Index Algemeen | Index Recensies | Deel I | Deel II
Louis Couperus (Slot). III.
209
'Wereldvrede.'
'Wereldvrede' is een vervolg op 'Majesteit' en, kort en goed,
in onze oogen een groot échec. Couperus heeft zich waarschijnlijk door
het succès van 'Majesteit' laten mêesleepen, maar, helaas! tot schade van zijn
tweede kunstwerk. Dit oordeel, platweg voorop geplaatst, wil niet zeggen, dat er
ook in dezen roman weer niet een tal van wonderschoone bladzijden voorkomen.
'Wereldvrede' gaat dóór op de toestanden, in 'Majesteit'
ontwikkeld. Othomar, door Prof. Barzia genezen van zijn ziekelijk gemoedsleven,
is reeds eenige jaren keizer geweest, en langzamerhand een sympathieke
Europeesche vorsten-figuur geworden. Hij is, ten minste in het begin van het
boek, blijkbaar gelukkig in zijn huwelijk met Valérie. Wij zien hem reeds
aanstonds, als een echten vader, wandelen in de schilderachtige omgeving van
Castel Xaveria, dat zijn steenmassa's hoog beurt boven de azuren golf van
Thracyna, met zijn vijfjarig zoontje, den kroonprins Xaverius.
Deze eerste bladzijden, die de innige liefde schilderen
210
van den koninklijken vader voor zijn kind, zijn omzet met parelen en robijnen
van taal en gedachten. Wij ademen in een geheel andere atmosfeer, als die van
'Majesteit.' Terwijl dáár het onweer niet van de lucht was, lacht hier een
helder licht door reinen hemel; de vrede schijnt op aarde neergedaald, en
Othomar, die altijd een idealist was, maar thans een idealist geworden is, niet
slechts van droomen maar van daden, Othomar wil dien vrede, dien hij zelf
geniet, geven aan zijn volk, geven aan Europa, geven aan de wereld.
De scheppings-gave van Couperus is in dit werk ook weder
groot. Gelijk de schrijver in 'Majesteit' een land en volk en regeering en
geschiedenis heeft ontworpen, een rijk, dat men desnoods op zou kunnen nemen
onder de cultuurvolken van ons werelddeel, heeft hij in 'Wereldvrede' een
congres en een revolutie in het leven geroepen.
Het komt ons voor, dat er groote kennis van
staathuishoudkundige toestanden en parlementaire verhoudingen moet noodig
geweest zijn, om zulke énorme volksberoeringen zóó natuurlijk te kunnen
schilderen, als in dit boek het geval is.
Couperus schept het congres, zijn voorbereiding en uitvoering. Hij beschrijft de
sympathie er voor bij den jongen keizer. Hij laat het vóór en tegen van
algeheele ontwapening, in de redevoering van den grooten voorstander van den
vrede, den gewezen Majoor Wlenzci, den president der commissie van
voorbereiding, meesterlijk uiteenzetten. Hij schetst alleraardigst de macht van
de mode in zulke dagen, die zich openbaart in het aanprijzen van en het
wegloepen met vredes-geschriften, -couranten en -boeken, vredes-toiletten en
vredes-sigaren. Hij beschrijft allervermakelijkst den terugslag er van in de
dagelijksche gesprekken. Hij teekent, met de hem
211
eigenaardige gave van schitterend taalkoloriet, breedvoerig de plechtige opening
van het Congres in het Athenaeum door den keizer, maar laat ons toch reeds, op
dat oogenblik zelf, de onmogelijkheid van het welslagen voorgevoelen, door reeds
dáár, in die plechtige ure, de verschillende menschelijke hartstochten van
hoogmoed en ijdelheid te laten spreken, die het 'Vrede op aarde', buiten geloof
en godsdienst om, wel altijd tot een illuzie zullen maken. En dan verder,
tegenover de aantrekkelijke gestalte van Othomar en de hooggespannen
verwachtingen van het vredes-congres aan het begin, schept Couperus langzaam
maar zeker het grootste contrast, dat de vrede hebben kan, - den oorlog, den
opstand, den staat van beleg, den brand van de hoofdstad Lipara met al hare
paleizen; en het boek eindigt met den opbouw van het rijk en een laatste zwakke
verzuchting: 'Mogelijk wordt het eenmaal vrede, de toekomst blijft ons altijd
gegeven, ons schoonste geschenk van het leven!'
Dit korte résumé geeft reeds te kennen, dat de opvatting van
het werk grootsch is en laat vermoeden, dat er schoone stukken in moeten
voorkomen. De billijkheid tegenover Couperus eischt, dat wij enkele der beste
fragmenten laten volgen. Van welk een blik op mogelijke en onmogelijke
staatkundige quaestiën, crisissen en partij-verhoudingen getuigt niet de
gefingeerde uiteenzetting van de toestanden in Liparië, die wij aanhalen: (Gids
1895 , pag. 411.)
'Wie in de
dagen, volgende op dien aanslag, waarin de hertog van Mena-Doni was omgekomen,
de groote Europeesche bladen gelezen had, zoû in bijna allen zeer heldere
verklaringen gevonden hebben van den politieken toestand in Liparië. Hoe die
verklaringen ook mochten verschillen van politieke kleur, de duidelijkheid en
helderheid was in alle bewonderenswaardig.
De liberale organen begonnen met uiteenzettingen over de
212
Grondwet en hare herziening, kort na keizer
Othomars troonsbeklimming: de progressistische illuzie's van het volk en zijne
noodwendige teleurstellingen: in hunne artikels werd vooral aangevallen de
Rijkskanselier, markies van Ezzera, een beroemde parlementaire figuur, een groot
redenaar, maar falende in administratieve intuïtie.
De behoudsbladen keurden geheel de houding van den jongen
keizer af, zagen in hem een socialist, en daarbij een dweper met den Vrede. Maar
hunne artikelen waren even helder logisch als die der tegenpartij.
Maar in werkelijkheid was die politieke toestand niet in
enkele mooi gestelde en goed gecompileerde artikelen te analyzeeren; in waarheid
was er de heen-en-weêrslag der evolutie's niet op dit oogenblik met den vinger
te wijzen en met het oog te volgen; logisch schenen er de evenementen nog niet
op elkaâr te volgen, daar de logica van het leven er telkens indruischte tegen
de logica der gedachte, en ieder evenement was er eene verrassing, iedere
seconde volgde er de vorige, als met een schok.
Er waren deze feiten:
Eene algemeene gistende ontevredenheid door het geheele rijk,
begonnen in Xara met een geweldigen opstand in de strafkolonie's en opzwellende,
opzwellende, tot de eerste oorzaken bijna niet meer waren aan te duiden: Xara,
nu sedert maanden in staat van beleg, en iedere beweging er met kracht
onderdrukt, met geweld, dat de keizer telkens en telkens bevelen moest, altijd
fataal gedrongen dingen te doen tegen zijne natuur in.
Die ontevredenheid, zwellende door het geheele land, om een
weêrspel van duizenderlei redenen, zwellende tot in alle standen, in het leger,
aan de regeeringsdepartementen, aan het Hof....
In de handelingen van de Regeering klaarblijkelijk waar te
nemen, een niet-weten-hoe, eene vreemde weifeling tusschen plotseling
ongemotiveerd toegeven, concessie's doen, zachtheid, - en een ruwheid van
militair optreden, als uit keizer Oscar's tijd.'
Dit stukje, dat een staatsman kon geschreven hebben,
213
wat kennis van zaken betreft, blinke uit ook door den schoonen vorm, de volgende
aanhaling, evenzeer bekoorlijk van inkleeding, toont op nieuw, dat de
verbeeldingskracht van den auteur beschikt over kosmopolitische wijsheid:
('Gids', Sept. 1895, pag. 448.)
'En de oogen van het land richtten zich naar den gouverneur van Lycilië, Ruxodi. Een betrekkelijk jongen man, een kolossaal administratief-ontwikkelde werkkracht. Niet uit den hooger Liparischen adel, maar uit een burgerlijke familie. De Ruxodi's waren altijd bekend geweest als een knap werkzaam geslacht, met een ongelooflijke veine. De gouverneur van Lycilië was de derde zoon van eene familie, die zeven zonen telde. De oudste was schatrijk en stond aan het hoofd van een der grootste Lycilische wijnculturen. De tweede zoon was luitenant-generaal der kurassiers van Xara. De derde was gouverneur van Lycilië. De vierde was naar Amerika gegaan, had er eerst in de Far Vest gebouwd, had toen een machinefabriek opgericht en was er millionair geworden en er Yankee gebleven. De vijfde was een beroemd Liparisch beeldhouwer en architekt en de keizerin Valérie had hem opgedragen haar een wonderschoone villa te bouwen, aan de zee bij Lycilië: men kwam van verre om die villa te zien. De zesde was professor in exacte wetenschappen aan de hoogeschool van Altara. De zevende had nog niet besloten welke carrière te volgen.....'
Met hoeveel eerbied wij getoond hebben te
staan ook tegenover dezen laatsten arbeid van Couperus, wij herhalen het woord
van straks: 'Het geheel is een echec.' Was 'Wereldvrede' het boek van een
beginner, met vreugde zou het om sommige qualiteiten ontvangen mogen worden;
maar van een schrijver, die den roem van 'Eline Vere' en 'Majesteit' achter den
rug heeft, mag billijkerwijze meer verwacht worden.
En waarom dan kan dit werk den hoogsten prijs niet behalen?
214
In de allereerste plaats, omdat de gang der ernstigste
gebeurtenissen onderbroken wordt, en dwaas, onnoodig, kunstmatig onderbroken,
door twee verachtelijke liefdeshistories, die gelijk sommige entre-mets
bij lange menu's van kostbare spijzen, zuiver bij wijze van prikkel den gast
toegediend worden. De menschelijke verbeelding kan zich al moeilijk bezig houden
met meer obscene geschiedenissen, dan waarin, tusschen de tragedie van het rijk
door, keizerin Valérie en prinses Vera, de lieve dochter van Zanti, die wij uit
'Majesteit' kennen, verwikkeld worden.
Keizerin Valérie.
Wij hebben in 'Majesteit' gehoord, dat zij een ongelukkige
liefde heeft gehad voor Prins von Lohe Obkowitz, die Estelle Desvaux tot
maîtresse had genomen en daarna een eind had gemaakt aan zijn leven. Dat was de
jeugdige prinses te vergeven, niemand zou er haar hard over vallen, maar wij
waren toch blijde haar als keizerin op de laatste bladzijde van 'Majesteit'
gelukkig te zien bij het wiegje van den kleinen hertog van Xara, en te hooren,
dat zij aan haar moeder schrijft: 'De dageraad van een nieuw idée gloort voor
mij op, doet den weg voor mij uitstralen; dien weg, ik wil hem volgen met mijn
man en mijn kind, met mijn keizer en mijn kroonprins!' -
Maar jawel! daar komt ze vijf jaar later, vijf jaren reeds
keizerin, vijf jaren reeds echtgenoot, vier jaren reeds moeder, nog eenmaal met
haar oude liefde voor den dag. Estelle Desvaux, haar vroegere rivale, de
beroemde actrice, de groote zangeres, die 'de arabesken van hare kunst-reizen
trekt door Europa en er de parelen van haar stem langs strooit,' heeft in Lipara
en Thracyna gezongen, maar is telkens het hof misgeloopen. Thans echter zal zij
in Altara optreden, waar de keizerlijke familie
215
toevallig verblijf houdt, ter viering van keizerin Elisabeth's verjaring.
Valérie kan dit niet verdragen, en komt, naar aanleiding van welk een loop van
omstandigheden doet er niet toe, Othomar's kabinet binnen, met haar geheim, met
haar oude passie, met...... een medaillon en 'in het medaillon zag Othomar het
portret van..... prins..... von..... Lohe..... Obkowitz.......
