Index Algemeen | Index Recensies | Deel II | Deel III
Louis Couperus I.
Ernst in het leven... o zalig, die 't weten!
Arbeid en roeping en edele strijd.
De eeuwigheid vraagt naar de vrucht van den tijd.
Dwazen, die 't werkloos, gedachtloos vergeten,
En pas te laat, aan het einde der baan,
D' ernst van het ijdele leven verstaan.
Zóó zong eenmaal onze beminnelijke dichter de Génestet, in
navolging van Longfellow's 'Psalm of Life', maar de minsten zijn tegenwoordig
genegen het hem na te zeggen. De groote schare der ontwikkelden ziet met Heine
in de wereld slechts den droom van een onverstandige Godheid, die de
onvoorzichtigheid heeft, al den dichterlijken onzin, dien zij droomend
aanschouwt, onmiddellijk in het leven te roepen.
Een doel schijnt men in de wereld niet meer te kunnen vinden,
en geen wonder, dat, bij gebrek aan doel, godsdienst en moraal schade moeten
lijden en de kunst, als bij terugslag, van eene veredelende bezigheid in ijdel
spel van woorden en klanken ontaardt. Gelukkig zijn er evenwel nog andere
mannen, evenzeer uitblinkende door geleerdheid als gevoel voor poëzie, die een
ernstige opvatting van kunst en letteren zijn toegedaan.
Wij, door Dr. Bronsveld uitgenoodigd tot het schrijven
37
van een studie over Couperus, hebben het voorrecht, zulke letterkundigen te
kennen. Onder dezen neemt Prof. J.H. Gunning een eervolle plaats in. Wij
beginnen één zijner schoonste bladzijden af te schrijven, genomen uit zijn boek
over Schiller:
'Men moet vreezen dat er, tegenover
de trage meerderheid die zich door veel lezen geen kwelling des geestes aandoet,
een niet onaanzienlijke minderheid is van hen, die in jagende nieuwsgierigheid
te veel lezen en geestelijk genieten, en dit genot met verminking van hun
geestelijk bestaan moeten bekoopen. Menschen, wier geest, naar een treurig ware
vergelijking van Arthur Schopenhauer, aan een schoolbord gelijk wordt, waarop
zoo veel is geschreven en weer uitgevlekt, dat men ten slotte alles onduidelijk
leest. Menschen, aan wie de verhevenste geestesprodukten slechts een aanleiding
tot amusement geven. Amusement te drinken uit hetgeen gedacht en geschapen werd
onder den schedel der dichteren, of van wie ook met hooge, heerlijke gedachten
de menschheid hebben verrijkt, dat werk van zoogenaamd fijne beschaving, -
inderdaad, wat is het beters dan een Longobardische maaltijd, waarbij men dronk
uit de schedels der helden van vorige geslachten?
'Neen, de litteratuur staat daartoe te hoog. Zij is, zij moet
ons zijn, een zaak van den diepsten ernst. Wij moeten onze auteurs kennen,
grondig hun leven, hun plaats in de historische ontwikkeling, hun bepaalde
beteekenis bestudeeren. Wij moeten elk hunner producten in verband stellen met
den geestelijken toestand, waaruit zij, blijkens hun levensgeschiedenis, zijn
voortgevloeid. Wij moeten, in één woord, in elk kunstwerk den mensch zoeken, den
mensch die kroon en verklaring der gansche schepping is.
'Dan alleen is de litteratuur een waardige oefening des
geestes, ook in tijden van zoo geweldigen ernst en zoo strakke spanning als
welke wij beleven. Dan zal ze ons niet een aardig rijpaard zijn, over 't welk de
blinkend geglaceerde hand met een badinetjen kwispelt, maar een strijdros dat
tot kloeke daden voert, of een Pegasus als hem Schiller beschrijft, uw geest tot
38
den reinen aether opheffende, hoog boven de
gemeenheid des dagelijkschen bestaans!'
Deze opvatting van kunst en letteren is edel, en onderschrijven wij ten
volle. Wij geven hiermee, als het ware onze kunst-belijdenis voorop stellende,
onwillekeurig reeds een protest tegen de werken van den te behandelen schrijver.
Couperus kunnen wij, in spijt van zijne groote gaven, niet rangschikken in die
groote rij van littératoren, over wier arbeid en leven ons volk zich verheugen
mag. Eigenlijk kunnen wij Couperus niet uitstaan, en spijt het ons, dat hij in
de Respublica Litterata tot zulk een hooge waardigheid geklommen is.
Van Deijssel beweert, dat de hoogste trap van critiseeren is: 'Schelden!, met
geestig nieuwe, levend gebeelde scheldwoorden, het schelden zóó, dat de
scheldbladzijde tot de zweepende geeseling der satyre, of tot een massief stuk
verontwaardigings- of toornproza wordt.'
Gaarne zouden wij zoo eens op Couperus willen schelden, en
willen zeggen, dat wij hem niet kunnen zien op zijn portret in 'Illuzie,' met
dat coquette fluweelen colbertje; dat wij de brillantine van
zijn snor en de lait d'Iris zijner pas geschoren wangen en de
rimmeltjes en de violette de Parme en de mille-fleurs
zijner satijnen zakdoekjes niet mogen rieken; dat wij walgen van de exsudaten
van zijn lymphatisch gestel; dat wij met een glimlach kijken naar de
agaten nagels zijner Madonna-Antinoüs handen; dat wij een weerzin
hebben tegen de gardenia's en gloxinia's in het knoopsgat van
zijn feestrok; dat wij ons onwel gevoelen aan zijn maaltijd van ortolanen
en chaufroids
van leeuweriken, van zijn mille feuille-taart en gâteau
Henri
IV, van zijn Cantemerle en Chambertin; dat wij ons benauwd
gevoelen op zijn divan, onder zijn aralia, in het licht van
bougies en kroonluchters, in het gezelschap van zijn dames du demi
39
monde; dat wij onze stem moeten voileeren om hen, niet te
agaceeren, door hem te taquineeren met al zijn vriendinnetjes, die
hun wulpsche hoofdjes getooid hebben met tiaras, aigrettes en
rivières en hun zondig hartje verscholen hebben in broché-satijn,
ja zelfs in vieux rose broché; met zijn tantes, die zitten te
minaudeeren en met zijn nichtjes, die zich décolleteeren, opdat
men ze kan lanceeren in de maatschappij, waar zij in morbide
fragiliteit
en intens sensitivisme cotillons en lanciers dansen.
Maar wij willen niet schelden, als van Deijssel.
Couperus is een groot schrijver! Had men in de
littérarische wereld met geen nobele gevoelens te maken, vreugdevuren zouden bij
zijne verschijning mogen aangestoken worden. Hij is een talent hors ligne.
Hij is de facile princeps van het heele leger der tegenwoordige
letterkundigen. Mag Hélène Swarth, als eene wel sentimenteele, maar toch zeer
dichterlijke Semiramis zitten op een koninginne-troon, Couperus is de
opperveldmaarschalk, die de eere van het land ophoudt, en voor wien de
geletterde troepen mogen défileeren, o, een lange stoet, een tweede Bataafsch
legioen: van Eeden en van Deijssel te paard voorop, als kolonel; van Nouhuijs en
van Hall te voet, als kaptein; en verder, als luitenant, sergeant, corporaal en
voetknechten, een groote schare: Van Logchem, Pol de Mont, Kloos, Gorter, Kalff,
Emants, Honingh, Koster, Lovendaal, Netscher, Penning, enz., terwijl nog eenige
schoonen als marketentster fungeeren.
Couperus is een groot schrijver. Hij is het leelijke jonge
eendje uit de fabel van Andersen, dat een zwaan bleek te zijn. Hij is de
Hollandsche Bourget. Terecht zijn zijn werken geroemd in bijna alle binnen- en
buitenlandsche tijdschriften en dagbladen, zelfs de Frankfurter Zeitung,
de Glasgow Review en de Indische Mercuur
40
hebben er notitie van genomen. De H.H. den Hertog en Martinet hebben reeds
studiën over den auteur geschreven. Zijn voornaamste werken worden reeds in
verschillende vreemde talen overgebracht. Louis, Marie, Anne Couperus, geboren
10 Juni 1863, dus thans ruim 30 jaren oud, mag zich in zekeren zin een soort van
Alexander gevoelen, die op denzelfden leeftijd zijn grootste veroveringen had
gemaakt. Micat inter omnes, hij blinkt uit onder allen!
Couperus is een groot schrijver en toch, - het spijt ons, die
zoo gaarne alleen de critiek der bewondering toepassen, - wij zijn het gevoelen
toegedaan, dat zijn fijn versneden pen gedoopt is in vergiftige vochten en zijn
roem voor een deel eene beleediging kan genoemd worden van de kunst.
Kunst. Wat is kunst?
Het is zeer moeielijk om hiervan een algemeen geldige,
afdoende bepaling te geven. Sla een handboek op over aesthetiek en ga na, wat de
mannen, die over kunst en schoonheid geschreven hebben, al voor bepalingen
hebben gegeven; zooveel hoofden als er zijn, zooveel definities hebben zij
geleverd. Plato, Plotinus, Baco en later Herder, Lessing, Winckelmann, Schiller
en Goethe, zij mogen het schoone noemen: de aanschouwing der eeuwige ideeën, de
emanatie van God in de verschijnselen, de navolging van God in de natuur of de
samensmelting van het reële en ideële, dit verhindert niet, dat na hen in den
jongsten tijd bijna alle geleerden gezegd hebben: 'Het schoone is voor geen
afgeronde bepaling vatbaar.' Lees Carriere, 'Die Kunst im Zusammenhange der
Culturentwickelung,' lees Vosmaer, 'Eene studie over de Kunst en het Schoone' en
'Amazone,' Van Vloten, 'Aesthetica,' Allard Pierson, 'Prolegomena' en 'Richting
en Leven,'' Beets, 'Een gesprek over Smaak,' Opzoomer
41
'De Waarheid en hare Kenbronnen'; - werk ten slotte de vijfentwintig deelen door
van Busken Huët, 'Litterarische Fantasieën en Kritieken,' en al de vergaderde
wijsheid komt hierop neer: 'De gustibus non est disputandum!' Het is
iets onbeschrijfelijks en onuitsprekelijks, waaraan men overeengekomen is den
naam van poëzie en kunst te geven. Algemeene omschrijvingen baten niets, het
zijn zaken van subjectieve waarde en beteekenis.
