich verheffend in den flonkerenden nacht van het menschelijk gevoelsleven en daar vindend door zeer weinigen geziene stralen van ver weg gelegen sterren.
    Na deze drie boeken, hebt gij ons de groote, de in een kort overzicht onoverzienbare menigte kunstwerken geschonken, waarvan ik slechts noeme Antiek Tourisme, De Berg van Licht en Dionusos.
    Het is wellicht in deze beide nu het laatst genoemde werken, dat de zon van uw kunstenaarsgave, die wij zoo schitterend zagen opgaan in uwe jeugd, in den middag van uw leven ons het warmst en langdurigst heeft toe-geschenen.
    Van de rijke levensgevoeligheid en het kleurige zien der werkelijkheid en der wereld in Eline Vere, heeft uw geest in den Berg van Licht zich verheven tot hoogere bewegingen. Het hoog gelegen geestesleven, waarvan in uw jeugdwerk Extaze stralen tot U waren doorgedrongen, dat zijt gij met die latere werken geheel binnen gegaan. De Extaze werd niet meer ontmoet als de gebeurtenis van een oogenblik, als eene schakeering van geestelijke gevoeligheid; maar werd een permanente, tot de dagelijksche constructie van uw steeds aanwezig geestesleven behoorende toestand. Daarom kondt gij in den Berg van Licht ons méésleepen in het leven van den jongen Romeinschen Keizer Heliogabalus, ons méésleepen in de heerlijkheden van dat feestleven, heuvel op heuvel af van vreugde en

4
roem en verrukking, nu de vonk der vreugde, nu de 'Freude, schöner Götterfunken' van Schiller en Beethoven, in U als een groot, vast, nimmer tanend vuur was gegroeid; welke zelfde verrukkingskracht ons in uw Dionusos een zoo langdurig zonder verflauwing op zoo groote hoogte van toon blijvend werk bracht als tot het Nederlandsche proza in de twintigste en negentiende eeuw er geen tweede behoort.
    Mijnheer Couperus, dat gij ook uít-muntend zijt door het groote aantal uwer werken vermeldde ik zoo even. Ook daarvoor heb ik U te danken op dezen, voor de Nederlandsche Letterkunde van den tegenwoordigen tijd grooten, dag, - voor de trouw, waarmede gij gedurende uw geheele leven uwe jeugd-idealen als de bepalers uwer tijdsbesteding hebt gehandhaafd.
    Door den rijkdom van uw geest, door het aantal en de groote verscheidenheid uwer werken hebt gij in Nederland en overal in het groote door de Nederlandsche taal bestreken gebied niet alleen; maar ook, door de ver-talingen, in de schoonste der Europeesche talen, een zeer uitgebreid aantal lezers gevonden in de landen, die Holland omgeven. En even veel lezers als gij U verwierft, even veel bewonderaars ontstonden er van de schoonheid, die het Holland van den tegenwoordigen tijd aan de wereld heeft te schenken.
    Dit, en uw karakter als mensch, de gratie uwer beweging door het leven, door de buitenlandsche werelden, de broederlijkheid, waarmede gij, naar uw vaderland gekomen, ook soms uw werkkamer, die dus zoo zeer ook uw schatkamer was, hebt verlaten, om uwe lezers in levenden lijve te ontmoeten, om hun vóor te lezen, zelf, iets van het vele schoone, dat uw gedachten, als gij afgezonderd waart - in de stilte en den aandacht, voor hen hadden gevonden, - alle deze uwe karakter-deelen samen doen u zijn de vertegenwoordiger bij uitnemendheid van de Hollandsche Letterkunde in de wereld.
    Ik eer daarom U als groot nederlandsch letterkundig kunstenaar van den tegenwoordigen tijd en in U eer ik de grootheid en de waarde der Hollandsche Letterkunde voor de wereld.
    Ik heb gezegd.

(Uit: Groot Nederland 21 (1923), II, p.1-4.)