Bleek legde hij het neer, hij zag op Valérie die aan zijn
voeten snikte en nam toen het medaillon weer op.....
Zij had gelijk; het was vergift.....
Plotseling sloot het hij het weg......
Toen hief hij haar op, nam haar in zijn armen en liet haar
weenen, terwijl hij staarde naar buiten, naar zijn land in den nacht, waar de
Zanthos kronkelde, als een reusachtige python.'
Welk een keizerin!
Vera en Edzard, Prins van Karlskrona.
Vera, Prinses Zanti, het lieve dochtertje van dien
idealistischen vader, - die, gelijk we gezien hebben, op zijn landgoederen een
hemel op aarde had willen maken voor alle ongelukkigen, en die aan Othomar
verklaarde, slechts ééne zwakheid te hebben, van namelijk zijn eenig kind in
weelde op zijn kasteel te laten leven, - deze Vera is opgegroeid tot een
coquette, die alle andere heldinnen van Couperus in boosheid overtreft.
Wij zien dit meisje slechts even, als Othomar met de hertogin
van Yéména rijdt langs het slot van Vaza: 'De prins zag nog altijd naar het
slot, dat maar niet geheel zichtbaar werd, toen het rijtuig, met een bocht van
den weg, bijna rakelings reed voorbij een kleine groep, aan de helling van een
wijngaardheuvel: een oude man, een jong meisje, een hond; het jonge meisje,
teêr, tenger, bleek, blond, trots de zon in veel bont gekleed, waaronder zij nog
eene zekere morbide élégance behield; ze
216
zat op het gras, een donker bonten toque op het zilverblonde haar; hare lange
witte hand, ongeschoeid, klopte, tot kalmte manend, op den kroeskop van den
retriever, die het rijtuig aanblafte.' Wij hooren een weinig later haar vader
van haar zeggen: 'Ze is mijn eenige zwakte, mijn zonde. Zij heeft behoefte,
levensbehoefte, aan een kasteel, aan gemak. Daarom laat ik haar daar... Maar ze
zal niet lang leven... Ziet u, dat is zoo mijn zwakte, mijn zonde: ik ben maar
een mensch...'
Van dat lieve zwakke kind met haar poedel, maakt Couperus een
monster, een Delila, een Phedra een Theodora, een liederlijk gemeen schepsel,
hunkerend naar den walgelijksten wellust.
Zij is, zonder vorm van huwelijk, op het landgoed van haar
vader, volgens diens theorieën getrouwd met een anarchist, een zekeren Melena,
doch heeft, ouder geworden en, na den dood van haar vader brekend met al diens
beginselen, een grooten weerzin tegen dien man en het kind, uit hun verbintenis
geboren.
Deze Vera wordt met het grootste kunst- en vliegwerk, dat
uitgevonden en alleen in het Icarus-brein van Couperus verzonnen kan worden,
niet alleen onder de aanzienlijke hofkringen van Liparië getolereerd, maar zelfs
als prinses in al haar eer en rechten hersteld; - dit alles liefst, terwijl ze
een onecht kind heeft en voortdurend, tot in de hofstad zelve, lastig gevallen
wordt door haar zoogenaamden man, die haar telkens geld komt afpersen. Terwijl
Vera te vergeefs dezen man tot een gewoon burgerlijk huwelijk tracht te bewegen,
om haar kind te kunnen echten, en zij toch genoodzaakt is, de relatie aan te
houden met dezen vriend, - die vloekt, raast, tiert, scheidt, met bommen gooit,
in de gevangenis wordt geworpen, bij een opstand door het volk wordt verlost en
op een rijwiel ontkomt, als de Satan in het boek 'De Broeders'
217
van van Eeden, en ten slotte zijn leven eindigt, na een mislukten aanslag op
Othomar, met verscheurd te worden door de woedende menigte, - terwijl Vera dan
met dezen man voortdurend in betrekking staat, heeft zij, tot afleiding, het
eervol beroep de maîtresse te zijn van Edzard, prins van Karlskrona, den zoon
van keizer Oscar's zuster en van een Gothlandschen prins, neef van koning
Siegfried van Gothland, een jongmensch, dat mogelijk nog eens kans heeft op den
troon van Liparië te komen, en daarom al vast Lipara bezoekt, om de zeden en
gewoonten van het volk te leeren kennen. Walgelijker, afstuitender verhouding,
dan van prinses Vera en prins Edzard, is nooit in eenig menschelijk brein
gerezen, en overtreft alles, wat we tot nog toe bij Couperus hebben gevonden.
Wij vinden Vera het eerst in haar boudoir, verdiept in de
volgende quaestie: 'Hoe zal ik den prins ontvangen? In een robe d'intérieur en
in de Turksche kamer, intiem; of gedécolleteerd en in den kleinen salon Louis
XV...' De moeilijkheid wordt opgelost ten gunste van de Turksche kamer, want dit
appartement, zoo gezellig en weelderig, kon thuis hooren in het serail van een
sultane. - 'Met het licht geelroze zijden behang, tusschen de fijne stijlkrullen
en het treille-werk in mat zilver met helderder opwerkingen, smolt het
ameublement geheel in stijl en nuance samen: een enkel rococo-ornament gaf hier
en daar een relief.... De kroon was niet aangestoken en alleen twee staande
lampen verlichtten het vertrek en hielden de serre in schaduw, waar het zachte
kletteren van den fonteinstraal in het bassin, als muziek, droppelende in één
toon, klonk....' Hier vinden wij dan Vera in afwachting van haar vorstelijken
minnaar, en dezen zien we verschijnen, den prins van Karlskrona 'glimlachend,
aardig, mondain, een viveur, die soms zijn jonge jaren
218
wat forceerde, en gewoon was zich in de frivoolste hofkringen te bewegen.' Wij
zien dit paartje lachen, flirten, gekscheren, en dan beiden, geklommen op een
sofa, de zwarte punten afknippen van een palmboom, zich daarboven uitbreidende,
in een dolle hui, in een fou-rire. 'Zij vond een schaartje slingeren en nu
hadden zij een groot pleizier. Op hunne knieën, beiden op de chaise-longue,
deden zij wat de tuinman vergeten had. Zij hield de groote bladeren, als
uitgestrekte groene handen op, toonde hem de punten en hij fatsoeneerde ze als
nagels, delicaat afknippende de verdorde uiteinden. Het was een eenig amuzement.
De kleine chaise-longue kraakte onder hun beider gekniel, terwijl zij de handen
hieven naar de bladeren. De hoogste kon hij niet bereiken....
- 'Die zal ik knippen,' sprak zij.
Ze wierp hare schoentjes uit, sprong op de chaise-longue en,
hare voetjes in zijden kousen diep drukkende in het geelroze damast, poogde zij
de punten der bladeren naar zich toe te trekken.
- Pas op..... zeide hij, toen zij wankelde.
- Steun me dan.....
Hij hield haar nu vast met beide handen, om haar middel. Zij
stonden er gracieus als een schilderijtje. De twee schoentjes lagen
uitgeslingerd, op den grond.' -
Dit tafreeltje, vrij aardig en onschuldig, zoo we met een
fatsoenlijk geëngageerd paar te doen hadden, is het droevige begin van een lange
liefdes-tragedie, die als een donkere draad door het geheele boek heenloopt. De
verhouding van Vera en Edzard wordt al inniger en inniger, al gemeener en
gemeener, al wulpscher en wulpscher. Zij schudden beiden hoe langer hoe meer
alle menschelijkheid uit, en leven als menschelijke dieren. Het is niet noodig
al de verschillende aanstootelijke scènes uit deze liaison aan te halen, maar
het toppunt van af-
219
schuwelijkheid bereikt het overspel, wanneer de prins en de prinses in de dagen
van den grootsten ernst, als de troon van Liparië wankelt, de revolutie is
uitgebroken, en de hoofdstad in vlammen opgaat, zich opgesloten hebben in het
kroonpaleis, dut sedert tijden een verlaten gebouw was: - 'In de tragedie van
het keizerrijk waren zij daar als kinderen, die verstoppertje spelen. In het
leêge, holle paleis waren de appartementen van den prins als een nestje van
weelde. En geheel alleen, soms bang, soms overmoedig als kinderen, huisden zij
daar. Het was een idée van prins Edzard geweest, eens erg vroolijk te zijn, zich
daar een paar dagen te verstoppen, er stilletjes binnen te smokkelen allerlei
lekkernij, wijn, en dan met hun beidjes, zonder bediening, zonder iemand, feest
te vieren. Het was eenig. Zij amuzeerden zich zeer: buiten, ver af, hoorden zij
schoten, en dan deden zij even quasi angstig, of ze heel bang waren en verborgen
zich achter een gordijn. Dan zoende de prins Vera en zij stond alles toe: wat
kwam het er eigenlijk op aan. Het amuzeerde hem en Vera had haar plannen. Prins
Edzard ook de zijne; liever de hare op dit oogenblik.' -
Vuiler, smeriger, onnatuurlijker, buitensporiger,
onvergefelijker kan het niet; het is den mensch onwaardig, zijn beste
geesteskrachten, ten genoegen van een romanverslindend publiek, te wijden aan
dergelijke onderwerpen, die de verbeelding van duizenden bezoedelen. Waar blijft
uw critiek, o, invloedrijke mannen, die aan de spits onzer letteren staat; uw
oordeel, Mr. van Nouhuijs, die Couperus genoemd hebt, een weldoener van velen;
uw oppositie, Mr. van Hall, die anderen hebt verweten, de werken van Couperus
ziekelijk te noemen; uw verontwaardiging, Dr. Jan ten Brink, die uw leerling
ingeleid hebt bij het volk, als een geniale ver-
220
schijning? O, schandelijk is het, altijd door met niets dan lof, boeken aan te
prijzen, die toestanden schilderen, welke thuis hooren in bordeelen of op de
kamers van lichtekooien, zonder het goede en reine en liefelijke te handhaven
en, als veroordeeling van het slechte, te laten optreden in edele karakters en
reine tooneelen. Het is een schande voor Couperus zelf, als een wulpsche
Tiberius op het eiland Capri, zóó zich op te sluiten in de luchtkasteelen eener
frivole verbeelding. Van ieder nobel boek moet kunnen gezegd worden, wat
geschreven staat van het boek van Samuël: 'Hij schreef het en leide het voor het
aangezicht des Heeren.' Zulks kan niet getuigd worden van werken, waarin
personen voorkomen, als wij in 'Wereldvrede' leerden kennen. Zelfs de reine
oogen van een heidensche godheid als de Apollo der Grieken of de Minerva der
Romeinen zouden er niet met welgevallen op kunnen staren.
'Wereldvrede" is een échec.
Dit oordeel wordt niet alleen herhaald met het oog op de
zedelijkheid, die in het boek beleedigd wordt, maar verder ook op grond van vele
andere gebreken , die het heeft voor de rechtbank der kunst.
De conceptie van het werk deugt niet. 'Wereldvrede'
heet een vervolg op 'Majesteit' en is het feitelijk niet. Wij gevoelen ons in
den roman dan ook zeer langzaam thuis. Had Couperus een vervolg van 'Majesteit'
willen geven, dan had hij den gang van zaken uit het eerste boek onmiddellijk
moeten voortzetten, maar geen kloof van vijf jaren tusschen beiden moeten laten
gapen; of zoo hij, met het doel om Othomar in den tweeden roman te kunnen
verheerlijken, een interim van minstens vijf jaren noodig had voor de inwendige
ontwikkeling van diens persoonlijkheid, zoodat de lunatieke prins tot een keizer
van beteekenis kon opgroeien, dan had de schrijver in
221
een enkel hoofdstuk de geschiedenis der verloopen jaren moeten schilderen,
waardoor wij op de hoogte van toestanden en personen zouden gebleven zijn.