De kunst heeft alleen subjectieve waarde. Daarom zegt van
Eeden dan ook zeer juist in zijn stuk over Nieuw Engelsch Proza: 'De één wil
scherpe observatie, de ander fijne psychologie; nog één de werkelijkheid, door
een temperament gezien; nog één het geven van een massaal overzicht van het
moderne leven of van het oude leven, een soort bijdrage tot cultuurhistorie , en
weer anderen wenschen alleen niet verveeld te worden.' Daarom zegt dezelfde
schrijver dan ook verder in andere stukken: 'Mijn mooi is mijn mooi', of: 'Ik
ben rechter over mijn eigen kunst.' - Daarom zegt Allard Pierson ergens zeer
terecht: 'Kunst baart dan den grootsten wellust, als zij toont juist dien vorm
gegrepen te hebben, die, geheel onwillekeurig, een gevoel van bevrediging
geeft.' - Nu volgt hieruit onmiddellijk, dat kunst en schoonheid voor iedereen
een ander karakter dragen, daar bevrediging afhangt van behoefte en de behoefte
bij allen verschilt. Deze subjectieve, persoonlijke beteekenis van de kunst
krijgt echter in zoover objectieve waarde, als dezelfde behoefte gedeeld wordt
door honderden en duizenden, die dezelfde voldoening van de kunst begeeren.
De behoefte en begeerte hangt bij ieder mensch nauw samen met
zijn geloof en ongeloof. Wie niet gelooft, met Heine de wereld en zichzelf voor
'zwecklos' verklaart, op sceptisch standpunt lacht met allen godsdienst en aan
zedelijkheid slechts een relatieve waarde toekent, ver-
42
langt niet getroost te worden met den hemel, met gerechtigheid en eeuwig leven;
zulk een bepaalt zich bij de aarde en wenscht van de kunst, door taalklank voor
zijn oor en schoone fantasieën voor zijn verbeelding, onmiddellijk te genieten,
zonder te vragen, gelijk Huët zegt: 'of er iets van St. Anna onder loopt.'' - De
hoofdrichting der tegenwoordige letterkundigen staat op dit standpunt. Men heeft
gebroken met alle positief geloof; men gebruikt den Bijbel, zoowel als Homerus
en Hesiodus, de Veda's en den Koran, als boeken vol mythologische verhalen, die
slechts dienst kunnen doen als symbolen der kunst. Men isoleert de kunst
derhalve volstrekt van religie en moraal; men kent geen andere realiteit dan die
van sensatie en impressie; men tracht deze hoogste realiteit in woorden en
kleuren en klanken te verwezenlijken en handhaaft derhalve op verschillend
kunstgebied, bij belletrie, schilderkunst en muziek, het groote beginsel van het
impressionalisme. Op dit standpunt staat Couperus. Het is hem om niets dan
schoonheid te doen.
Wie wèl gelooft, heeft andere behoeften en begeerten, ook op
het gebied der kunst, dan de scepticus en atheïst. Hij voelt zich bij de
litteratuur, door deze laatsten geproduceerd en als arbeid van den eersten rang
aangeprezen, niet bevredigd. Hij ziet, hij hoort, hij voelt, hij denkt geheel
anders. Zijn verbeelding mag genieten van hunne dichterlijke visioenen en zijn
oor van hunne schoone taalgeluiden en zijn verstand van hunne ingewikkelde
concepties, maar toch voelt hij zich onvoldaan. Zijn ziel huivert van hun
pessimisme en noodlotsleer, van hun spot en spel met al wat vroom en heilig is,
van hun toegefelijkheid voor het kwaad en hun verzoend zijn met de zonde. Hij
zegt: 'Wat baat het, zoo de verbeelding wordt bevredigd, maar het hart blijft
hongeren,
43
zoo het oor wordt gestreeld, maar de wil wordt verbrijzeld?' Hij heeft een
andere 'mooi'-begeerte, om een modewoord te gebruiken; hij voelt zich het meest
voldaan, als de taal zuiver is, de gedachte klaar en logisch, de inspiratie
nieuw en frisch, maar tevens, als verder het godsdienstig gevoel wordt verheven
of althans niet beleedigd, zijne hoogere aspiratiën worden bevredigd, of althans
niet onderdrukt, zijn wil wordt gereinigd of althans niet verlamd, als de kunst
is de troosteres, die hem spreekt, in reinen vorm, van levenslust, liefde en
eeuwige idealen. Op dit standpunt staan wij, en dit niet alleen met predikanten,
die nu eenmaal gecenseerd zijn, krachtens hun ambt, alles te moeten
veroordeelen, wat godsdienst en zedelijkheid niet bevordert, maar met de
grootste kunstenaars, die onder de menschen zijn opgetreden, met een Aeschylus
en Sophocles, met een Virgilius en Dante, met een Michel Angelo en Rubens, met
een Milton en Longfellow, en, om ons ten slotte bij ons land te bepalen, met een
Da Costa en Beets, met een Alberdingh Thijm en Schaepman, met een ten Kate en de
Génestet. Zij allen hebben de leuze hooggehouden:
'In schoonheid zal het heilige overwinnen!'
Naar deze opvatting der kunst hopen wij, met grooten ernst,
de werken van Couperus aan onze critiek te onderwerpen.
Couperus is een groot schrijver. Hij vertegenwoordigt bovenal
wat men den geest des tijds noemt. Als redacteur van den Gids is zijn invloed
verreikend, zijn boeken komen onder de oogen van duizenden. Hij is bizonder
actueel, hij behandelt de voornaamste geestesverschijnselen van onzen tijd:
'fatalisme, hypnotisme, socialisme, anarchisme, mystiek en herediteit.' Een
geleerde is hij niet bepaald te noemen, een wetenschappelijke opleiding heeft
hij niet gehad geen gymnasium
44
of academie heeft hij bezocht, slechts de H.B.S. heeft hij afgeloopen, en
ambteloos woont hij beurtelings in Hilversum of 's Gravenhage. Busken Huët, (men
vergeve het ons, dat de naam van dien meester zoo dikwijls terugkomt in deze
litterarische studie) zou mogelijk van hem gezegd hebben, wat hij zeide van
Potgieter en Multatuli, 'dat zijn kennis nauwelijks de grenzen van het meer
uitgebreid lager onderwijs te boven gaat.' Maar mag Couperus geen geleerde
wezen, hij heeft onder de leiding van Prof. Dr. Jan ten Brink veel kennis
opgedaan. Hij hanteert gemakkelijk zijn nieuwe talen. Was het Fransch hem wat
stroever afgegaan, zijn Hollandsch zou er niet minder om geworden zijn. Zelfs
schijnt hij vloeiend Italiaansch te lezen en citeert dan ook, met loffelijke
bescheidenheid, zonder vertaling, zinnen als: 'Memorie della vita di
Francesco Petrarca nella opere sue latine enz.' Hij is op de hoogte van
alle mogelijke klassieke en moderne littératuur. Shakespeare, Emerson, Spencer,
Pierre Loti, Hamerling, Ibsen, Multatuli en Vosmaer zijn zijn lievelings-auteurs
en lijfpoëten. Hij is op de hoogte van muziek. Bellini, Donizetti, Verdi,
Schumann, Massenet spelen hem telkens door het hoofd, met hun fuga's, aria's en
symphonieën. Hij heeft gedaan aan oeconomie , sculptuur en heraldiek. De
voornaamste glyptotheken en pinacotheken van Europa stoffeeren zijn geest met de
kennis van veel schilderijen en beeldhouwwerken. Verder weten wij niet, of de
auteur een bizondere studie heeft gemaakt van planten-, bouw- en aardkunde, maar
dit is zeker, dat hij althans op elk gebied een groote opmerkingsgave bezit.
Heeft hij bloemen noodig om zijne denkbeeldige tuinen of serre's te sieren, hij
strooit met oleanders, eucalyptussen, magnolia's, anemonen, narcissen en irissen
als een botanicus. heeft hij behoefte aan verschillende stijl-motieven ter
opluiste-
45
ring van zijn gefingeerde kathedralen en paleizen, hij ontwerpt teekeningen in
style moresque, renaissance, gothiek, style Louis XIV, Louis XV en rococo, als
een architect. Wil hij plannen ontwerpen voor mozaïekvloeren, vorstenkronen of
priestergewaden, dan beschikt hij over de kennis van opaal, jaspis, saffier,
chalcedon, smaragd, topaas, chrysopraas, ja zelfs van rosso antico,
verdo antico en lapis lazuli, spreekt zelfs van het oude zwart,
dat men paraone noemt en geeft, als een echt kenner, aan al deze
edelsteenen hun respectievelijke kleuren, schitterend en dof, blauw, geel,
groen, in honderd nuanceeringen. Couperus heeft veel gereisd, kent Parijs,
Berlijn, Londen, Athene en vlecht door zijne visioenen de witte sneeuwgezichten
van het Noorden en de ultramarijne vista's van het Zuiden. Couperus is een man
van opvoeding, kent de wereld met hare concerten en opera's, in één woord, de
schrijver is een intéressant, veelzijdig ontwikkeld man.
Deze schrijver is de schepper van dichtwerken en romans,
waarvan de titels achtereenvolgens luiden: 'Reis-Impressies; Een Lent van
Vaerzen; Orchideëen; Williswinde; Eline Vere; Noodlot; Extaze; Epiloog; Illuzie;
Een Zieltje; Kleine Raadsels, Een Verlangen; Majesteit en Wereldvrede,' allen te
zamen een wereld van poëzie, een creatie van fijn-gesponnen gedachten-weefsels ,
een oäse in de woestijn onzer hedendaagsche letteren, en, om voorloopig slechts
één oordeel te vellen: in deze gansche litteratuur-schepping blinken als twee
meesterwerken uit: 'Eline Vere' en 'Majesteit.' Willen we een beeld gebruiken, -
'Eline Vere' is een schoon geslepen diamant en van het afslijpsel zijn de
parures der kleinere romans gemaakt, terwijl 'Majesteit' een ster is, een ster
met een staart, en de staart heet 'Wereldvrede'.
De opgesomde boeken zijn in andere volgorde uitge-
46
komen, dan die, waarin zij hierboven opgegeven zijn. De genomen opeenvolging
geeft echter gelegenheid, om, aan de hand van de 'Reis-Impressies,' Couperus als
karakter, en aan de hand van de verdere werken hem als dichter en prozaïst te
keren kennen.
Couperus als karakter!