De opzet is foutief.
We staan in 'Wereldvrede' eigenlijk te kijken, als een kat in
een vreemd pakhuis. Wij zijn in een kasteel, dat nog nooit beschreven is, Castel
Xaveria, slechts alleen genoemd in een brief op de laatste bladzijde van
'Majesteit.' Wij zijn aan een golf, de golf van Thracyna, die we nog niet
kennen, en begrijpen niet, als deze er toch altijd geweest is, waarom, in de
onrustige dagen te Altara en te Lipara, de keizerlijke familie daar nooit eens
een luchtje is gaan scheppen. En Othomar zelf, hij is ons letterlijk een
vreemde; hij is zoo ontzettend uit de kluiten geschoten; wij hadden zoo iets
nooit van hem verwacht. Wij kunnen ons bijna niet indenken, dat hij Prof. Barzia
niet meer noodig heeft, om hem den pols te voelen en te suggereeren; wij staan
versteld, dat hij geen douches meer gebruikt; hij is zulk een heel erg
flinke kerel geworden, dat we aan zijn cordaatheid nog maar niet gelooven
willen, en we komen eerst aan het einde van het tweede boek vrij van onze
bevreemding, als we zien, dat Othomar heusch nog dezelfde is gebleven, weer den
doctor, weer suggestie, weer koudwater noodig heeft.
En Oscar, nu ja, hij is dood, - dat weten we, en we
verwachten niet, dat hij uit het graf zal zijn opgestaan; maar wij hadden in
'Wereldvrede' toch wel eens iets over hem willen hooren. De geest van Oscar had
in de historie een rol moeten blijven spelen. Keizerin Elisabeth had moeten
blijven treuren; Othomar had zich steeds met zijn vader moeten vergelijken; het
volk had een monument voor hem moeten oprichten; - dan waren we voldaan geweest.
222
En keizerin Elisabeth, - wij hooren van deze in sommige
opzichten sympathieke keizerin, die in het verleden zulk een grooten invloed
heeft gehad op haar zoon, tot onzen spijt bladzijden lang niets. Eindelijk
vernemen we eerst, dat zij nog bestaat, dat zij jarig is, maar toch ook, op dat
feest wordt de aandacht gevestigd op belangen, die haar volstrekt niet
betreffen. We hadden zoo gaarne nog eens eenige theorieën over den gouden
druppel gehoord. In het kort, zij had de vrouw moeten blijven, die wij kenden.
En dan verder, - waar is prinses Thera? waar koning Siegfried
en koningin Olga van Gothland? Wij krijgen geen bericht van hun dood, maar toch
merken we, dat ze overleden zijn, want kroonprins Gunther en kroonprinses Sophie
treden op met de titels, die hun ouders hebben gedragen. Waar is Herman? Waarom
moet hij zoo plotseling verdrongen worden door Edzard, prins van Karlskrona? Hoe
gaat het met de hertogin van Yéména in het klooster? Waar is Héléne van Thesbia?
Waar zijn de generaals en adjudanten, Ducardi, Dutri, Leoni? Zijn ze allen op
non-activiteit gesteld, gepensionneerd, of in ongenade gevallen? Waarom worden
ze allen of niet, of slechts terloops genoemd, en vervangen door vreemde
personen, waarvan we in 'Majesteit' nooit of bijna niet hebben gehoord, door
Ruxodi, door Wlenzci, door Melena, Vera en Estelle Desvaux? Waarom dit alles,
zoo 'Wereldvrede' is: een voortzetting van 'Majesteit?'
Dit is de aanmerking op 'Wereldvrede' uit het oogpunt der
samenstelling. Had Couperus op het vorstelijk patroon van het eerste werk willen
voortborduren in een tweeden arbeid van dergelijk gehalte, dan had hij beter
gedaan met alle herinnering aan 'Majesteit' af te snijden, en een geheel nieuwen
roman te scheppen, met nieuwe namen en nieuwe intrigues. Het tweede
223
boek wil iets anders zijn, dan het eerste, en doet er toch telkens aan denken,
en als men er aan denkt, rijzen onwillekeurig tal van vragen, in betrekking
daarmede, waarop het geen antwoord geeft. Dat hindert, prikkelt, stoort onze
belangstelling en verveelt.
'Wereldvrede' is een échec.
Tegenstellingen zijn in romans en novellen noodzakeijk. De
choc des opinions is onvermijdelijk, maar sommige contrasten kunnen te
scherp gesteld zijn om het schoonheidsgevoel niet te beleedigen. Zulk een fout
wordt in 'Wereldvrede' aangetroffen. De tegenstelling van een
vredes-congres en een daarop gevolgde revolutie is veel te groot, om
gerechtvaardigd te kunnen worden voor de vierschaar der kunst. Al tracht de
schrijver de daartusschen liggende politieke en sociale gebeurtenissen nog zoo
kunstig samen te vlechten, hij heeft daartoe te veel valsch vernuft noodig. Hij
opereert met niet meer of minder dan een werkstaking in de kwikzilvermijnen, een
crisis in het parlement, den moord van Menadoni, de afkondiging van den staat
van beleg door geheel Liparië, Xara en Thracyna; en, in spijt van deze geweldige
beroeringen, komt de revolutie nog veel te gauw; - zij breekt uit, liefst tien
maanden na het congres van den Vrede! Men krijgt te veel den indruk, dat deze
menschlievende manifestatie meer het gevolg is geweest van een onbekookte
schooljongens-illuzie, dan van een waardig vorsten-ideaal, En, - als Othomar
klaagt, dat geen buitenlandsche vorsten, zelfs niet zijn neef Gunther, door hun
overkomst instemming betuigd hebben met zijn vredes-betooging, - dan vermoeden
we onwillekeurig, dat zij onderling gefluisterd hebben: 'Pueri sunt pueri et
puerilia tractant.'
Ook vinden wij het dwaas, dat het volk, als de vossen van
Simson met fakkels gewapend, trekkend van stad
224
tot stad, en een heel land te vuur en te zwaard verwoestend, te midden van
brandende gebouwen tot Othomar roept, als hij zich vertoont aan de menigte:
'Geef ons den Vrede, den Vrede, den Vrede!' Men kan zulke theaterstukjes niet
lezen af men mompelt in zichzelf: 'Stuff and nonsense.'
'Wereldvrede" is een échec.
Ook het hoogste en machtigste wordt eentonig.
'Majesteit' had ons nu eenmaal van vorstelijke kringen genoeg te genieten
gegeven en 'Wereldvrede' geeft ons des Guten zu viel. Wij hadden in
'Majesteit' reeds den aanslag op keizer Oscar, waarom thans weer den aanslag op
Menadoni? In Majesteit reeds de opening van een parlement, waarom thans weer de
opening van een congres, die er bijna niet van verschilt? In Majesteit reeds een
bom in de anti-chambres van het Imperiaal, waarom thans weer een bom in het
paleis der parlementen? In Majesteit reeds een werkstaking in de
kwikzilvermijnen, waarom thans weer een werkstaking in de kwikzilvermijnen? In
Majesteit reeds een staat van beleg in Lipara, waarom thans weer een staat van
beleg in Lipara? en zoo zouden wij nog lang kunnen doorgaan. Men krijgt zóó
genoeg van al die ceremonies en optochten, dat men, als Pieter Spa, een hoed
over de oogen zou willen trekken, om niet langer te hoeven kijken. Neen! alles
bij elkander genomen is 'Wereldvrede' een dwaze zet van den schrijver geweest,
en een bewijs, dat ook hij zijn krachten kan overschatten; en al heeft
'Wereldvrede' het voordeel, dat Couperus in een lieve stemming, die zelfs in het
voorwoord zich afspiegelt, tot boetedoening voor het revolutionnaire van
'Majesteit,' ditmaal het anarchisme gegeeseld heeft in een karakter als Melena,
en het gezag geïdealiseerd heeft in den persoon van den keizer, het slot-oordeel
blijft het oordeel
225
van Busken Huët over een boek van de Bull: 'Als je nu eens beroerd wilt worden,
eet dan van dien schotel!'
Wij zijn thans gereed met de ontleding van alle werken van
Couperus, en willen ten slotte, nadat wij in het vorige zoo eerlijk mogelijk
hulde gebracht hebben aan het groote talent van den schrijver, in drie kleinere
en drie grootere aanmerkingen, onze bedenkingen samenvatten, die den geheelen
litterarischen arbeid van den schrijver betreffen.
Een opmerking over de taal.
De taal en de stijl van Couperus is over het geheel
buitengewoon zuiver en klankrijk. De zoogenaamde woordkunst bereikt bij hem zulk
een mate van volkomenheid, dat van Deijssel gerust mag verklaren: 'dat hij, na
het lezen er van, op zijn oogen, als op vliezen van gevoeligheid, nog voelde de
hemelsch-vluchtige tintelingen van deze korte, matige, aanzienlijk-hartelijke,
weelderig-gevoelige kunst.' Maar Couperus bezondigt zich te veel aan uitheemsche
woorden. De gallicismen, germanismen en anglicismen zijn voor het grijpen. Het
gaat toch niet aan, om te spreken van nervelooze rhetorica; en als
Byron zingt:
'Prose poets like blank verse. I'm fond of rhyme;
Good workmen
never quarrel with their tools', -
dan heeft Couperus nog niet het recht, om te spreken van een klacht in
blank-verzen; en als er, geleidelijkerwijze, tal van Fransche woorden in
het Hollandsch overgegaan zijn, als amuzeeren, coquetteeren, soupeeren, enz., -
dan mag Couperus het Fransche surrogaat nog maar niet eigenwillig en onnoodig
vermeerderen met een nieuw aangevoerde hoeveelheid. Purist te zijn mag dwaas
wezen, maar even onzinnig is het, om te spreken van pro-eminente
voorhoofden van goden, en gecambreerde, ja zelfs van
gecaparaçonneerde
koppen van
226
paarden, van gesublimiseerde en gedéconcerteerde gevoelens,
van gecrispeerde
stemmen en navrante smarten, van inieke gedragingen en
bilaterale
contracten, van geëmbrouilleerde kleuren en
elaborate-mozaïek-vloeren, van gebaleineerde Tailor-made-corsages
en zware manteaux de cour, van pli-Watteau's
en écharpes van rose gaze de lys, van fragile gestellen en ra-terre
Madonna's, van gommeux en viveurs, van paravent's
en gefluteerde
zuilen, van tel-quel opgerakelde quaesties en sous-cachet
meegedeelde verlovingen, en verder van pavaneeren, lanceeren,
blazonneeren,
émotionneeren, affineeren, enz., - honderd voor één. We zouden
den schrijver de dichtregelen uit een bekend kinder-leesboek willen toeroepen:
'Hebt gij een
vaderland, zoo kleef niet aan een ander;
Wees Gal noch Brit, wees
Nederlander!'
Als het waar is, dat men met zes honderd woorden in een
vreemde taal behoorlijk zijn gedachten kan uitdrukken, dan zou er kans bestaan,
om, gewapend met het Hollandsch van Couperus, zich in Frankrijk te redden. In de
provincie hoort men wel eens het spreekwoord: 'Het is een weertje, dat uit den
Haag komt', maar van de taal van Couperus kan men wel zeggen : 'Het is een
taaltje, dat uit den Haag komt!'
Gelijk de romans zelve soms overspannen zijn, zijn sommige
uitdrukkingen grappig overdreven. Verbeelde men zich soldaten, die midden in den
zomer op een snikheeten dag onder de brandende zon van een denkbeeldig Italië
schijnen te loopen in den damp van hen adem, en een couranten-omroeper,
die schijnt te drijven op de rhythme van zijn stem; verbeelde men
zich zeeën van kerken, die koepelen, en vluchten van trappen, die
klimmen, maar dergelijke twijfelachtige schoonheden buiten rekening
gelaten, is de taal bewonderenswaardig.
227
Een tweede opmerking geldt het gebrek aan vroolijkheid en
humor.
Couperus schrijft boeiend, maar laat een groote menschelijke
behoefte onbevredigd, de behoefte aan een ronden gullen lach. Bladzijde na
bladzijde kan men lezen, maar welk litterarisch genot men er bij smake, niet dat
der geestigheid. Die göttliche Narrheit ontbreekt. Zóó somber is de
maatschappij niet, als Couperus haar teekent. Rembrandt heeft nooit een glimlach
op iemands gelaat geschilderd, en zijn omstandigheden brachten het mede; maar
waarom kan een wereldsch auteur als Couperus, in het museum van zijn
schilderijen niet hier en dáár een Jan Steentje of een
schetsje van Teniers aanbrengen? Wij snakken, soms naar een echte pots of een
kapitalen mop.
In 'Eline Vere' komt nu en dan een aardige bladzijde voor,
waarbij Ostade gelachen en Codde geschaterd zou hebben. De geestige rol is
opgedragen in het eerste deel aan Etienne, die, op een partij bij Betsy van
Raat, in een gesprek over dieren-gelijkenissen hij menschen, beweert: (Deel I,
pag. 158.)
'- O, jij en Ange zijn net twee kleine puckjes,
roaff! roaff! Freule de Woude met haar onderkin is een kalkoen. Juffrouw
Frantzen is ook een kalkoen, in een ander genre. Willem, onze knecht, is een
deftige ooievaar en Dien, de keukenmeid van de Verstraetens, een kaketoe.'
Dezelfde rol van clown is, in het tweede deel, geschonken aan
Paul, die, op een receptie en een bal bij de Verstraetens, de meisjes nog al
grappig brutaal het hof maakt, en dan bij zich zelf de volgende philosophie
houdt: (Deel II, pag. 79.)
'En terwijl hij in de schemering
voortliep, groot en flink, met
228
zijn breede borst en zijn breede schouders, het
hoofd in den nek, en iets voor-den-gek-houdends in zijn lachende oogen en om
zijn pedant omgekrulden mond, bedacht hij, met een inwendig genot, dat het toch
wel lastig was rijk te zijn. Die verlangde, dat je je geld rondom je heen zoû
strooien, en die, dat je er op ging zitten. Toch maakte wel iedereen je het hof,
vooral de mama's van huwbare dochters: zooals mevrouw Eekhof, die hem met alle
geweld scheen te willen lijmen aan Ange of Léonie, of mevrouw Oudendijk, die hem
minstens ééns per week inviteerde en hem zooveel mogelijk met Françoise alleen
liet, terwijl nu, dat Cateautje op jaren kwam, mevrouw Van der Stoor ook moeite
ging doen. En dan nog andere mama's met meisjes, die en die, en die....
Hij liet ze allen in gedachten voorbij trekken, als een
processie van bejaarde dames, die, glimlachend en buigend, hem hare quasi zedig
blozende dochters voorstelden, als ware hij een Pacha, die er een harem op na
ging houden en maar voor het nemen had. Zoo loerden ze om hem te vangen, allen
tuk op een ton of wat. Hij had zijn hand maar uit te strekken en hij zoû er tien
aan elken vinger hebben. Ja, ja, het was wel lastig rijk te zijn!'
In 'Majesteit' krijgen we door Dutri nog te hooren van een
geestigen abt, die in Altara moet gewoond hebben, maar van de geestigheid zelve
merken we niets, en voorts de geheele Couperus-litteratuur bij elkaar genomen,
zij is een hemel van somberheid en wolken, en wij missen er den bliksemschicht
van den humor, geschoten uit den koker van een Sterne of een Fritz Reuter.
Schiller heeft gezegd: 'Krieg führt der Witz auf ewig mit dem Schönen', maar,
wat ons betreft, hadden geest en schoonheid in de romans van Couperus minder
oorlog met elkander gevoerd, het geheel zou er niet onder geleden hebben.
Een bezwaar tegen de herhaling van onderwerpen en
tafreelen.
229
Couperus vervalt, naar onze meening, dikwijls in de fout, van
op hetzelfde stokpaard te rijden. Lees de boeken van Eliot, van Walter Scott,
van Zola; - deze auteurs hebben blijkbaar, vóór zich aan het schrijven te
zetten, telkens nieuwe deelen en onderdeelen, òf van het godsdienstige, òf van
het historische, òf van het maatschappelijke leven, wetenschappelijk bestudeerd,
en zijn dáárna aan het schrijven getogen, hierdoor het gevaar vermijdende van
langdradig en eentonig te worden.
Couperus heeft tot heden slechts twee rotsen tot zijn roem
opgeworpen, in 'Eline Vere' en 'Majesteit', door diepen stroom van gedachten
gescheiden, gelijk de rotsen Abila en Calpe door de straat van Gibraltar; maar
al de andere werken zijn zwakke herhalingen van deze twee monumentale
scheppingen. Het zijn altijd dezelfde tobbers en stakkerts, die peinzen en
mijmeren. Het zijn altijd dezelfde typen van bon-vivant's
en artisten, ziekelijke gestellen en karakters, die Dr. Reijer's en Prof.
Barzia's noodig hebben; en hoeveel dames een robe d'intérieur aan
hebben, weten we niet; en, - hoeveel hersenen lucide worden, als waren
alle cellen geslepen tot kristallen facetten, kunnen we niet bij houden;
en, - hoeveel vlammetjes telkens den haard lekken, als tongetjes van
heraldische leeuwen, is ons ontschoten.
Genoeg! van een dominee lazen we eens, in welk verband doet
hier niet te zake:
'Er sprach so salbungsvoll langweilig,
So orthodox, so ganz verdorrt, -
Mir
trockneten die Tränen eilig,
Und pfeifend zog ich weiter fort.'
maar al is de Heer Couperus niet orthodox, wanneer hij voortaan bij gestadige
vermeerdering van pennevruchten niet vooraf zijn onderwerp nauwkeurig
bestudeert, dan
230
zullen we dit versje moeten herhalen, met het oog op hem met een kleine variant:
'Er schreibt so salbungslos langweilig,
So atheïstisch und verdorrt,-
Wir trocknen
unsre Tränen eilig,
Und ziehen lustig weiter fort.'
Een bezwaar tegen Couperus uit godsdienstig oogpunt.
Wij weten uit de 'Reis-Impressie's', dat de schrijver een
scepticus is, die met alle positief geloof heeft gebroken; maar in de romans
leeren wij hem kennen, als een profaan artist. Het is een schande, zooals hij
met het geloof omspringt. Van Loenen Martinet zegt: 'De flauwste herinnering aan
godsdienst is uit de werken van Couperus verbannen.' - Ja erger, hij slaat de
vroomheid telkens en telkens in het aangezicht, gelijk de knecht van den
Hoogepriester, Christus zelf in het aangezicht heeft geslagen.
Vooreerst scheert hij Protestantisme, Catholicisme en
Boedhisme over één kam. Hij gebruikt uit deze godsdienstige verschijnselen
telkens, zonder eenigen schroom, die voorstellingen, die hij op een bepaald
oogenblik, uit aesthetisch oogpunt, noodig heeft. O! dat hatelijk gelijkstellen
van Christus met andere zoogenaamde profeten, die op aarde zijn opgetreden!
'Christus, gesteld voor de vierschaar der heidenen', luidde verleden jaar een
beschouwing in de 'Stemmen', naar aanleiding van het Parlement der Godsdiensten
in Chicago, en wij vinden deze vierschaar in de romans van Couperus terug. Wij,
geloovigen, kunnen en mogen die beleediging niet verdragen, wanneer wij denken
aan Christus' weemoedige vraag aan Zijn discipelen: 'Wie zeggen de menschen, dat
Ik ben?' en aan Zijn bevestigend getuigenis, bij de verklaring van Petrus: 'Gij
zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods!' En dan, -
231
dat hatelijk plunderen van de schatten des geloofs, ter verheerlijking van de
kunst; dat stelen van gemoedsaandoeningen, die alleen een godvruchtige
gerechtigd is in aanbidding te ervaren; dat in twijfel en ongeloof artistiek
bewerken van de heiligste tooneelen, die daar ooit op aarde geopenbaard zijn
geworden, - wij vinden het terug bij alle mogelijke kunstenaars, bij musici en
schrijvers en schilders, in Bayreuth, en Ober-Ammergau, maar wij mogen het
nergens en van niemand goedkeuren en moeten het ook in Couperus veroordeelen.
Maar deze gaat verder. Hij stelt het geloof niet op zijn objectieve waarde,
afgezien van zijn persoonlijke overtuiging. Hij laat het geloof alleen
vertegenwoordigen door oude dames, ziekelijke freules en onkundige boeren.
Mevrouw Van Raat, in haar moeheid van het leven, keizerin Elisabeth, in haar
angst voor de toekomst, freule Eekhof, in haar philanthropische bevliegingen,
Eline Vere, in haar hysterische aanvallen, Cecile van Even, als weduwe, Othomar,
als neurasthicus, - zij bidden en praten van tijd tot tijd met eerbied over God,
en Alexa, de courtisane, denkt aan het einde van haar overspelig leven aan de
toevlucht in een klooster. Ten slotte de boeren, - bij Couperus zijn alle boeren
vroom, maar verstandige beschaafde menschen gaan op Zondagmorgen onder een boom
liggen en rooken sigaren. Zij prijzen de politiek van Jan Rap, zoo geestig door
de Génestet voor den mal gehouden:
'Jan is niet kerksch; dat spreekt van zelf,
Hij denkt zoo heel verheven:
'Zijn tempel
is het blauw gewelf,
'Zijn godsdienst is - zijn leven!'
Zoek hem in
't Zondagsmorgenuur
Niet bij de vrome scharen!
Hij, wel zoo
goed, in Gods natuur,
Houdt kerk en - rookt sigaren!'
232
Wij kunnen echter niet, als de Génestet, slechts geestig
hekelen, maar worden diep verontwaardigd, als wij die anders zoo aantrekkelijke
familie van Erlevoort op Zondagmorgen naar den dikken boom zien gaan, op het
oogenblik, dat de dienst in het landelijk kerkje zal beginnen. ('Eline Vere',
Deel I, pag. 213.)