Couperus heeft de groote gave van den romanschrijver, om
volkomen objectief te kunnen zijn, Gelijk Homerus zich heeft weten schuil te
houden achter de groote coulissen van Ilias en Odyssee, zoodat men, tot den
huidigen dag toe, zijn geboorteplaats noch levens-omstandigheden heeft kunnen
ontdekken, houdt Couperus zich kunstig verborgen achter het scherm, waarop hij
de Chineesche schimmen zijner verbeelding zich laat bewegen. Alleen de
'Reis-Impressies' geven gelegenheid tot eene persoonlijke kennismaking, Staan
deze schetsen, als bladzijden van een vlug op papier geworpen reisjournaal,
betrekkelijk laag als littératuur, is de stijl overhaast en onnauwkeurig, is de
inhoud zonder samenhang, is het geheel een geniale verwarring van indrukken, die
in waarde ver staan beneden de geordende reisherinneringen bijv. van Huët, in
zijn 'Reis van Napels naar Amsterdam', waarin men zoowel den artist als den
geleerde moet bewonderen, - wij leeren uit deze indrukken, ingénu uit
de pen gevloten, beter dan ergens elders Couperus zelf als persoon kennen. Wij
zien hem reizen en trekken van Rome naar Napels, van Napels naar Corfu, van
Corfu naar Athene, van Athene naar Florence; wij zien hem stil staan bij de
Venus van het Capitool, bij den Apollo van Belvédère, bij de meesterstukken van
Giotto, Cimabue, Perugino, Fra Angelico, Raphaël, Michel Angelo, Correggio,
Titiaan, Da Vinci, Tintoretto en Veronese; wij zien hem in de musea van het
Vaticaan, in de Sixtynsche kapel, in den St. Pieter, en hij heeft voor alles
47
oog, zoowel voor de harmonieuse marmerlijnen van een Praxiteles en Phidias, als
voor de ongekunstelde gebaren van jongens, 'peuterend in hun neus, met billen
door de broek', zoowel voor idéalisme als réalisme, voor oudheid en modern
leven, voor historie en natuur. Wij leeren hem kennen als iemand in den bloei
des levens, zich zijn kracht bewust, schoonheid vergaderend, gelijk de landman
zijn oogst vergadert, aan de hand van Baedeker en Hawthorne, zijne verbeelding
retrospectieve gradenbogen latende beschrijven door den grooten tempel der
geschiedenis, om vergelijkingen te maken en schoonheids-sensaties te
ondervinden. Wij leeren hem kennen als iemand, die in het genieten zijn jonge
jaren goed wil besteden, die vlug werkt en slechts een rustig oogenblik in een
hôtel noodig heeft, om zijn enthousiasme in zulke woorden uit te drukken, dat
zij met bewondering door een ontwikkeld publiek mogen gelezen worden; als
iemand, die opwellingen heeft van ambitieuse zelfbewustheid, als hij daar staat,
hoog boven Rome, hoog boven de wereld, op de koepels van den St. Pieter en dan
de gedachte schoon vindt, de aarde te willen veroveren. Ja, hij begint zich in
deze periode zijns levens geducht te voelen en schrijft met lachende
zelfgenoegzaamheid aan de Hollandsche natie, zonder eenig vermoeden er ooit mee
bespot te zullen worden 'dat onlangs zijn meester, Prof. Dr. Jan ten Brink,
heeft gezegd, dat hij als kind wel den sleep had kunnen dragen van een
Venetiaansche Dogarezza, en, in een Boedhistische bevlieging, vindt hij het nog
zoo dwaas niet, in een vóórbestaan page geweest te zijn aan het hof van Lorenzo
il Magnifico, in het Palazzo Riccardi te Florence. Wij leeren hem kennen als
iemand, die verslonden wordt van de passie voor het schoone. In een noot
verklaart hij, naar aanleiding vau eene beschouwing over den Apoxuomenos,
48
liever foutieve opvattingen te, huldigen dan ware, als ze maar mooi zijn. Hij
aanbidt de Aphrodite en den Antinoüs, de een om de oogen, vol goddelijke
lieftalligheid, en den ander om de oogen, vol vragen aan het leven. Met den
Prediker raadt hij: 'Eet uw brood met vreugde en drink uw wijn van goeder hart
en laten uw kleederen ten allen tijde wit zijn'; met Montaigne zucht hij: 'Que
sais-je ?' en met Heine lacht hij om degenen die trachten op te lossen:
'Das Räthsel des Lebens,
Das qualvol uralte Räthsel.'
Als hij in schoonheids-verrukking de schilderij 'Het laatste
oordeel' van Angelico beschrijft, ontsnapt hem de zucht: 'Het is alles
geschilderd zóó heilig teeder, dat men er aan zou willen gelooven.' Maar zulke
woorden zijn niet meer dan een phrase. Couperus is de man van het lachende,
mondaine leven. Hij verheerlijkt de décadence
en laat zich in de thermen van Caracalla deze tirade ontvallen: 'Misschien
treffen ons, latelingen van deze eeuw, de ruïnes dezer baden zoozeer, omdat wij
er in loopen met een glimlach, die begrijpt het luxe-leven van die baders en
wij, medelijdend met ons zelve, zeggen, dat onze décadence toch grandeur mist,
omdat in onze wereld zulke thermen niet meer te vinden zijn, omdat onze
eind-eeuwschheid, in deze thermen geanalyseerd, slap wordt en zeurig, voor een
goedkoopje en vervelend en mesquin.' Hij is een decadent, maar een, die in zijn
levensmoeheid toch de kracht in zich gevoelt, het bezoedelde leven om te zetten
in artistieke tableaux; een, - en dit is leelijk, - die een kunstenaars-genoegen
vindt in het ontleden van de ziekelijke toestanden onzer maatschappij. O, hoe
kan een mensch zich zoo verraden! - die Sonne bringt es an den Tag! -
hij verhaalt ons, hoe hij te Florence gehuisvest is bij een
49
Zwitsersche dame van 72 jaar, die hem bederft en 'die het misschien niet zou
doen, zoo zij wist, dat hij 'Noodlot' had geschreven en ter analyse gaarne iets
nerveus´ en morbide's zoekt.' Hoe kan iemand zóó zijn eigen vonnis
nederschrijven? Ja, Couperus is de artist van het ziekelijke en abnormale, maar
artist is hij bij uitnemendheid. Hij spreekt telkens van gebeeldhouwde
impressies en zij zijn bij dozijnen aan te toonen, die stukjes proza, uitgewerkt
als marmer en gebeiteld als met meesterhand, Buitengewoon schoon is de
beschrijving van het Parthenon:
(Gids, Mei 1894, Pag. 266)
'En wat er nog staat van den heiligen bouw na al zijne profanatie's - na een kruithuis geweest te zijn en een moskee en een Byzantijnsche kerk -, wat er nog staat, is, tot de hooge vreugde der eeuwen, nog eene volmaaktheid, nog eene harmonie van zingende lijnen, een eeuwig choor van zuilen, dat vibreert in den reinen, doorglanzenden ether, of in de oranje zonnedalingen, die aangloeien van Salamis af over den onmetelijken boog van den hemel. Nooit nog trof mij zooveel emotie voor marmer: zooveel vreugde om marmer, dat oprijst, en zooveel weemoed om marmer, dat neêrligt. Want is het niet om te weenen als men ze lang uit, in de onderdeelen hunner schachten, als marmeren reuzenkolommen, neêrgespreid ziet liggen door de zorg der menschen, als doode zuilen, als zuilen zonder ziel? Dan streelt de hand over hunne gefluteerde gleuven of over hun Dorisch kapiteel, dat eens zoo hoog was en neêrgedonderd ligt, dood. Dan wil verbindende gedachte en verbeelding ze weêr heffen, waar ze stonden, ze weer zingen doen hunne lijnen, met de andere meê. Dan treft de menschelijkheid van die harmonische reuzen, die steunen, of reeds bezweken, het meest, en dan is vooral de weemoed overstelpend, als men er al de gouden onkruidbloemen haar welig getier ziet tusschendringen, als men er de witte en gele en gloeiend gekleurde kapellen over heen ziet fladderen met het broze getril der wei-
50
felende wieltjes, omdat die bloemen en die kapellen
- die liefde van één dag - zoo vreemd in onderscheid is met dat marmer, dat,
zelfs in den dood, eeuwig is: een zoo wijde afstand tusschen die beiden,
kapellen en zuilen, of het geheele leven er tusschen ligt.'
Het talent, dat wij in zijn veelzijdigheid en het karakter,
dat wij in zijne samengesteldheid leerden kennen, heeft dan vooreerst zijne
dichterlijke aspiratiën neergelegd in drie bundels: 'Een Lent van Vaerzen,
Orchideeën en Williswinde.' De eerste bundel is in vele opzichten het werk van
een beginner, die zijn genre nog moet zoeken, do tweede meer de vrucht van den
zich zelf bewust geworden taal-artist, en de derde een verzameling van reeds
vroeger gemaakte verzen der jeugd, die alleen waarde hebben door den
tegenwoordigen roem van den auteur.
Couperus als dichter!
In een 'Lent van Vaerzen' imiteert Couperus nu eens Heine,
dan Hooft. Geestig daemonisch is het volgende versje: 'Nachtbloesems.'
'In dons van wolkjens glijdt ginds
De zilveren sikkel der maan....
Die schijnt een gondel, een bootjen,
Dat vaart op de blauwende baan.
De wolkjens schijnen de golven,
Witgekuifd, met luchtende tint,
En de starren zijn zoo schoone leliën,
Als niemand op aarde vindt.Was die gondel mijn levensbootjen,
Ik nam je, mijn lieve, er in meê,
En wij zwierven daar hoog in den hooge,
Alleen op de onmeetlijke zee.
51
En had ik genoeg van je zoentjes,
Genoeg woordjens van liefde gehoord,
Ik nam je, één, twee, drie, in mijn armen,
En...... gooide je over boord.'
Het is, alsof we Heine hooren, als hij zingt, ééns voor duizendmaal:
'Vergiftet sind meine Lieder -
Wie könnt' es anders sein?
Ich trage im Herzen viel Schlangen
Und dich, Geliebte mein.'
Een andermaal zingt Couperus:
'Wilt gij hooren, wilt gij hooren,
Hoe ze mij zóó kon bekoren,
Dat mijn zielrust wierd verstoord,
Luistert van wat schoons ze gloort!
Heure zachte, zijden hairen,
Blond als blonde korenairen,
Zijn gelijk een zonnelicht
Om heur lelieblank gezicht.