'De kerk ging aan. Eenige boeren en boerinnen, glimmende in
Zondagsch laken en zijden schorten, liepen, het kerkboek in de hand, op den
dorpsweg en Eline en Otto volgdon hen met de oogen na, zelven ternauwernood
zichtbaar achter de dichte stammen. De verspreide kerkgangers waren weinig in
getal...... nog enkelen, die zich verlaat hadden, spoedden zich en alles was
stil onder den adem van eene landelijke Zondagsrust.' - Theodoor van Erlevoort,
de landheer en zijn kinderen, Cor, Marianne, Henriëtte, en zijn broers Etienne
en Otto, en zijn zuster Frédérique, en zijn aanstaande schoonzuster Eline, zij
lachten door het bosch en stoeiden in het gras en speelden krijgertje; en
intusschen hoorden zij 'het psalmgezang der boeren uit de kerk dringen, als een
zachten , breeden galm, van eenvoudige vroomheid, en in hunne stemming scheen
hun dit onkunstige gezang vol van een poëzie toe, die zich vermengde met de
poëzie der donkere tinten van het loover, met den geur der dennenaalden, met de
liefde in hun hart.' Wij haten Couperus op oogenblikken, als hij dergelijke
tafreelen beschrijft, en kiezen tegen den schrijver, dien we, op grond van al
het aangevoerde, het recht hebben te verdenken van sympathie met die stoeiende
bende, en tegen de geheele familie van Erlevoort, partij vóór die domme boeren,
en scharen ons gaarne aan hunne zijde. De godsvrucht wordt hier mishandeld. Wij
weten, dat onder het vaandel der vroomheid zich niet alleen de dommen plaatsen,
maar ook tal van verstandigen en geleerden. Wij zelf hebben,
233
in onze vorige gemeente, een familie van Erlevoort gekend, een adellijke
landvrouwe en kinderen en kleinkinderen, even aantrekkelijk, als zij, die in den
roman beschreven worden, even aanzienlijk, even huiselijk, even ontwikkeld, maar
wij verzekeren den Heer Couperus, dat deze familie des Zondagsmorgens niet in
het bosch onder de boomen ging liggen, maar den boeren zelfs een voorbeeld gaf
van eerbied voor Gods huis, en wij zijn er van overtuigd, dat zoo hij daar ooit
te logeeren ware geweest, hij waarschijnlijk meê naar de kerk zou zijn genomen.
Couperus erkent het recht van den godsdienst in den zelfden zin, als waarin de
Romeinen uit de dagen van Cicero de instellingen van Pontifices en Augures
eerbiedigden en de ongeloovigen van den tegenwoordigen tijd het herstel van de
Katholieke kerk begeeren, n.l. om een instituut te hebben, dat een zekere
wijding geeft aan menschelijke handelingen en volks-hartstochten in toom houdt,
zonder eenige wezenlijke waarde te hebben tegenover een Alomtegenwoordigen God.
Hij wil den godsdienst, als vorm bij het huwelijk van Georges en Lili, van
Othomar en Valérie, als ceremonie bij den dood van Berengar en keizer Oscar.
Couperus laat het hier echter niet bij, maar spot en lacht zelfs, met dat, wat
door millioenen nog voor heilig wordt gehouden. Hij laat, gelijk wij gezien
hebben, de dichteres Tila de sonnetten maken: 'Jezus van Nazareth', waarbij haar
minnaar in bewondering zijn profanieën uitspreekt. Hij laat Quaerts, het
verloopen sujet, het knaapje van Cecile onnoodig betitelen 'le petit Jésus.' Hij
mag een enkele maal spreken van de zachte Christus-leere, maar kan toch hij zijn
laatsten roman 'Wereldvrede' niet eindigen, of Xaverius, die kleine dreumes van
vijf jaar, wordt alweer genoemd 'een heilig kind, de kleine Zaligmaker.'
Wij, die Christus lief hebben en door Hem een Heiligen,
234
Almachtigen en Liefderijken Vader in den Hemel hebben leeren kennen, wij ergeren
ons met velen aan de lasteringen, waarvan Couperus' werken vol zijn.
Hij mag het met Prof. Allard Pierson eens zijn, dat 'sinds
Galileï van de aarde heeft gezegd: 'eppur si muove', voor onze
verbeelding alles draait, de zon, de maan, de sterren, de hel, de hemel,
Christus en God', maar wij zijn nog niet van plan om zijn
scepticisme te beschouwen, als de spil, waarom de wereld draait, en kunnen niet
anders dan waarschuwen voor zijn invloed.
Een bezwaar tegen Couperus uit wijsgeerig oogpunt.
Couperus heeft zijn geloofsbelijdenis aan den kapstok gehangen en is op zijn
manier philosoof geworden, de philosoof van het fatalisme.
Deze wijsbegeerte, in Indië bij Brahmanen en Boedhisten, in
de oudheid bij Stoïcijnen en Epicuristen algemeen aangenomen, een tijd lang door
het Christendom overvleugeld, door Spinoza helaas weer opgewarmd, is in deze
eeuw, door het driemanschap van Schopenhauer, Hartmann en Büchner, gemeen-goed
geworden van de gedachtelooze meerderheid der beschaafden en a priori
het standpunt van den eersten den besten boekenschrijver. Couperus staat op dit
standpunt. Hij huldigt de leer van het noodlot. Niemand kan zich een denkbeeld
maken, hoezeer de gedachte der fataliteit de pensée-maitresse
van den schrijver is, of hij moet, evenals wij, eenigen tijd achter elkander
geregeld studie van diens werken gemaakt hebben. Wij gelooven, dat de Heer
Couperus zelf verbaasd zou staan, als hij eens al de noodlotstheorieën achter
elkander zag uitgeschreven, die in zijn verschillende werken hem mogelijk
onopzettelijk uit de pen zijn gevloeid. De auteur is letterlijk doordrongen van
deze afschuwelijke leer, erger dan Napoleon en de Lesseps. Het boek 'Noodlot' is
de wolf, die in een
235
kwaad gerucht staat, en terecht! Het fatalisme wordt daar wijsgeerig beredeneerd
en uitgesponnen, als in geen der andere werken. Wij hebben dit reeds vroeger met
een enkel woord aangetoond, maar zijn verplicht nog een enkele bladzijde aan te
halen, die ons de overweging van den fatalist geeft: vóór de misdaad, ná de
misdaad, en bij de ontdekking van de misdaad.
Vóór de misdaad: ('Noodlot,' pag. 51.)
'Het rees daar vast voor zijn
blik, dat voornemen, ijzig en streng, een boos beeld van satanische slechtheid
gelijk, dat raadselachtig voor hem staan bleef. En het zag hem aan met oogen als
van eene sibylle, als van een sfinx, en, rondom de reusachtige boosheid van het
beeld, zonken zijne vorige overmijmeringen weg in een afgrond: de doodendans der
jaren, de aaneenschakeling der noodlottigheden en zijne vervloekingen tegen dat
alles.... Het verzonk en alleen het beeld bleef, als een spook, bijna tastbaar
en bijna zichtbaar opdoemend tegen den zwijmenden gloed van het stervende vuur
in de duisterende kamer. En de somber vragende blik van het beeld hypnotizeerde
hem en zijn instinct sluimerde onder het verpletterende gewicht er van in....
Vriendschap? Dankbaarheid? Woorden!
Er was niets, niets dan conventie en..... armoede. En dan -
was er dat beeld, dáar, vóor het vuur, vóór zijne vergroote, starre pupillen,
versteend tot een opdoemsel van zwijgend, aanstarend en helsch magnetisme.'
Ná de misdaad: ('Noodlot,' pag. 113.)
'Ook Bertie ademde thans in zulk
eene vreemde atmosfeer van kalmte. Zeer verwonderde hij zich over wat er gebeurd
was. Hoe eenvoudig en gemakkelijk was het gegaan. Hij? Neen, hij had niets
bewerkt, niets kunnen bewerken: alles was het een uit het ander voortgesproten:
het had zoo moeten
zijn.'
Bij de ontdekking van de misdaad: ('Noodlot,' pag. 176.)
' - En je was zoo goed voor me,
je gaf me alles, ik zag er
236
tegen op, weêr te zwoegen met het leven; ik had het
zoo heerlijk bij je. Frank, Frank, hoor naar me, laat me even uitspreken, voor
je iets zegt, voor je boos wordt: laat het me je verklaren, veroordeel me niet,
voor je weet.... O God, het was gemeen van me, dat ik dat alles deed, maar laat
het me je nu eerst zeggen en word er nog niet boos om, Frank, vóór dat je alles
weet, àlles.... Frank, zie me zooals ik ben, ik ben zooals ik ben, ik kan het
niet helpen, dat ik zoo ben, ik zoû gaarne anders willen zijn.... En ik heb
gehandeld, zooals ik handelen moest, ik kon er niets aan doen, ik werd er toe
gedwongen, door machten buiten me.'
'Noodlot' is door de beschouwingen, die wij hebben
aangehaald, zeldzaam gevaarlijk, vooral voor jonge menschen met een zwak
karakter, maar dezelfde leer, die wij in dit boek veroordeelen, komt, maar meer
verborgen, terug in al de andere romans. Wij hebben, de verschillende
geschriften doorlezende, zonder aanspraak te maken op de nauwkeurigheid van een
Trommius, met een kruisje aangeteekend, al de plaatsen waar wij
noodlots-philosophieën vonden, en hebben zoo meer dan vijftig bladzijden
aangetroffen, waar wij de gevaarlijke leerstellingen beredeneerd zagen. Couperus
spreekt van noodlot, noodlottig, noodlottigheden, noodlots-machten,
noodlots-raderen, noodlots-schalmen en noodlots-schakels, van fatum, van fataal,
fataliteit, fatalist en fatalisme, van gunstig noodlot en ongunstig noodlot, van
noodlottige kinderen en noodlottige ouders, van noodlottige geboorte en
noodlottigen dood. Alle hoofdpersonen in de romans zijn deze booze ketterij
toegedaan. Omdat de oogen van vele onnadenkende lezers voor deze verleidelijke
lectuur geopend moeten worden, teekenen wij de bladzijden aan, waar wij de
voornaamste
fatalistische beschouwingen aantroffen.
'Noodlot': pag. 51, 113, 125, 151, 154, 178 en 202.
237
'Eline Vere': deel I, pag. 51, 99, 156, 169, 232.
deel 11, pag. 16, 184, 204, 209.
'Epiloog': 'Eigen Haard", jaarg. 1892. pag. 420.
'Eene llluzie': pag. 42.
'Verlangen': Zie 'Eene llluzie', pag. 111.
'Extaze': 'Gids', Jan. 1892, pag. 51.
'Majesteit': 'Gids', Oct. 1893, pag. 44, 50.
'Gids', Nov. 1893, pag. 192.
'Gids', Dec. 1893, pag. 379, 385, 445.
'Wereldvrede': 'Gids', Aug. 1895, pag. 233, 237, 239, 246,
272.
'Gids', Sept. 1895, pag. 407, 429, 438, 444.
Op al deze genoemde plaatsen werden wij weemoedig gestemd
door een griezelig scepticisme, een wanhopige onmachts-leer, een verderfelijk
pessimisme, een ontzenuwend fatalisme, dat alle schuld en zonde wegredeneert,
door de almacht der causaliteits-wetten in het licht te stellen. Nu weten we
wel, dat Couperus niet slechter is dan Strindberg, Nietzsche, Ibsen en Whitman,
schrijvers, verheerlijkt door heel Europa, ja door het grootste deel der
beschaafde menschheid, maar even slecht en even verderfelijk is hij, als zij
allen.
De mensch is nu eenmaal op aarde en streeft naar het hoogste
geluk, grijpt aan, bewondert, vergoodt, wat dit geluk bevordert, en stoot af,
werpt uit, verguist, wat dit geluk weerstaat. Deze wet loopt heen door de
gansche historie der menschheid, en is het geheim van den bangen strijd om het
bestaan. De overheid heeft de plicht om het algemeen welzijn te bevorderen, en
daarom, - gesteld eens, dat de theorie van het fatalisme bleek waar te zijn, -
dan zou de Staat, die moet zorgen voor de gezondheid der burgers en moerassen
laat dempen, die het algemeen belang laat zegevieren over het persoonlijke
belang en
238
gronden durft onteigenen, die voor de intellectueele ontwikkeling van het volk
zorg moet dragen en scholen laat bouwen, dan zou diezelfde Staat, reeds alleen
uit het oogpunt van zelfbehoud, verplicht zijn, om, gelijk de Duitsche keizer
wil, door de censuur boeken als die van Couperus van alle leestafels te weren.
Het leven is over het geheel reeds smartelijk genoeg, maar fatalistische
beschouwingen zijn in staat, om alle draagkracht te ondermijnen.
Maar hoe geheel anders wordt de quaestie, wanneer men niet
twijfelt, maar wanneer men gelooft. Wanneer men met een Jozaja gelooft aan een
God, 'die daar troont boven den kloot der aarde, die de hemelen uitspant, als
een dunnen doek, en ze uitbreidt als een tent, om te bewonen; die de vorsten te
niet maakt, de richters der aarde tot ijdelheid. Ja, zij worden niet geplant,
ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde;
als Hij op hen blazen zal, zoo zullen zij verdorren en een stormwind zal hen als
een stoppel wegnemen.' Wanneer men met een Amos gelooft aan een God, 'die de
bergen formeert, die den wind schept, die den mensch bekend maakt, wat zijne
gedachten zijn, die den dageraad duisternis maakt, die op de hoogten der aarde
treedt, Heere, God der heirscharen is Zijn naam'; wanneer men gelooft, dat
Christus in naam van den Vader heeft mogen verklaren: 'Zijt niet bezorgd voor uw
leven, wat gij eten en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij
U kleeden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de
kleeding? Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch
verzamelen in de schuren, en uw Hemelsche Vader voedt nochtans dezelve. Aanmerkt
de leliën des velds, hoe zij wassen: zij arbeiden niet en spinnen niet. En ik
zeg u, dat ook Salomo, in al zijne heerlijkheid,
239
niet is bekleed geweest, als een van dezen. Daarom zijt niet bezorgd, zeggende:
"Wat zullen wij eten? of wat zullen wij drinken? of waarmede zullen wij ons
kleeden?" Want uw Hemelsche Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.' Wie dit
gelooft, en zich in het gezelschap weet van de edelsten en besten van het
menschelijk geslacht in vroegere eeuwen, en van corypheeën der wetenschap, nog
levend of sinds kort overleden, maar allen hoorende tot den tegenwoordigen tijd,
van mannen als Stahl, Pasteur, Virchow, Tolstoï, Gladstone, Tennyson, Sayce, Max
Müller, Delitzsch en Harnack, en, om ten laatste nog één naam te noemen, van een
Lord Salisbury, die verleden jaar, ten aanhoore van de grootste autoriteiten op
wetenschappelijk gebied, op grond van hunne tegenstrijdige beweringen, in de
vergadering van de 'British Association for the Advancement of Science,' te
Oxford gehouden, tegen alle évolutie-theorieën in, het standpunt des geloofs
heeft verdedigd, - wie zich in het gezelschap weet van zulke namen, kan de
materialistische fatum-litteratuur van een dilettant-geleerde als Couperus niet
verdragen, en is geroepen, er tegen te getuigen.
Een laatste bezwaar tegen Couperus uit het oogpunt der
zedelijkheid.
De romans van Couperus zijn gemeen. Een ontwikkeld man, niet
van orthodoxe richting, wien wij onlangs 'Noodlot' ter lezing hadden gegeven,
antwoordde op onze vraag naar zijn oordeel: 'Twee verloopen kerels zijn me geen
artistieke beschouwing waard, van ruim twee honderd bladzijden druks.' Twee
verloopen kerels; het krioelt, het wemelt van dergelijke exemplaren in de werken
van den schrijver. Wie tot een bepaald oogenblik toe aan eene betrekkelijke
onschuld in de maatschappij heeft geloofd, kan hier letterwijs gemaakt worden.
Zonder Otto uit en de familie van Erlevoort, dan kan
240
men gerust zeggen, dat de rest der opgevoerde personen allen aan den draai zijn
geweest.
Vincent, St. Clare, Quaerts, Bertie, Oscar, Dutri, Edzard,
zijn de grootste vuilpoetsen; máár dan Henk, de man van Betsy, en Henk, de
aanstaande van Eve, maar Paul, máár Etienne, máár oom Daniël Vere, máár Marinus
en Hugo, máár Care! Armand, máár Othomar, máár Prins Leopold ven Lohe Obkowitz,
- het zijn me lieve jongens! Keizer of minister, student of lid van de kamer,
artist of adjudant, zij deugen geen van allen. Zij rooken lotus d'Egypte,
drinken anisette en gaan er van door met juffers, die een cherry-ripehoed
op hebben, en naar musc rieken.
En dan de dames ! De beruchtste typen zijn zeker de hertogin
van Yémena en de prinses Vera; máár dan Estelle Desvaux, máár dan Ninette, máár
dan Eline, máár dan Cecile, máár dan Mevrouw Heijdrecht, máár dan Tante Daniël
Vere, - deze zijn ook, om cadeau te geven! Al deze dames lichten het zevende
gebod het voetje en zijn aan geen trouwhartigen bruidegom te recommandeeren.
Afschuwelijk en walgelijk zijn de verhoudingen, waarin al deze schepseltjes
optreden. En nu mag Van Eeden zeggen, gelijk hij in zijn anders voortreffelijke
'Studies' zegt, naar aanleiding van een 'Onzedelijk Boek' van Van Deijssel
('Studies,' 1ste reeks, pag. 44.):
'Past maar op, gij met uw effen
gezichten, gij met uw gewichtig zwijgende monden, gij van-den
prins-geen-kwaad-wetende koeranten, - houdt u maar niet zoo onnoozel! Doet maar
niet alsof gij mij niet begrijpt! - Kijkt maar niet neuriënd met een distrait
wenkbrauwgefrons in de lucht! - Ik heb het wel gemerkt. - Ik ben nog met geen
uwer eenige minuten in conversatie geweest - of het kwam los, na een aanloopje
over het weer: "he! apropos! - heb je dat ding van Van Deyssel gelezen?" -
241
Vol, tot uw halsboordje vol zijt
ge er van. Diep, diep hebben al die fatsoenlijke neuzen, eerwaarde, doctorale,
professorale, docenten-neuzen, journalisten-neuzen in dat gemeene boek gezeten,
- en nog zie ik aan uw roode oortjes de pret die gij gehad hebt.
Nu ja, - wij weten dat allen tóch wel, en als ge u er voor
geneert behoeft ge het niet te zeggen. Als gij het boek stilletjes uitleest en
maar zwijgend wegbergt, zult gij zelfs een beter figuur slaan, dan wanneer gij u
onderling aftobt om elkander uw verdachte verontwaardiging in banale termen
duidelijk te maken.
Ook als gij maar wat minder conventioneel waart, minder vaag,
wat precieser en eenvoudiger wist te praten - ge zoudt schrikken van uw
vergissingen. Het zou blijken, dat wat gij gewoonlijk uw schoonheidsgevoel
noemt, door Van Deyssel's boek juist plezierig gekitteld werd.'
Wat Van Eeden zegt is volkomen waar. Aanstootetijke
geschiedenissen hebben en houden steeds voor iedereen een eigenaardige bekoring,
maar gelijk Van Eeden ten slotte Van Deijssel veroordeelt en zegt te haten, even
als hij Zola haat, 'omdat hij den langen, leelijken stengel van het
geslachtsleven, die als een waterlelie zoo heerlijk rein bloeit aan de lichte
oppervlakte zijner ziel, optrekt uit de donkere onbewustheid van zijn wezen'; -
zoo mogen wij, op dezelfde gronden, Couperus verwerpelijk achten uit het oogpunt
der moraliteit, omdat hij spéculeert op de natuurlijke hartstochten, in iederen
mensch aanwezig, die liever door reine verhalen in bedwang gehouden, dan door
gemeene tooneelen wakker geroepen moeten worden.
Wij werden in dit oordeel bevestigd door een gesprek, dat wij
dezer dagen hadden met een medicus van naam, die over de moraliteits-quaestie
der groote steden uitstekend kan oordeelen. De meening van deze specialiteit
242
over de zedelijkheid der hoogere standen was hoogst ongunstig. Hij verklaarde
ons, zóóvele huwelijken te kennen, waar, onder het masker van weelde en
distinctie, het buitensporig en onnatuurlijk zinnenleven het physiek en moreel
geluk allertreurigst had verwoest, dat hij er over dacht, in een
wetenschappelijk werk eens een waarschuwende stem te laten hooren. Hij prees het
volk gelukkig, dat er ruw, maar natuurlijk, op los heeft. Hij verzekerde, dat,
in tallooze gevallen, de beschaafde vrouw wordt behandeld beneden hare
waardigheid, en zich, onder den invloed der gangbare meening, als zoodanig laat
behandelen. Men jaagt in de élégante wereld naar genot, zonder verplichtingen,
naar pleizier, zonder gevolgen. De liefde wordt uitsluitend beschouwd als een
zaak van genoegen. - Onder den indruk van dit gesprek, waarin de geleerde, wiens
woorden ik aanhaalde, medelijden scheen te hebben, met het treurig lot, dat in
het huwelijk vele jonge, beschaafde vrouwen boven het hoofd hangt, wagen wij
het, in de letterkundige wereld alvast te strijden tegen alle boeken, waar de
bovengenoemde beschouwingen in gehuldigd worden. Al de romans nu van Couperus
ademen een wilde, weelderige, onnatuurlijke sensualiteit. Het avontuur, de
passie, het genoegen van het oogenblik gaan boven trouw, reinheid en doel des
levens. Vele lezers, met nog ongevormd karakter, krijgen, door dergelijke
lectuur, opvattingen omtrent moraliteit, die onvermijdelijk nadeeligen invloed
moeten oefenen.
Couperus mag, van zijn kant, zeggen: 'Ik ben niet verplicht
een ideale wereld te teekenen; ik neem de maatschappij zooals ze is, met al de
wanverhoudingen en ongerechtigheden, die ik heb aanschouwd; ik schilder, wat ik
zie; ik leef in den Haag, ik ben geweest in Londen en Parijs, en verlang niets,
dan de realiteit weer
243
te geven, gezien door den caleidoscoop van mijn, op kunst aangelegd, brein, en
meen nut te doen door de openbaarmaking van schandalen en de ontleding van den
treurigen toestand der meeste gemoederen; ik sta zelf moreel hoog en meen
zóódoende mijn roeping te vervullen.' - Wanneer Couperus eens dus mocht spreken,
dan rijzen er van onze zijde tal van bezwaren. Wij willen aannemen, dat hij zelf
als mensch een zedelijk leven leidt; wij hebben slechts met den
auteur te maken en dan zouden wij in naam der kunst tot hem willen zeggen:
Den Haag mag een gedémoraliseerde luxe-plaats zijn , - wij zelf kennen den Haag
niet, - Londen en Parijs mogen gemeene liederlijke schurken herbergen, - wij
zijn er a priori van overtuigd, - voelt gij u geroepen al dit kwaad aan
de kaak te stellen, uitnemend! treed als boetprofeet op en schrijf brochure op
brochure, gelijk Stead eenmaal voor Engeland in de Pall Mall Gazette
gedaan heeft. Maar houd deze onderwerpen buiten de kunst, behandel ze in geen
romans, waar ze, gekleed in artistiek gewaad, onwillekeurig veranderen in
vergiftige bloemen, die velen bedwelmen door heur geur; zamel uzelf geen roem,
door te wroeten in de ingewanden van onze samenleving en ondeugden aan het licht
te brengen, waarvan velen beter doen geen kennis te nemen. Door het lezen van al
uw werken komt menig jong hart onder den indruk, dat men niet anders dan slecht
kan
zijn. De kunst heeft een ideale roeping te vervullen; zij moet de groote
troosteresse blijven, naast den godsdienst; zij mag niet anders, dan hare
beschouwingen eindigen met een blik naar boven. Denk aan Aeschylus' trilogie:
'Prometheus de vuur-aan-brenger, Prometheus de gebondene, Prometheus de
bevrijde,' denk aan Dante's 'Divina Comedia': 'de Hel, het Vagevuur en de
Hemel,' denk aan den 'Faust' van Goethe : 'Faust gevallen, Faust zich
244
reinigend door den arbeid, Faust omhoog starende naar den hemel en als het ware
uitroepende, bij monde van den Chorus Mysticus:
'Alles Vergängliche
Ist nur ein Gleichniss;
Das Unzulängliche,
Hier wird's Ereigniss;
Das Unbeschreibliche,
Hier ist es gethan;
Das ewig Weibliche
Zieht uns hinan!'