Zij gelijken kupidootjens,
0, zoo stoute minnegoodjens,
Zwevende om het schoone kind
Op den licht-gewiekten wind.
Hoe zij stoeyen, dartlen, kruipen,
Over 't sneeuwen halsjen sluipen!
Een dringt zelfs in 't open keurs,
Als bezwijmd bij zóó veel geurs.
Lichtmis! in heur rozige oortjens
Lispt een âer zijn minnewoordjens,
Fluistert er van minnepijn:
Hoe zij 't hart aan 't folen zijn!
Rozenschellepjens, zoo fijntjes,
Wonder-cierlijk, wonder-kleintjes!
52
Hoort niet, hoort niet langer aan!
't Mocht u dra berouwen gaan!
Blauwe, niet te peilen meirtjens,
Zonnelachjens, booze weêrtjens,
Starrenpaar van eêl saffier,
Fonklend van een mystiesch vier,
Schuchtere vergeet-mij-nietjens,
Korenbloemkens, poëzietjens,
Elvendroompjens, hemelsblauw,
Kelken vol van paereldauw,
Als er waterlanders vlieten,
Wijl de pijlen, die ze schieten,
Gulden stralen, lang en fijn,
Meeldraên dezer bloemen zijn;
Geharceerde wenkbrauwboogjens
Overhuiven beî deze oogjens
Met een vage schemering,
Vol gedweep en mijmering.
En als moê de leedjens zinken,
De oogjens niet meer stralend blinken,
Schijnt het, dat ze zijn verdord,
En hun, ai, wat dauwe schort. enz.
Dit gedicht mag terecht 'een conterfeitsel' worden genoemd, want men kan het waarlijk, zelfs met kenners-oogen, bijna niet onderscheiden van het bekende versje, dat Hooft eenmaal gezongen heeft op Suzanna v. Baerle : (Th. Jorissen, 'Hist. en Litt. Stud.' pag. 371).
Zuiver hebbelijke handjes,
Zinnediefjes, stookebrandjes,....
Lodderlijke lieve lipjes:
Tandetjes, albaste klipjes,.... enz.
In 'Orchideeën' vindt men minder navolging. De dichter heeft zijn eigen weg gevonden. De studie van Petrarca en de Renaissance mag hem influënceeren ten opzichte van den sonnetten-vorm der meeste ge-
53
dichten en den weelderigen taal-bloei der canzonen, - hij is zichzelf, en zijn
faculté maîtresse is de taal te hanteeren met onbeschrijfelijke handigheid en de
welluidendste klankharmonieën te doen geboren worden. Van al zijn lofzangen aan
'Laura, Odalisken, Eroos en Psyche, Sardanapalus, Maïma, Aphrodite, Nemea,
Chloë, Acrasia, enz., geeft niet één gedicht een beter denkbeeld van zijn
talent, dan het vers door zijn leermeester Prof. ten Brink aangehaald in zijn
'Geschiedenis der Noord-Ned. Letteren in de XIXe
eeuw', deel III, pag. 382: 'de Bacchante':
'Terneêrgestort op rossig-gouden
pantherhuid,
Verward in wingerdranken, die heur borst omkruiven,
Parst, half bezwijmd, een tros van donzig-blauwe druiven,
Zij in heur gouden nap met loome vingren uit.
De koopren cymbels slaan bij 't pijpen op de fluit,
Een zwerm komt zwierensdronken 't stille woud doorstuiven,
Maar thursos moog' bij thursos wenkend toe haar wuiven,
Ze ontwaakt niet uit heur zwijmel, die haar de oogen sluit...
In verre veert versterft de jubel der Bacchanten....
De maan speelt in 't gebeeldhouwd loover der akanthen
En schemert langs heur bronzen heup , die hoog zich rondt.
Terwijl op heuvlen des verschiets, in zilverglanzen,
De zwerm der zustren zwiert in orgiastiesch dansen:
Een dollen schimmenschaar op bleeken horizont.'
En voorts het gedicht, met groote bewondering opgenomen door
Mr. J. N. van Hall in zijne 'Dichters van dezen tijd': 'Maar 't allerzoetst...':
Mijn kunst is als een fijn-geslepen kelk
Van klaar krystal, waarin een purpren wijn
Als vol robijnen fonkelt.... Zie, wanneer
Mijn lippen, laafziek, licht den rand van 't glas
Beroeren, koost de smaak mij als een kus....
54
Nog zoeter dan zijn smaak is mij de aroom
Des wijns, wen ze, als de geur dier roode bloem,
Aan 't glas ontwelt, en mij bezwijmlen wil....
Maar 't allerzoetst is mij die beker, zoo
Daar, siddrend, drupplen lichts in trillen.... Dan
Beroer ik niet mijn glas, en staar het toe,
En smacht het tegen, en geniet, geniet
Meer in mijn wenschen, dan voldoening 't nooit
Verlangensmoê gemoed ooit geven zou....
Zoo is mijn kunst, wanneer ik, zwakke, schep,
Een ander in zijn schepping nageniet,
Of, scheppingloos, in onmacht me vermijmer....'
Maar de gedichten voldoen over het geheel niet, en blijven
verre beneden die van Hélène Swarth. - De poëzie van Couperus mist inspiratie;
het is hem blijkbaar nooit te doen geweest, een sterke passie des gemoeds over
te brengen in beeldrijke woorden. Met fijn taalgevoel en sterke visie der te
schilderen tooneelen heeft hij, in zeldzaam welluidende woorden, zorgvuldig
beeldend, teekenend, etsend, zijn dichterlijke gezichten weergegeven. Het is
alles klankrijk, keurig, artistiek, maar zonder gemoed en gekunsteld.
Het verstandelijke dezer poëzie blijkt ook uit het gebruik
van verouderde of althans zeer onbekende gezegden en woorden. Als Gautier
schijnt hij een Hollandschen lexicon van buiten geleerd te hebben, en uit zijn
repertoire van Vondeliaansche en Hooftiaansche rijmwoorden répristineert hij de
merkwaardigste. Aphrodite zij een godin of een gewoon bekoorlijk aardsch
schepsel, maar wie kan zich voorstellen, dat zij ooit zou willen zitten achter
draperieën, die heur pureren tulp
plooien van zuil tot zuil, onder het wulfsel eener façade met een
griffioen, bij een schemelend licht, terwijl de zon deist
en de nevel neerdaalt op den wegel in het
55
veld, langs een stroom met emerauden spiegel, - om in den
schemelschijn
van den avond, bij de geur van ontploken gardenia's in een vaas van
chrysopraas, de lokken kruivend, de fulpig omwimperde
schelen achter een purperen dwaal en de leliën-boezem dubbel
geroosd, een Sardanapalus te moet te wieken, - een
aterling in een samaar, - en daarna, luisterend naar het lied van
een zinger of vinder, nectar te nippen, terwijl
eunuchen struisveêrbossen en amforen zwaaien. Wie zou zich
ooit zoo iets kunnen voorstellen?
O, wij voelen door deze parodie, die wij tot een nieuwe mythe
van een Aphrodite en een Sardanapalus, in uitgezochte Couperus-taal, zouden
kunnen uitbreiden, dat wij, in gedichten met dergelijk vocabulaire, met
knutsel-werk te doen hebben. Het spontane, anders de speciale gave van den
schrijver, ontbreekt volkomen, Wij worden door deze gedichten niet verplaatst
'in die selige Geheimwelt, jene grosze Offenbarung, die wir nennen Poësie.'
De derde bundel, 'Williswinde', geeft meer dan de titel
belooft. Behalve dit gedicht, krijgen we nog zangen op 'Viviane', 'Ginevra' en
'Semiramis.' Deze gedichten zijn feitelijk van vroegeren oorsprong dan die, in
de verzameling der 'Orchideeën' opgenomen, doch eerst onlangs tot een nieuw
klein boekdeel vereenigd. Men vindt in deze poëzie reeds den toekomstigen
taalcolorist, maar de gedichten, allen rijmloos en zonder passie of gemoed
geschreven, laten nog meer onvoldaan, dan de vroeger besprokene. Opmerking
verdient evenwel het feit, dat Couperus, anders de scepticus en frivole artist,
in de dagen zijner jonkheid ook oogenblikken heeft gehad van bewondering voor
schoone bladzijden van den Bijbel. Wij vinden in dezen laatsten bundel eenige
'Fragmenten uit Johannes´ Apocalyps', in metrische verzen welluidend
weergegeven:
56
''Het Lam, dat offer was,
'is waardig, macht en weelde, wijsheid, kracht
en eere en roem en lof te ontvangen!'
En
wat schepsel was in hemel en op aard,
en onder aard, op zee en onder zee,
hoorde ik er juichen:
'Lof en roem en eere
en kracht aan Die ten troon gezeten is,
aan 't Offerlam, der Eeuwen Eeuwigheid!'
Het viertal dieren zeide er: 'Amen!'
De Ouden
verzonken knielend neer en baden aan....'
Couperus als Prozaïst.
In 'Orchideeën' vinden wij naast de beoordeelde gedichten de
eerste en, naar wij meenen, de vroegste prozastukken van den schrijver. Reeds
onmiddellijk laat hij hier zich kennen als een geoefend stylist in: 'Het huis
bij den Dom' en in: 'Een middag bij Vespaziano.' Wij vinden hier reeds
verrukkelijke bladzijden en bewonderenswaardige zinnen. Als proeve diene het
volgende, ('Orchideeën'; Pag: 62,) waar het studeervertrek van Petrarca
beschreven wordt:
'Dit studeervertrek was eene ruime zaal, die met eene deur en twee boogramen toegang en uitzicht naar buiten gaf. Een park strekte zich daar uit, zoo ruim, dat het gewoel der straten den rustverlangenden denker nimmer hinderen zoû. Groepen van laurier- en olijfboomen overschaduwden er dichte en hoog-opgewassen myrten-, oranje- en jasmijnenboschjens, die bij iederen zucht van het windjen hunne smettelooze bloesemsneeuw in het rond verspreidden, terwijl purperen en bleekgele rozenmassaas zich als reusachtige ruikers uit al dit wit opbeurden. Ter rechterzijde verhieven zich de torens en kernspitsen der stad in wolkenloos azuur; liet men echter den blik meer
57
links weiden, zoo stuitte het oog op den
bleekblauwen heuvelkrans, die aldaar den horizont begrensde. De toppenlijn dier
heuvelen was somwijl half uitgewischt en verloren in de rafelende kant van fijne
wolkensluyers. Wijngaarden strekten zich naar alle zijden uit, terwijl de van
zonlicht sparkelende Ticino zijne rimpelige golfjens voortstuwde, zich
kronkelend als eene, met schitterende schubben bepantserde, slang. En een gouden
schemerschijn, een mist van stofgoud lag over heel het landschap verspreid.'
Maar hoe schoon dit proza is, het getuigt nog niet van
zelfstandigheid. De schrijver is blijkbaar nog in zijn leerjaren, hij leest
Mevrouw Bosboom en Van Lennep, en ontleent hun het eigenaardig deftige in de
gesprekken van hun romans, uitroepen als: 'Mijn Heere, mijn kind', impératieven
als: 'Spreek, Giovanni; bedaar, Giovanni; hoor mij, Giovanni.' Hij werkt nog met
passer en potlood, schrijft, denkt na, wischt uit, corrigeert en retoucheert,
want het werk moet nog komen onder de oogen van Prof. ten Brink. Hij voelt zich
nog niet vrij; hij is als een gravinnetje, dat voor de eerste maal gepresenteerd
wordt aan het hof en bang is geen sierlijke révérence te zullen maken; hij is
als een prins, die pas in het publiek verschijnt en nog telkens denkt aan het
ophouden van zijn vorstelijke waardigheid, bij de blikken der menigte. Maar
Couperus zal zich eerlang vrij leeren gevoelen, en het eerste groote proza-werk
dat hij leveren zal, zal blijken een meesterwerk te zijn en bekroond worden met
de medaille van het Thieme-fonds. Dit meesterwerk is : 'Eline Vere'.
Maar vóór wij overgaan tot een nadere beschouwing van dezen
roman en de andere romans afzonderlijk, zij eerst iets gezegd over de
Couperus-littératuur in het algemeen.
58
Inhoud en vorm blinken bij Couperus uit door frischheid en
nieuwheid; men voelt aan alles, dat men met een geheel oorspronkelijk talent te
doen heeft. Psychologische romans zijn er altijd in de wereld geweest, Geen
schooner voorbeelden er van, dan de 'Werther' van Goethe en de 'Adolphe' van
Benjamin Constant. Frankrijk is als het ware in deze eeuw met zielkundige romans
overstroomd. De werken van Bourget, Henri Beyle, Flaubert, de Goncourts,
Laforgue, Dujardin en Barrès behandelen allen de zielkundige artistieke
ontleding van allerlei, gewoonlijk ziekelijke, gemoeds-toestanden. Wat Holland
betreft, is Couperus de beroemdste vertegenwoordiger dezer school, die tevens
voeling houdt met de leer van het naturalisme. Zijn scheppings-kracht is
zeldzaam, zijn visie als van een ziener. Hij schept met het grootste gemak eene
denkbeeldige wereld en bevolkt haar met tal van individuën, die geen ledepoppen
zijn, maar karakters, die men meent te kennen en telkens meent terug te vinden.
Behalve zijn nieuwe methode van uiterst fijne analyse en zijn
scheppend frisch zien van allerlei banale toestanden, is merkwaardig zijn macht
over de taal. Hij hoort, wat hij schrijft. Het is alles even klankrijk en klaar.
De rythme der volzinnen is een muziek van de lieflijkste cadans. Zijn
vindingrijkheid is groot in het smeden van nieuwe taalvormen. Uit overdreven
weerzin tegen versleten uitdrukkingen, uit afschuw van de muffe banaliteit der
Muze, uit behoefte aan een scheppende woord-kunst, die als met een tooverslag de
verveling van de afgezaagde littératuur moest opruimen, heeft de generatie van
1880, de school van den Nieuwen Gids, in revolutionnaire overspanning, nieuwe
woorden gemaakt, die door geen schepsel begrepen werden; maar Couperus heeft,
zijne betrekkelijke zelfstandigheid tegenover de
59
nieuwe beweging bewarende, expressies gevonden, waarvan men dadelijk gevoelt,
dat zij nieuw en geoorloofd zijn. Kloos, de hartstochtelijke Robespierre der
taal-omwenteling, met Danton-Van Deijssel, mag zich zelf belachelijk maken, als
hij Couperus denkt te ridiculiseeren met het volgende sonnet: (Willem Kloos,
'Verzen', Pag. 231.)
O zoet, zelf-vergenoeglijk kind
Couperus ,
Dat steeds gingt in valsch-prinslijk
pedantisme
Naast uwe Meerderen en zei: 'Wat is
me
Dit alles waard, dat zoodje, waar geen heer is,
Die geven kan dat, wat die
Oude Gids me
Kan geve' aan roem, - wat zeg 'k? aan
mondainisme,
Ik, die mij-zelf voel een echt
Haagsche Heros,
Den Haag, dat laat nooit van zich-zelf een veer los
Tege' Amsterdam.' - Pardon,
'n Stad, die 's Land Hart is,
Hart heerlijk-hoog, al wordt het ook
verstooten
In schijn door 't Hof zelf, voor wie
't mogelijk Smart is,
Neen nimmer is geweest,
ondanks 's Stads Grootte,
Maar moest zijn, daar in 't Hart van
Amsterdam
't Een leêg Paleis heeft op den
Koninklijken Dam.
Intusschen wij bewonderen Couperus als hij onze taal verrijkt in zijn spreken van gesleepmantelde ridders, gekeizerkroonde vorsten, gepluimkopte paarden; als bij een meisje noemt afgewonden van vermoeienis en van een flaneur verklaart, dat hij werd uitgebogen door den kapper; als hij, naar de loffelijke poging van Homerus, Heine en de hemel-bestormers van 1880, tracht direct te zijn, door te spreken van windbewogen stad, schreeuw-snikkend kind, goud-geharnast officier; als hij werkwoorden maakt als waasblauwen, glansplekken, witgloeien, smartdroomen en aangouden, of substantieven als piektoppen, schuimkammen,
60
zomerschittering en schitterinsigniën; of als hij zegt van
vlaggen, dat zij slapperen, van vonken, dat zij spatteren, van
het stof, dat het stuivelt
en van een wiel, dat het snellert.
Couperus is melodieus, zelfs in zijn benamingen. In
tegenstelling met Compassione, die alleen voor zijn eigen pseudoniem
een welluidenden klank heeft gevonden, maar voor de vrienden van zijn 'Frans
Burgstein' en 'Ab Hurck' gedrochtelijke epitheta heeft gekozen, heeft Couperus
zulke zeldzaam aardige namen voor zijn personen verzonnen, dat men hem zou
verdenken, dat zijn lievelings-lectuur moet zijn de 'Almanach de Gotha', waarin
men een heerlijke collectie van allerlei vorsten namen bij elkander vindt.
Couperus heeft de groote gave, reeds in de namen zijn figuren te
karakteriseeren. Wie denkt bij de namen Eline Vere, George de Woude en Otto van
Erlevoort niet aan zwakheid, aristocratie en kracht, waarvan zij de typen zijn.
Wie denkt bij de namen Vincent, Taco Quaerts en St. Clare niet aan doordraaiers,
bij Oscar en Ottomar van Liparië niet aan een Prins en Keizer, ja, wie hoort in
den klank Djalo niet den naam van een vorstelijken hond! En deze rij zouden wij
met tientallen van voorbeelden kunnen vermeerderen. Dit slechts in het algemeen.
Thans kunnen we overgaan tot de beschouwing van de romans afzonderlijk.
Vooreerst dan: 'Eline Vere.'
Eline Vere, de naam van den roman, is de naam van het jonge
meisje, dat als hoofdpersoon er in optreedt. Dit heldinnetje is kortweg een
nest, een onuitstaanbaar schepseltje, mooi, nerveus, ziekelijk; een kind, dat
altijd aan haar humeurtje toegeeft, nooit in iets pleizier heeft, een beetje
philosopheert over het raadselachtige in het leven, maar langzamerhand, al
toegevende, zinkt,
61
zinkt in geest en karakter, al meer achteruitgaat in gezondheid en schoonheid,
en dat eindelijk, slachtoffer van hare opvoeding, gestel en omstandigheden,
sterft op de meest aandoenlijke wijze, zoodat opnieuw aan haar voltrokken wordt
het vonnis, dat Dante uitspreekt over degenen, die zich moedeloos en krachteloos
aan de acedia
overgeven, gelijk Couperus in 'Orchideeën' citeert:
'Droef togen
Ze in zoete lucht, door blijde zon beschenen,
Inwendig steeds door tragen walm
omvlogen....
Thans moeten ze in den zwarten modder weenen.'
Eline Vere is een pretentieus karaktertje, een schuldig zondaresje van lymphatische bloedmenging, mijmerend, zeurig, stout. Wij zien dit meisje onder allerlei licht, het licht van zon en maan, van kroonluchters en pianobougies, we zien haar spelen, wandelen, rijden, dwepen, vechten met een zuster, boudeeren tegen vriendinnetjes. We zien haar in haar boudoir, in salons, op soirées, aan diners, in opera, comedie en kerk; we zien haar opgewonden blij, vol artistieke extaze; moe, loom op een divan, in griezelige gesprekken over het fatalisme; we zien haar peinzend, in een onafgebroken dolce far niente, portretten van aanbidders bewonderen; we zien haar geëngageerd, een oogenblik lief, eenvoudig, bijna bekeerd, op het punt een goede vrouw te worden van een flinken man, zich thuis voelend in diens gezellige familie, maar daarna, ach! zien we haar weer dwaas worden, nukkig, kurig, wonderlijke hersenschimmen najagend, gemeene gevoelens koesterend, haar aanstaande vernederend, met haar zuster zich brouilleerend, - ongelukkig, diep ongelukkig. We zien haar daarna vluchten, reizen, trekken, steeds moe en meer moe worden van het leven, moe van alles, van België, van Frankrijk, van Spanje. We zien
62
haar terugkeeren in den Haag, den Haag weer ontvluchten, ten slotte weer
terugkeeren, ziek, meer dan ziek, dood ziek, verschrompeld, vermagerd,
verleelijkt, alleen, zonder hulp, zonder liefde; we zien haar in eenzaamheid
appartementen bewonen van een pension, om ten laatste, moe van het strijden, het
hoesten, het kuchen, prooi van tering en waanzin, door vergif van medicijnen een
einde te maken aan haar leven.