Bij Couperus niets van dit alles, niets van
het ideale, niets van het opbeurende, niets van het troostende, van het reine en
onschuldige, van het eeuwige en onvergankelijke, neen! bij hem slechts het
gebonden zijn, het leven in een hel van smart en zorgen. Geen blik naar boven,
maar een sombere blik naar beneden, naar de aarde, naar de diepte, naar den
afgrond, naar een wereld van noodlottige dierlijke gemeenheid, waarboven we het
bekende woord zouden kunnen plaatsen: 'Gij die hier binnen treedt, laat alle
hope varen!'
Slot-beschouwing.
Wij zijn thans bijna aan het einde gekomen van onzen arbeid;
slechts nog deze opmerking. De nieuwere historische, psychologische en
physiologische litteraire critiek, het eerst in eere gebracht door Taine,
Sainte-Beuve en bij ons vooral door Busken Huët, houdt niet alleen rekening met
la race, le milieu en le moment, maar zelfs met het
karakter en gestel van den schrijver, wiens werken beoordeeld worden. Deze
methode, waarbij de auteurs en hunne werken als één beschouwd en uit elkaar
verklaard worden, heeft op vele geschriften een verrassend licht doen vallen;
maar hoe uitstekend deze wijze van
245
critizeeren moge zijn voor schrijvers van het verleden, zij is niet toe te
passen op nog levende auteurs. De critiek zou dan ontaarden in iets, waar Huët
reeds bang voor is geweest en waarin hij toch, helaas! zelf maar al te dikwijls
heeft gezondigd, in mauvaise langue. Zij zou zóódoende haar edelst
karakter, den geest der piëteit verliezen. Wij zijn het volkomen eens met den
Heer den Hertog, als hij zegt met het oog op Couperus ('Noodlottig
Determinisme,' pag. 51): 'Tegenover een levenden auteur stelt de beleefdheid
hooger eischep van bescheidenheid, dan tegenover een kunstenaar uit het verleden
in acht genomen plegen te worden.' Wij zullen de 'Stemmen' dan ook niet tot
publieke snijkamer maken, waar Couperus als mensch onder het scalpel
der critiek gebracht wordt. Wij laten hem als mensch geheel buiten beschouwing;
wij kennen hem niet, wij hebben hem nooit gezien, wij hebben niets omtrent hem
onderzocht; wij willen gelooven, dat zijne persoonlijkheid in ieder opzicht
achtenswaardig is. Maar het publieke oordeel mag en moet ten slotte uitgesproken
worden, over dàt, wat hij van zichzelf aan het publiek heeft geschonken. Wij
moeten ten laatste nog zeggen, wat wij denken van zijn karakter als
schrijver
en van zijn arbeid als vrucht der Hollandsche letterkunde. Wij moeten een
antwoord trachten te geven op de vraag, of hij zelf en zijn arbeid ons land ten
vloek of ten zegen is. Moeilijk, op deze vraag een rechtvaardig antwoord te
geven. In deze zaak geldt meer dan ooit het 'eer is teêr.' Geen billijkerwijze
om hierin een oordeel te vellen, dan door den schrijver omtrent zich zelf te
laten getuigen. Gelijk aan het begin van onze studie, staan thans aan het einde
de 'Reis-Impressies' ons ten dienste, als een soort van confessiones,
die des schrijvers karakterbeeld volledig maken.
246
Couperus zegt in zijn reisherinneringen ('Gids', Maart 1894, pag. 448.): 'En zeg
me nu niet: die Padre Eterno van Carlo Dolei is geen God: ik zie dat wel en ik
weet dat wel. Maar ook zie ik, dat uit die bloem van blonde kleur en zachten
glans, die Carlo zijn Padre Eterno noemde geheel het karakter van den schilder
trilt, ten minste zooals ik dat karakter zie.... Want meer doen wij niet en wij
bedriegen ons altijd.... En dit verhoogt oneindig de charme van de absolute
schoonheid eener schilderij: er den schilder in te zien, zooals ik Fra Angelico
in zijne fresco's zie van San Marco en Carlo Dolei in zijn Padre Eterno en
Michel Angelo in den zijnen.......' Wij nemen deze woorden onmiddellijk over,
wat de litteratuur betreft. Het verhoogt oneindig de charme van een boek, een
schrijver er in terug vinden als een nobel karakter. Daarom dwepen we als het
ware met Schiller, Tennyson, Pascal, Vinet, en als de Genestet en Da Costa
opstonden uit hunne graven, wij zouden tot hen gaan en hun willen zeggen, dat
wij hen lief hebben gekregen uit hun werken! Couperus krijgen wij als karakter
niet lief uit zijne geschriften. Wij kunnen ons bedriegen, want 'wij bedriegen
ons altijd,' zegt hij, en dat is waar; maar wij krijgen van hem gelijken indruk,
als hij zelf krijgt van Raphaël, dien kennende uit zijne schilderijen.
Hij schrijft ('Gids', Maart 1894, pag. 450):
'Zie Raphaël te Milaan in zijne Sposalizio, te Florence in
zijne madonna's en portretten; te Rome in zijne Stanza's of Loggia's, of
Arrazzi; in de Farnesina of in de Sibyllen van S. Maria della Pace of in de
Transfiguratie van het Vaticaan; en het zijn karakterwisselingen en
-schitteringen als van steeds andere facetten, in steeds andere lichten en niet
alleen te verklaren door de drie periodes, waarin men zijn schilderleven
onderscheidt.
247
Hoog sympathiek zijn al die wisselingen mij niet, want ik zie altijd in Raphaël
iets van een genialen faiseur: een artist, die heel veel en gemakkelijk kan, en
alles glimlachend doet en beminnelijk.' Wij voor ons lezen in dit vonnis van
Couperus over den Italiaanschen schilder het vonnis over hem zelven. Ook wij
kunnen in hem niets anders zien dan een genialen faiseur, een artist, die heel
veel, en gemakkelijk, kan en alles glimlachend doet en beminnelijk, maar die
nooit eenig hooger doel najaagt. Wij worden in deze meening versterkt door zijn
voorrede van 'Wereldvrede', waar hij schrijft: 'Ik heb met dit boek niets anders
bedoeld dan een roman, een werk van kunst, niets dan kunst alleen', en door de
opmerking van een zijner bewonderaars, Van Deyssel, tegenover Martinet: 'De
romans van Couperus hebben geheel geen strekking, men heeft er de mooiste
waardeering van als men ze geheel strekkingloos acht.'
Juist! dat is ook onze beschouwing, geen strekking, geen
doel, geen streven naar verheffing of veredeling van het gemoed, de schrijver, -
een geniale faiseur!
In twee beelden ontleend aan de werken van den schrijyer
zelf, willen wij tot besluit de groote beteekenis en den gevaarlijken invloed
van zijn kunstarbeid samenvatten.
Couperus is een groot schrijver. To give even the devil
his due, - zijn litteratuurstichting doet ons denken naar zijn eigen
beschrijving aan de kapel der Medicis in het Palazzo Riccardi te Florence. Deze
kapel is eenmaal, geen venster hebbende, bij kunstlicht van binnen beschilderd
geworden met den optocht der drie koningen naar Bethlehem, om in groote 'pracht
van mondain-vertoon' gaven te brengen aan het goddelijk kind, dat zit op
den schoot van Maria. Later heeft men in de kapel een venster aangebracht, doch
ongelukkigerwijze hier-
248
door de beeltenis van het goddelijk Kind weggenomen. Couperus zegt zelf: 'Noode
mist men het voorwerp van hunne glorificatie, het Kind.' De arbeid van
den schrijver zelf is ook een tempel, met kunst-licht van binnen beschilderd,
met veel tooneelen van wereldsche pracht. Sedert langen tijd is reeds een
venster aangebracht, waardoor de zon van zijn glorie naar binnen kan stralen ,
maar de laatste opmerking moet wezen zijn eigen verzuchting: 'Noode mits men
het voorwerp van aller glorificatie, noode mist men het Kind!'
Couperus is een gevaarlijk schrijver.
Zijn schepping doet niet alleen denken aan de
schoone kapel van Florence , maar herinnert evenzeer aan de terra-cotta-kop van
Niccolo da Uzzano, waarmee hij zijn 'Reis-Impressies' besluit, als hij zegt:
'Een Romeinsche kop met spitse faunooren, een gezicht met niet te vertrouwen,
opgetrokken oogen, slechte pupillen een slecht gegroefd gezicht, waarachter een
slechte geest schuilt, een leven van slecht geheim: zoo prachtig in het
schemeren van ondeugdmysterie.' Dit beeld is niet te zwart geteekend. De invloed
van de besproken romans is verderfelijk. Maken wij ten slotte de balans op, dan
is van Couperus' optreden het nadeel grooter dan het voordeel, zoodat de wensch
gewettigd is: 'Mocht er een tijdperk aanbreken van nieuwe kunst en betere
schrijvers!'
Er is kans op reactie.
Busken Huët heeft reeds jaren geleden, met het oog op een
roman van Henri Murger, gezegd: 'De Fransche roman en het Fransche drama zijn
het voertuig eener van de overlevering zeer ver afwijkende opvatting van het
menschelijk leven; en in hun kunstigen vorm brengen zij die opvatting, wier
voorname kenmerken bestaan in minder tucht en minder gestrengheid, naar alle
hemelstreken over.'
249
En hij laat er op volgen: 'Ik voor mij ben van oordeel, dat
de transformation de moeurs, waarvan onze leeftijd getuige is, verband
houdt met de geheele richting onzer eeuw, en het kapucijner monnike-werk zou
zijn, dien wassenden vloed door kunstmiddelen te willen keeren. Tevens ben ik
overtuigd, dat de verandering slechts langs een grooten en veelzins smartelijken
omweg tot verbetering zal kunnen leiden, en de ouderwetsche zeden, of hetgeen
men met onverdiende geringschatting zoo noemt, de vergelijking met de
nieuwerwetsche alsnog zegevierend kunnen doorstaan.' En in een studie over Paul
Bourget en zijn school zegt de groote criticus weer veel jaren later: 'Hun werk
zal misschien door een volgend geslacht, niet grif voor litteratuur erkend, maar
ongetwijfeld als een merkwaardig teeken des tijds beschouwd worden.' Deze
voorspelling kan direkt van toepassing gemaakt worden op Couperus, die thuis
hoort in den kring van Murger en Bourget.
Zijn beteekenis mag groot zijn, hetzij hij in den 'Gids'
blijft schrijven, hetzij hij dit niet meer doen zal, nu hij zoo onverwacht als
redacteur is afgetreden, - tegen den geest, die zijn boeken en de werken van
zijn kunstbroeders ademen, komt zoowel in Holland, als in geheel Europa verzet.
Max Nordau heeft alleen reeds uit hygienisch oogpunt de
krijgstrompet geblazen en zelf als een dolzinnige 'alle parnassiens, en
diabolici, decadenten en aesthetics, alle prae-rafaëlieten en symbolisten,
Ibsen, Nietzsche en Wagner voor gekken uitgescholden; maar spoedig zijn anderen,
meer gematigd, uit moreel of godsdienstig oogpunt de trom gaan roeren.
Brunetière, Leon Daudet, Alphonse Daudet, de Wyzema, Paul Monceaux, Schultze en
Doumic roepen om het hardst om nieuwe boeken, vol frisschen geest en ernstige
bedoelingen.