We zien Eline Vere eerst in het volle leven, als zuster en
schoonzuster, vriendin, bruut en nicht, tegenover Betsy, Henk, Otto, Jeanne
Ferelijn, de lieve Mevrouw van Raat en Oom Daniël Vere; we zien haar in hare
verschillende verliefdheden, dwaze en grappige, schuldige en onschuldige,
tegenover een opera-zanger, dien ze slechts uit de verte op het tooneel heeft
gezien in den rol van Ben-Saïd, Tell en Hamlet; tegenover een verloopen neef als
Vincent; een dwazen vriend, als Paul; een kennis van een enkelen dag, als St.
Clare. We zien haar één enkelen stond in haar reine liefde voor Otto van
Erlevoort, om ten laatste alleen, zonder liefde, te sterven.
Men kan vragen hoe het mogelijk is, dat zulk een
onbeteekenend schepseltje, hoe nauwkeurig ook in haar gemoeds-leven ontleed, de
boeiende heldin van een roman, en wel zulk een langen uitgewerkten roman, kan
zijn?
Hoe dit mogelijk is? Dáárom, omdat de schrijver voor dit
persoontje, van het begin af, medelijden weet te wekken.
Eline is een wees, zij heeft een zwak gestel, leeft in eene
verkeerde omgeving, wordt door niemand gevormd of geleid. Dit kind moet, - zoo
voelen we reeds in den aanvang, als we haar missen op de vroolijke partij bij de
Verstraetens en wij hooren dat zij, om een weinig hoofdpijn, thuis op haar sofa
is blijven liggen mijmeren, -
63
dit kind moet ongelukkig worden. Maar de roman is verder zoo boeiend, omdat
Couperus er het ideaal in heeft bereikt, dat hij zich, volgens de voorrede van
Wereldvrede in den Gids, in zijn romans voorstelt, om n.l. evenwicht van
toestanden en karakters te bewaren.
De droevige figuur van Eline beweegt zich in een milieu van
de levenslustigste vrienden en vriendinnen en op een achtergrond van stralend,
glanzend, schitterend licht.
Terwijl Eline zeurt en treurt, - wat hebben in hare omgeving
Paul en Fréderique, Georges en Lili, Emilie, Marie en Cateautje, de
Heijdrechtjes en de Eekhofjes, wat hebben ze een onverpoosd pleizier! Dat lacht
en dat stoeit, dat praat en dat vleit en speelt, in charades, voor Cleopatra en
Magdalena; dat gaat in een Jan-pleizier naar den Loosduinschen weg; dat rijdt op
de Horze naar den dikken boom of den witten kuil; zij krijgen elkander allen en
zoo aardig, na zulke gezellige moeielijkheden, met zulke grappige incidenten. O!
menigmaal kan men de geestige tooneeltjes overlezen: Georges gewaarschuwd door
zijn oudere zuster tegen een zuinig huwelijk, en toch feitelijk aangemoedigd;
Marie en Emilie, in het huis van Georges en Lili, verrast door de jonggehuwden;
de oude Mevrouw van Erlevoort te midden van haar kinderen en kleinkinderen; de
tocht van al die kleintjes, in een onweersbui, met een tentwagen naar den witten
kuil; de laatste heldhaftigheid van Mevrouw van Raat, die Paul en Fréderique
tracht te verzoenen; - o, het is alles meesterlijk! En dan verder, de
tooneeltjes zijn niet alleen door en door echt naar het leven geschilderd, maar
om het karakter van de hoofdpersoon scharen zich zooveel andere typische
karakters, die uitstekend tot het einde toe vol gehouden worden. Die snibbige
Betsy; die goedige Henk, die 'zijn buik vol heeft van al haar ruzie'; die
aantrekkelijke Fréderique, die zich als een Brunhilde
64
niet geven wil aan den man van haar keuze; die Paul, die artist heeft willen
worden en als burgemeester eindigt; die Emilie, die altijd te veel eet, en later
de gevolgen ondervindt; die Marie, met haar dagboek; die Lili, met haar
kleintjes; die oude Mevrouw van Raat, met de 'Tristesses et Sourires' van
Gustave Droz op haar schoot, tegenover het portret van haar overleden
echtgenoot; die oude Dien en die dikke Juffrouw Frantzen; - ze zijn, om nooit te
vergeten !
Mooi is het boek verder, omdat de onnoodige en ingebeelde
smart van Eline zoo scherp contrasteert met de wezenlijke droefheid van een
Jeanne Ferelijn, die, uit Indië overgekomen met haar ziekelijken man en vier
kinderen, een toekomst van beproevingen tegengaat; en met de ramp van een
Mathilde van Rijssel, die, met haar aardig kindertroepje, na een ongelukkig
huwelijk, gescheiden leeft van haar man; en last not least met de
teleurstelling van Otto van Erlevoort, die de beleediging eener coquette zoo
waardig weet te dragen.
Mooi is het boek verder, omdat het letterlijk een
photographie van de Haagsche maatschappij is. Wie de 'Camera Obscura' bewondert,
moet Eline Vere mooi vinden. Couperus is een Hildebrand, doch helaas, zonder
humor; maar gelijk deze, vijftig jaar geleden, in onsterfelijke tableaux het
burgerlijke leven van Haarlem heeft weergegeven, heeft Couperus in Eline Vere,
met zeldzaam meesterschap, het aristocratisch Haagsche fin de siècle
leven van den tegenwoordigen tijd geschilderd. O! het is alles zoo echt en
eenig; die partijtjes, die bals, die Diligentia-concerten, die opera-avonden;
die verhoudingen van moeders en zoons met galante begrippen; die echtgenooten,
die het zoo goed buiten elkander zouden kunnen stellen; dat dineeren, soupeeren,
toiletteeren, recipieeren, intrigueeren en critiseeren; - het is amusant!
65
En nu mag men ten slotte eenige aanmerkingen hebben;
volhouden, dat een ziekelijk meisje als Eline niet zooveel belangstelling waard
is; dat de conceptie van den roman hier en daar fouten heeft; dat de
buitenlandsche tooneelen in den Haagschen gedachtenkring détoneeren; dat Henk
soms een held en Otto soms een sukkel is; dat de episode in Brussel onnatuurlijk
is; dat St. Clare komt als mosterd na den maaltijd; dat het boek gemeene
uitdrukkingen heeft, triviale inter-mezzo's, en gevaarlijk fatalisme predikt;
dat het alle verheffing mist; - het is alles volkomen waar en er vallen
aanmerkingen op dit boek te maken, die op al de werken van Couperus te maken
zijn en die wij aan het slot van onze studie willen samenvatten, - maar het boek
blijft subliem, het heeft evenwicht, - één futiel karakter op tien aardige, één
slechte bladzijde op vijf en twintig schoone. Het boek was een coup d'essai,
maar bleek een coup de maître. Men kan er geen afscheid van nemen,
zonder uit te roepen: 'Salve, magister, iterumque salve!'
Eén der aantrekkelijkste tooneeltjes laten wij hier volgen;
het is de teekening van een beminnelijk meisje, dat gekleed wordt voor haar
eerste bal. ('Eline Vere,' D. I, pag. 65.)
Na den eten stoeiden Freddy en Etienne met de kinderen,
terwijl mevrouw Van Erlevoort zich in haar boudoir ging afzonderen en Otto,
naast Mathilde, die borduurde, zijn sigaar rookte. Rika, de meid, nam de tafel
af, zeer gehinderd door Nico, en duizend angsten uitstaande voor een blad,
waarop zij vuile glazen en borden had geplaatst. Eindelijk sloeg het acht uur en
juffrouw Frantzen kwam om de kinderen te halen.
- 'Ciel de mon âme!' riep Frédérique, op de canapé
half gesmoord door Ernestine, Johan en Lientje, en zij bevrijdde zich van de
armen en beenen, die haar als polypen omringen.
'Ik moet naar boven; Mathilde, kom je me helpen?'
66
- Goed, antwoordde Mathilde en
stond op, En jullie, kinderen, gauw, naar bed!
- Neen, ik wil niet, ik wil eerst tante Freddy mooi zien!
riep Ernestine met een zeurig stemmetje. En ik wil tante ook helpen.
- Tante kan je hulp wel missen en mooi is ze altijd!
antwoordde Mathilde. Kom gaat nu allen meê met juffrouw Frantzen, allons, als
zoete kinderen.
Freddy vloog weg, en daar mevrouw van Erlevoort sluimerde,
kon Mathilde haar macht laten gelden en het viertal werd naar boven gejaagd, met
een aanmaning op elke trêe, daar Nico hinkend weder de trap af wilde gaan en
Lientje op het portaal met Hector op den grond bleef sollen.
- Ik kom dadelijk, Freddy! riep Mathilda, zoodra de kinderen
boven zijn! en Freddy gilde van uit haar kamer, dat ze zich hield aanbevolen.
Ze was reeds bezig zich het golvende haar uit te borstelen,
den okkenvloed van Kleopatra..... Mathilda zou haar kappen: die kon het zoo
keurig doen. En ze schikte alles en ze zag alles na, haar waaier, heur
handschoenen, haar zakdoek, heur lichtblauwe, satijnen schoentjes.... Een blos
van zenuwachtigheid tintte de matheid van haar melkwit teint, terwijl zij zich
in den grooten spiegel bezag en glimlachte, tot er een kuiltje zich
groef in elke wang. Het zou wel gaan, het zou wel gaan, dacht ze.
Na een half uur kwam Mathilda terug, met Martha, de
linnenmeid, die ook als kamenier dienst deed en Frédérique ging zitten, vlak
voor den spiegel, in haar onderlijfje en haar blauwe schoentjes.
- Net zoo eenvoudig en snoezig als verleden keer, Tilly!
vleide Frédérique, terwijl Martha nu de kam, dan een frizeerijzer, of een
haarspeld aangaf. O, het is hier koud geworden! Martha, gooi wat om mijne
schouders!
Martha legde haar een bonte pelerine om. Mathilda had met
vlugge vingers haar werk spoedig voltooid.
- Daar! sprak ze, en schoof de krullende franje van voren
terecht. Eenvoudig, keurig en stevig. Ben je tevreden?
67
Frédérique bezag zich en roerde
even met de tippen harer vingers heur kapsel van terzijde aan.
- Zeker, zeker, zeide ze, en nu.... nu mijn flot de tulle. De
bonten pelerine vloog op den grond, maar Martha regelde de wanorde van
kleedingstukken, die zich in het vertrek verspreidden. Mathilde hief de wolk van
teeder azuur op, en liet ze, licht als een zucht, om Freddy heenglijden.
- Ik ben iets van een fee, van een ondine! sprak Freddy, haar
armen opheffend, en Tilly en Martha knielden neêr en haalden de wazige plooien
dier ragfijne nevels uit. La, la, la,.... Freddy's voetjespaar bewoog zich op
een maat, dien zij neuriede.
- Freddy, Freddy, stil nu.... Martha, een speld, die strik
zit los....
- Hoe vindt je het, Martha?
- Beeldig, freule!
- Is het nu niet kaal, op zij, Tilly?
- Och, wel neen, het is een en al strik- en lintenburg, wat
wil je nu meer... Het fladdert al alles om je heen... toe Freddy, ik bid je,
wees nu een oogenblik stil....
Daar ging de deur zachtjens krakend open, als door een
geheimzinnige hand....
- Wat is dat nu weêr! riep Mathilde, bijna ongeduldig en ze
werd woedend, toen ze Ernestine, rillende in haar witte nachtjapon, als een
tengere schim, zag verschijnen, een weinig angstig en toch guitig-brutaal.
- Toe moes, ik woû zoo graag....
- Maar Tine, het is om doodziek te worden, zoo op die koude
trappen en door die koude gang te loopen! Ik begrijp niet, hoe je zoo
ongezeggelijk kunt zijn....
- Kruip in mijn bed, Tine, gauw, maar pas op voor mijn
lijfje! riep Freddy. Ach, laat maar, Tilly, fluisterde zij.
Tine was reeds in bed gekropen en nestelde zich, als een duif
in de dekens, waarna haar dunne vingertjes met welbehagen het blauwe satijn van
Frédérique's corsage, dat nog op de kussens lag, betastte.
Mathilde haalde met een zucht haar schouders op, berustend
68
als altijd, maar zij nam het lijfje weg. Mevrouw
van Erlevoort verscheen in de nog geopende deur, ruischende van haar moiré.
- O, wat is mama mooi! riep Frédérique opgetogen, je zal
zien, Tilly, ik ben weêr het laatste klaar. Toe, rep je wat!
Mathilda reeg het blauw satijnen lijfje van achteren dicht en
mevrouw van Erlevoort zag bewonderend en glimlachend naar haar nevelige
ondine.... daar hoorde zij echter iets sluipen, achter zich, en omziende
bespeurde zij Johan en Madeleine, beiden verkleumd en in nachttoilet....
- Neen maar, dat is te erg! Dat is om wanhopig te worden!
riep Mathilda uit en zij liet Frédérique half geregen staan en vloog naar de
bengels toe. Hoe kunnen jelui toch zoo ondeugend zijn en mama zoo een verdriet
doen! Morgen zijn jullie allemaal ziek.... kom, gauw naar boven en dadelijk!
Haar stem klonk gramstorig en de beide kinderen begonnen
bijna te weenen, maar mevrouw van Erlevoort kwam ter hulpe.
- Ach Mathilde, laat ze nu maar een oogenblikje blijven....
- In mijn bed.... kruip in maar, gauw! riep Frédérique,
schaterend van het lachen, maar niet aan mijn tulle.... afblijven, afblijven! en
zij week angstig terug voor de uitgestrekte klauwtjes der beide wandalen, die in
het luchtige gaas schenen te willen grijpen, en aan de lange strikken te willen
trekken.
Mathilda zelve begreep, dat de kinderen in Freddy's bed nog
het beste zouden zijn voor het oogenblik en zij gaf voor de duizendste maal toe
en reeg zuchtend Freddy's corsage, waarvan het satijn kraakte, verder dicht;
Johan en Lientje kropen intusschen bij Tine onder de gewatteerde deken en zagen
met tintelende, guitige oogen naar de blauwe fee op.
- Doe je daar nog iets overheen, tante? vroeg Johan, of blijf
je zoo nakend?
- Ach, domme jongen! riep Tine verontwaardigd en zij duwde
hem omver, zoodat Lientje met een gil meêgesleept werd en Frédérique's bed
weldra een chaos geleek van wollen dekens, blonde krullen, kussens en half
ontbloote, roze beenen en armen, die zich allen onder een luid gekrijt
dooreenwoelen. Mevrouw van Erlevoort en Frédérique weenden bijna van het
69
lachen om dit tafereel, de laatste tot groote
ergernis van Mathilda, welke haar veters maar niet vermocht vast te strikken, en
mevrouw van Erlevoort riep Otto en Etienne, die, gerokt en reeds geoverjasd, de
trap afkwamen, binnen om het schouwspel te zien.
- Kom er meê in, oom Eetje, kom er meê in, toe, kom er in!
schreeuwde Johan, maar Etienne bedankte voor de eer; hij was nu veel te mooi om
zoo te ravotten, hoor.
- Je bent om te schaken, Freddy! zeide Otto glimlachend.
- Om weg te blazen, niet waar, pf... t... Maar Tilly, ben je
nu nog niet klaar met die veters?
- Ach wat, Freddy, je staat geen oogenblik stil!
Tilly was ten laatste klaar en iedereen was klaar en mevrouw
van Erlevoort ging reeds de trappen af, daar het rijtuig juist gekomen was.
- Kinderen, nu in bed blijven, en niet rondloopen in de koû!
riep Mathilde met gezag, terwijl Frédérique zich met Martha's hulp in haar
sortie hulde, Otto belastte met een waaier en Etienne met een handschoen.
- Kom Freddy, mama is al lang naar beneden, zeide Otto en
sloeg met den waaier ongeduldig op zijn hand.
- Freddy, heb je niets vergeten? vroeg Mathilda.
- Zeg, waar is je tweede handschoen, Freddy, of trek je er
maar een aan, riep Etienne luid, om zich in het rumoer, dat de kinderen steeds
in bed maakten te doen verstaan.
- O, wat maken jullie me allemaal geagiteerd... Ik heb hem al
half aan, mijn tweede handschoen! Martha, mijn zakdoek! Dank je, alles klaar?
Goed! Nu adieu, dag kleine schatten....
- Freddy , je vergeet wat! riep Etienne.
- Wat, ach wat dan....?
- Je parapluie, hier!
- Flauwe jongen.... Mama zit zeker al in het rijtuig te
wachten en jij houdt me op met flauwiteiten! Nu adieu, dag Tilly, dag
lievelingen, ja Otto, ik kom al.... Dag Tilly, dank je voor je hulp. Dag Martha.
70
- Veel plezier, freule,
- Amuseer je, dag Freddy....
Freddy ging, gevolgd door Otto en Etienne. Ernestine sprong uit bed, gevolgd
door Johan en Lientje.
- Hier kinderen, komt hier! riep Mathilda. Zij wierp hun alle
drie iets om, een doek of een deken: Ernestine, Freddy's regenmantel, die haar
een el voor de voeten sleepte.
- En waar is juffrouw Frantzen, dat jullie hier zoo maar
gekomen zijn? vroeg zij ontevreden.
- In haar eigen kamer bij Nico, moes; Nico slaapt, zeide
Tine. Toe moes, niet boos zijn!
En zij hief hare armpjes, omfladderd door de te wijde mouwen
van den regenmantel, liefkozend op.
Mathilde glimlachte, en liet zich omhelzen.
- Komt nu allemaal , naar bed! sprak zij een weinig verzoend.
- Wat ziet de freule der ledikant er uit, zeide Martha
hoofdschuddend; ik kan het heelemaal weêr gaan opmaken, stoute bengels!
- Zoete bengels! riep Lientje.
Mathilde nam haar in haar arm op en Tine en Johan volgden,
bijna struikelend over hun vreemde draperieën en gillende van de pret, dat hun
list gelukt was.
- St. stil. zijn, anders maak je Nico wakker!
Juffrouw Frantzen wist van den prins geen kwaad; zij zat met
Hector aan haar voeten, te breien in de kamer, waar Nico sluimerde en ontstelde
hevig, toen zij de karavaan zag aankomen. Die ondeugende kinderen, om zoo
stilletjes weg te sluipen; ze was in de volle overtuiging, dat ze al lekkertjes
sliepen in de kamer er naast!
Het drietal werd in bed bezorgd, rillend en verkleumd, maar
dol van vroolijkheid en juffrouw Frantzen vermaande ze nu toch niet meer te
praten en zoet te gaan slapen....
En Mathilde boog zich over het bedje van haar Nico, die met
geloken oogen in de wol lag, de vochte lipjes half geopend, en zijn blonde
krulletjes kruivend over het witte kussen. Engel van een jongen!.... En ook de
anderen,
71
wat een schatten, echte lastposten, niet te
regeeren, vooral met mama en Freddy als medebestuur.... Maar toch, hoe gelukkig
dat zij ze had, alle vier, alle
vier!
En zij boog zich en roerde even met de lippen Nico's open
mondje aan, en zij voelde zijn zachten, geurigen adem over haar wang strijken,
als een liefkozing, en haar tranen drupten neêr op zijn voorhoofd, zoo
doorschijnend bleek, zoo zacht....
Engel van een jongen....
Thans volgen de kleinere proza-stukken: 'Noodlot, Extaze',
enz. Wij hebben ze straks diamant-slijpsel genoemd van den edelsteen 'Eline
Vere.' Diamant zijn ze allen, in zooverre nu eenmaal niets kan vloeien uit de
pen van Couperus, of het draagt den stempel van genialiteit; slijpsel zijn ze,
in zoover zij allen motieven behandelen, die in den eersten roman wel voorkomen,
maar niet mochten uitgewerkt worden , zonder de eenheid der conceptie te
schaden.
'Eline Vere' is vol van fatalistische, extatische,
dégéneratieve, artistieke, sensueele en mystieke beschouwingen en Couperus heeft
elk dezer eene afzonderlijke behandeling waardig gekeurd. Bij de hoofdpersonen
van de kleinere romans, novellen of schetsen, - hoe men ze noemen wil, - denken
wij steeds aan die van zijn meesterwerk. Bij Henk en Bertie in 'Noodlot' denken
wij aan St. Clare en Vincent; bij Quaerts en Cecile Even in 'Extaze' aan Vincent
en Betsy; bij Tila en Carel Armand in 'Illuzie' aan Frédérique en Paul, maar in
omgekeerde verhouding; bij Marinus en Hugo, op
hun kamers in de Avenue du Bois de Boulogne, in 'Epiloog', aan Vincent en Paul;
bij den vriend van Brauws in 'Verlangen' aan Vincent alleen; bij Kareltje in
'Een Zieltje' aan Ben; bij 'Kleine Raadsels', allen voorvallende in pensions en
hôtels, aan Eline, verschrikt
72
door akelige visioenen op haar étage van het Bezuidenhout. O! wij voelen, al
deze karakters zijn van dezelfde familie. Onderling hebben ze ook weer veel
verwantschap. Tila en Cecile konden zusters, Quaerts en Vincent broeders, Paul
en Marinus neven, Bertie en Jules achterneven zijn; ja, de namen zijn soms
dezelfde. De naam Heijdrecht komt voor in 'Eline Vere,' 'Extaze' en 'Kleine
Raadsels', de naam Quaerts en Jules in 'Extaze' en 'Kleine Raadsels' en Dr.