250
En wat ons land betreft, - de 'Gids', het veelgelezen
tijdschrift, dat de publieke opinie der beschaafde standen vrijwel beheerscht,
zelf, bewust of onbewust meer sceptisch dan religieus, en vooral gekant tegen
alle positief Christendom, (men denke aan de scherpe critiek op Prof. Gunning,
van 't Lindenhout, Brunetière en Salisbury; aan de heftige of laatdunkende
opmerkingen, gemaakt tegen hen die bezwaren tegen den tijdgeest opperen, als
Prof. Naber en Taco de Beer; aan de artikelen vol sympathie voor hedendaagsche
buitenlandsche schrijvers als Whitman, Ibsen en Verlaine; aan de vergoding van
Hélène Swarth, in wie Huët reeds 'een vrijdenkstertje van Katholieke herkomst'
zag; aan de verheerlijking van Van Eeden, wiens 'Johannes Viator' door Kloos
genoemd wordt 'een afstraffing Gods'; aan de uiterst teêre behandeling van Kloos
zelf en van Van Deyssel, als zij, in proza en poëzie, het beest en den booze
uithangen, dikwijls tegen de Gids-redacteuren zelf!) de 'Gids' moge in het
algemeen met de tijdsrichting medegaan, tegenover den 'Gids" staan vele
tijdschriften en geleerden, die een onafhankelijk oordeel blijven oefenen.
'Spectator' en 'Nederland' critizeeren, zoo niet den geest, dan toch vrijmoedig
den vorm der tegenwoordige kunstwerken; de 'Wetenschappelijke Bladen' geven
telkens ruimte aan vertalingen van buitenlandsche periodieken, waarin de twijfel
en het ongeloof gehekeld worden; de 'Tijdspiegel' slaakt dikwijls een zucht om
reiner lectuur. Prof. Naber zegt ('Vier Tijdgenooten,' pag. VII): 'De ouden van
dagen bewegen zich als vreemden onder een jeugd, wier aspiratie's zij niet
langer kunnen deelen.' Taco de Beer zegt ('Geschiedenis der Ned. Letteren van
1880-1890', pag. 58.): 'Eline Vere is de prototype van den hedendaagschen
modernen roman, waarin het ongeloof een hoogte bereikt, dat het bijgeloof
wordt;' hij zegt (pag. 63):
251
'Jammer, dat de Nieuwe Richting zoo vaak de pornographie te baat neemt.'
Trouwens, de jongeren zijn zelf niet tevreden! Kloos, Van Deyssel, Van Deventer,
Van Eeden, 'zij zijn allen verdeeld geraakt en verteren elkander als een oven',
gelijk Hosca zegt van de laatste koningen van het volk Israëls. Netscher spreekt
uit hun aller naam, als hij, in de pas verschenen 'Revue' zijn beschouwing van
Dr. Kuyper eindigt met deze woorden: 'En laten wij maar bekennen, dat wij, die
geen idealen meer hebben, wij, kinderen van die eeuwig vervloekte
half-wetenschap, van de neutrale school, van een opvoeding zonder geloof, uit
wie al jong zooveel moois is weggenomen, waarvoor zoo weinig gelijkwaardigs in
de plaats is gegeven, laten wij 't maar eerlijk bekennen, dat wij zoo iemand in
zijn vast geloof benijden.'
Hooren wij het wel, daar is een heimwee naar nieuwe, betere,
reinere kunst!
En daarom met moed voorwaarts.
Couperus mag als groot artist, wat ons betreft, een
borstbeeld hebben in het Rijks-museum, maar voorloopig liefst gesluierd, tot
zijn invloed wat geluwd is. Wij voor ons zien met verlangen uit naar andere
kunst. Kunst moet een heilig doel najagen en mag hare ideale roeping nooit
vergeten. Dat wil nog niet zeggen, dat zij in symboliek mag ontaarden. Allard
Pierson zegt in 'Richting en Leven' terecht: 'Ik ken niets akeliger, dan kunst,
die symboliek wordt.' Vosmaer zegt in zijn 'Studie over het Schoone en de
Kunst': 'Houd kunst en moraal toch uit elkander, de kunst moet beschouwd en de
moraal moet betracht worden', en Prof. J.H. Gunning, de dichtertheoloog, zegt in
zijn beschouwing van Dante's meesterwerk: 'De allegorie is ongetwijfeld een
lagere kunst-vorm; het is haar met het leven, dat zij aan haar afgetrokken
persoons-verbeeldingen geeft, geen wezenlijke ernst, en
252
daardoor houden deze figuren iets kouds.' Dit alles is volkomen waar, de kunst
moet haar eigen afgebakend natuurlijk gebied behouden, zij moet den hoogsten
ernst maken met zich zelve. Zij mag niet in onderwijs of zedenpreek ontaarden;
daarvoor heeft men de school en de kerk. Maar de kunst, die het schoone heeft te
belichamen, mag geen tooneelen schilderen en onderwerpen behandelen, waardoor
zedelijk of godsdienstig gevoel beleedigd wordt. Zij moet niet alleen rekening
houden met de phantasie, maar met den geheelen mensch. Wil zij het afzichtelijke
en afschuwelijke in hare beschrijvingen opnemen, dan moet zij het tusschen het
hoogere en edelaardige zóó groepeeren, dat ons rechts-gevoel wordt voldaan,
waarbij het slechte moet veroordeeld en het goede verheerlijkt worden. Kunst
blijve onderscheiden van moraal en godsdienst, maar houde er toch voortdurend
voeling mede. Dat deze opvatting recht heeft van bestaan, hoort men uit het
oordeel van Huët, die in zijn reisherinneringen zegt: 'In Italië ziet men eerst,
wat het verbond van geloof en kunst heeft weten voort te brengen.' De namen
Dante en Michel Angelo staan als patronen over dezé opvatting van het wezen en
de roeping der kunst.
Bestaat er uitzicht, dat in den dienst van zulk een kunst,
uit de groote schaar van ernstige mannen in de toekomst nog eens een
romanschrijver op zal staan, die een waardige tegenhanger van Couperus zal
kunnen wezen?
De oude dichters en schrijvers als Beets en Hasebroek, zij
staan aan den avond van hun leven en zwijgen; zij zijn, helaas! op dien
leeftijd, waarop de harp aan de wilgen wordt gehangen. Prof. J.H. Gunning, die
een schat van poëzie heeft uitgestort in zijn verhandelingen over Dante en
Schiller, hij mag ons in een enkele rec-
253
torale rede nog met een schoon beeld gelukkig maken, doch ook hij zwijgt. Onder
de mannen, in den bloei van hun leven, en de jongeren, in het begin van hun
loopbaan, zijn er zeer velen, die geleerd, gevoelig, diepzinnig, klaar en
boeiend schrijven, maar het nut, dat zij met hun werken beoogen, staat bij hen
gewoonlijk zóó zeer op den voorgrond, dat hun artisticiteit er onder lijdt.
Zelden wordt, in geloovigen geest, iets geschreven, dat bepaald mooi is,
dichterlijk gezien, en dichterlijk uitgedrukt. Willen we billijk zijn, tegenover
de letterkundigen van andere beginselen, dan moeten we op dit gemis aan
schoonheid in de ernstige lectuur de aandacht vestigen. Het vrome, het
practische, het zaakrijke is uitstekend, maar ook het aesthetische houdt zijn
rechten. Welke bezwaren men tegen de jongste artisten-generatie moge hebben,
laat ons toch niet vergeten, dat zij, op een oogenblik toen de Hollandsche
letterkunde vrijwel aan het doodbloeden was, plotseling een ontstellenden
schreeuw, een wanhopigen kreet van begeerte naar het frissche, het nieuwe, het
mooie heeft doen hooren; zij is de eerste geweest, die het indommelend vaderland
heeft toegeroepen: 'Wees toch niet banaal, wek toch stemming, stort passie in uw
woorden!' En haar doel is volkomen bereikt, - allerwege gevoelt men weer: 'het
schoone heeft in zichzelf waarde.' Terwijl er dan zoo weinigen zijn onder
geloovige letterkundigen, die begrip vàn en gave vóór kunst hebben, spijt het
ons, dat Compassione, die met zijn pennevruchten, getuigende van groote
oorspronkelijkheid, zelfs lauweren bij de tegenstanders heeft verworven, na de
critiek in deze zelfde 'Stemmen" zoo weinig meer van zich laat hooren. Hij is
geducht onder handen genomen, en in sommige opzichten terecht, omdat hij, ten
minste schijnbaar, met den vorm der Nieuwe Gids-schrijvers, ook iets van hun
geest,
254
binnen het gebied der kunst had gesmokkeld. Maar jammer zou het zijn, zoo hij
zich geheel liet ontmoedigen. Heerlijke bladzijden zijn er uit zijn pen
gevloeid; het tooneeltje alleen reeds van Bertha met de 'Tering, in zijn
laatsten roman, kan men niet genoeg herlezen. Mogen wij met een regel van Van
Beers hem toeroepen:
'De tijd van deine boete is om!'
Dat hij op nieuw de pen ter hand neme en boeken schrijve,
die, even geniaal als die van Couperus, de fouten vermijden, waaraan deze zich
schuldig maakt, en behoeften vervullen, die deze onbevredigd laat. Renan zegt in
zijn 'Prêtre de Nemi': 'dat in den dienst van Diana Aricina niemand priester
werd, of hij moest zijn voorganger vermoord hebben.' Hetzelfde gebeurt, maar
gelukkig in zedelijken zin, in den dienst der Muze. De invloed van Couperus kan
slechts dan gebroken worden, als hetzij Compassione, hetzij een ander
hem overtreft, òf - Couperus moest zichzelf nog eens overtreffen. Zoo
daar een wedergeboorte in zijn kunstenaarshart mocht plaats grijpen, waardoor
hij, ter uitwissching van de lichtzinnige boeken zijner jonkheid, werken zou
kunnen leveren, vol van teêr gevoel ten opzichte van moraal en religie, wij
zouden den rijkbegaafde inhalen, en hem verzekeren de liefde van velen, die
thans zijne verschijning verderfelijk achten.
Wij hopen het van harte! - Mocht echter deze wensch onvervuld
blijven, - wij verwachten in ieder geval een regeneratie onzer litteratuur.
Magna est veritas et praevalebit, - ook op het gebied der letteren!
| Zandvoort. | G. Hulsman. |
N.B. Bovenstaande studie was afgedrukt, toen de 'Gids'
255
van Maart ons gisterenavond in handen kwam, waar wij, in plaats van een
Couperus-novelle, tot onze blijdschap een schets van 'Compassione' vonden. Zijn
origineele Engelenzang stelde ons evenwel zeer te leur. Artistiek
spelen met twijfel is bijna even gevaarlijk als oponlijk het fatalisme belijden.
Wat zou de positieve Luther van zijn stuk in de 'Stemmen" van Januari, die
zeide: 'Twijfel is zonde en eeuwige dood. Geloof is een vast vertrouwen op
Gods genade, waarvan men zóó zeker is, dat men er duizendmaal op zou willen
sterven;' - wat zou deze Luther gezegd hebben van een schrijver, 'die
doodmoe is opgestaan en een goed mensch moest hebben, die hem met zachte stem
iets prettigs vertelde, iets moois....' en van een leeraar, die, in zijn strijd
met een vraagteeken des geloofs, in plaats van bij Christus-zelven, troost zoekt
bij chromolithographische engelen naar Fra Angelico?
(Uit: Stemmen voor Waarheid en
Vrede
nr.33, p.209-255.)
Redactionele ingreep:
-p.250:
wier aspiratie's zij niet langer kunnen deelen. > wier aspiratie's zij niet
langer kunnen deelen.'