Reijer komt met zijn dokters-koetsje door verschillende romans heenrijden.
In één woord, al deze werken en werkjes vormen te zamen één
groot geheel. Het is een samenhangende littératuur-massa, behoorende tot
dezelfde periode van denzelfden auteur, met dit verschil echter, dat 'Eline
Vere' een mooi boek is, omdat het evenredigheid heeft van karakters en
toestanden en de appendices, - de reeds vermelde oorspronkelijkheid van
opvatting en uitdrukking buiten rekening gelaten, - leelijk zijn, omdat zij,
zonder evenwicht van verhoudingen, voor verstand en gemoed afschuwelijke
toestanden schilderen. Na deze algemeene beoordeeling van de aanhangsels van
'Eline Vere', willen we ze in het kort afzonderlijk nagaan , om onze meening toe
te lichten.
'Noodlot.' -
'Noodlot' schildert een duivel in menschengedaante in den
persoon van zekeren Robert van Maeren, kortweg Bertie genoemd, een daemon, een
Judas, een Satan, een driedubbel overgehaald monster van egoïsme, de levende
incarnatie van Noodlots-philosophieën.
Dit dierlijk wezen, fijn geteekend, blauw geaderd en
natuurlijk artistiek aangelegd, zoekt, al débaucheerend arm geworden, tot den
staat van verloren zoon vernederd, de bescherming van een ouden makker, zekeren
Frank Westhove, die op zijn villa 'White Rose' woont, na-
73
tuurlijk verloopen is, maar, te midden van de désordres de jeunesse, de
goedmoedigheid van een New-Foundlander heeft mogen bewaren. Bertie teert als een
parasiet op zijn makker, rookt op diens kosten havanna's van twee shilling,
baadt zich in rozenwatertjes en geniet met zijn vriend de délices der
ongebondenheid, in gezelschap van Londensche Venussen. Wat is nu het schoone,
maar droevig melancholieke in dit boek?
Het is dit, dat aan dit monster, dezen minotaurus van het
fatalisme, opgeofferd worden: Frank, de weldoener, Eve, diens bruid, die hij op
een reis naar Noorwegen leert kennen, en Sir Archibald Rhodes, haar oude vader,
die opgaat in zijn eenig kind. Bertie weet namelijk, dat het uit zal zijn met
zijn lui en lekker leven, als het engagement van Frank en Eve aanblijft en hun
huwelijk tot stand komt. Griezelig zijn de infernale berekeningen van den
slechtaard, om Frank en Eve van elkaar gescheiden te krijgen. De verrader weet,
door de schandelijkste insinuaties, twijfel te doen rijzen in het hart van het
meisje, door verdachtmaking van Frank, aan wien hij alles te danken heeft.
Hij fluistert tot Eve telkens: 'Ik hoop dat je gelukkig
worden zult!' - Hij koopt een grisette om, om bij het uitgaan van een concert in
het Lyceum, Frank veelzeggend te groeten, terwijl hij met Eve gearmd loopt. Hij
bezoldigt den huisknecht van Sir Archibald, liefst met geld van zijn
slachtoffer, om de brieven te onderscheppen, waarin Frank zich, na de verbreking
van hun engagement, met Eve wil verzoenen.
Het plan gelukt. Smartelijk mooi is de strijd van Eve, als
zij haar bruidegom niet meer vertrouwt en den raad van haar vader wil inroepen,
maar deze, - natuurlijk ook weer een treurig exemplaar uit de elegante wereld, -
uit zoogenaamde kieschheid zijn dochter niet schijnt te
74
willen begrijpen. O, meesterlijk is deze bladzijde ('Noodlot', Pag: 102):
- Ach, vadertje! smeekte zij. Vadertje, doe
het! Doe het! Doe het voor je kind, voor je kleine Eve! Toe, toe, spreek met
hem.... lk ben zoo ongelukkig: ik kan niet meer, zoo ongelukkig ben ik! Spreek
met hem, vadertje! Ik
kan toch niet daarover met hem spreken: ik ben een meisje, en ik vind dat alles
zoo vies, zoo vies.... Vadertje, o vadertje, spreek met hem!
Zij wilde weêr liefkoozend zich tegen zijne knieën dringen,
maar hij stond op : hare tranen ergerden hem en sterkten zijn koppigheid. Zijne
vrouw had ook nooit met tranen iets van hem verkregen, integendeel. En hij vond
Eve flauw en kinderachtig: hij herkende niet meer zijne flinke dochter, met wie
hij de wereld had doorgereisd - onvermoeid en krachtig - in dit gebroken
schepsel , dat van weedom smolt.
- Sta op, Eve! sprak hij hard. Lig daar niet op den grond. Je
zal nog eindigen me boos te maken met die dwaasheid. Waarom huil je nu? Om
niets, om gekkelijke herschenschimmen. Ik wil dat niet meer in je dulden. Je
moet verstandiger worden. Sta op, sta op!
Zij rees langzaam, kermend, op en bleef voor hem staan, als
eene martelares, met haar wit gelaat, hare verwrongen handen.
- Ik kan het niet helpen, vadertje! Ik ben nu eenmaal zoo....
Heb je dan geen medelijden met je kind, ook al begrijp je haar niet? Toe, o toe,
spreek met hem, enkele woorden maar, ik bid er je om.... ik bid er je
om!
- Neen, neen, neen! riep hij stampvoetend en zijn gezicht
werd rood als door eene congestie van ergernis om al deze nuttelooze,
nevelachtige verdrietelijkheid, al deze dwaasheid, al dit huilen en drijven
zijner dochter, dat zijne koppigheid tot verzet dwong, in eene behoefte om niet
toe te geven. Maar zij, ze richtte zich op, zich vergrootend in hare smart:
vreemd drongen hare oogen zich in die haars vaders.
- Dus u wilt niet met Frank daarover spreken? U heeft dat
niet voor me over?
75
- Neen. Het is allemaal onzin,
zeg ik je. Zeur er niet meer over.
- Goed. Dan.. zal.. ik.. het.. doen! sprak ze langzaam, als
nam ze een vast, onwrikbaar besluit. En langzaam ook, zonder om te zien, zonder
den gewonen nachtzoen, verliet zij het vertrek. Het was haar of Sir Archibald
een vreemde voor haar was geworden, of er niets teeders bestond tusschen dien
vader en haar, nooit bestaan had, niets dan de vijandschap van twee
tegenstrijdige temperamenten. Neen, zij hadden onder de uiterlijke harmonie
nooit voor elkaâr gevoeld, nooit elkander gekend, nooit elkaâr pogen te
begrijpen: zij hem niet in zijn ouderdom, hij haar niet in heure jeugd. Mijlen
afstands, een woestijn, eene eindelooze leegte was tusschen hen; zij waren elk
in zichzelve opgesloten als in twee tempels, waarin verschillende eerediensten
heerschten.
- Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl ze door den corridor
ging. En ik ben zijn kind....
Na jaren komt evenwel het bedrog uit. Bertie erkent zijn
misdaad. Frank, in een paroxisme van woede, vermoordt hem met vuistslagen en
trappen. Frank brengt daarna eenige jaren door in de strafgevangenis der duinen,
en gevoelt zich, vrijgekomen, onwaardig om de man te worden van een engel, als
Eve is; en Eve daartegenover voelt evenzeer haar smetteloos leven bezoedeld,
door de aanraking met zooveel schuld en zonde, dat zij het niet langer kan
dragen. Ook zij leert de fataliteit der dingen verstaan. Beiden maken door
vergift een einde aan hun leven, en sterven in elkanders armen.
Het Noodlot ruischt het, door het begin van het
boek. Het Noodlot heet het in het midden. Het Noodlot luidt
het in het einde. Ten slotte heeft niemand schuld. Én Eve, én Frank, én Bertie
zelfs, zij hebben het leven niet anders kunnen maken dan het geweest is. Allen
zijn prooi van het Noodlot!
76
Afschuwelijk is dit boek! Het is een boek zonder billijkheid.
Terwijl het meesleept door zijn vernuft, hindert en prikkelt het voortdurend
onze ingewortelde overtuiging, dat de mensch tot vrijheid en tot
zelfbeheersching geschapen is.
'Noodlot' hoort thuis op den index librorum. De
schrijver veroordeelt het zelf, als hij van Bertie's philosophieën zegt, op pag.
79: 'Elk woord was een druppel zacht venijn, dat in het gemoed vreemde
twijfelingen deed opschieten als woekerkruiden en giftplanten.' - Walter Scott
zei, op zijn sterfbed, blijde te zijn, nooit iets geschreven te hebben, waardoor
hij eenig hart had kunnen bederven. O! welk eene wroeging zou hij gehad hebben,
wanneer hij een roman als 'Noodlot' in de wereld had gezonden! Moeders
waarschuwen er heur dochters voor; vaders hun zonen!
Wij voor ons weten, dat, even als na het lezen van Goethe's
'Werther' zich eenmaal vele jonge mannen van het leven hebben beroofd, ook een
jongmensch hetzelfde heeft onderstaan, na het lezen van 'Noodlot.' 'Noodlot' is
een drank van dolle kervel, een vlek op het leven van den schrijver, - en, met
dat al.... lacht Couperus in Florence en zegt ironisch, zijn hospita niet te
durven vertellen, dat hij 'Noodlot' heeft geschreven en ter analyse gaarne iets
nerveus' en morbide's zoekt! -
(Wordt vervolgd.)
| Zandvoort. | G. Hulsman. |
(Uit: Stemmen voor Waarheid en Vrede nr.33, p.36-76.)
Redactionele ingrepen:
-p.38:
ons vok zich verheugen mag > ons volk zich verheugen mag
-p.43:
zeo het oor wordt gestreeld > zoo het oor wordt gestreeld
fatalisme, hypnotisme socialisme > fatalisme, hypnotisme, socialisme
-p.62:
Betzy > Betsy
-p.66:
het golvende haaruit te borstelen > het golvende haar uit te borstelen
snoerig > snoezig
weldra een choas geleek > weldra een chaos geleek
-p.71:
Fréderique > Frédérique