Index Algemeen | Index Recensies
Couperus en Lombard
Wat had Couperus gebracht tot het schrijven van De Berg
van Licht?
In de eerste plaats het nieuwe leven dat in hem was gaan
opbloeien door een steeds inniger kontakt met Italië. Altijd was in hem geweest
die liefde voor het Zuiden, de liefde voor de zon. Tegelijk met de innige
genegenheid voor eigen land, voor grijsheid en tederheid en weemoed. Van dat
dubbelwezen spreekt hij, na de voltooiing der Kleine Zielen, in de eerste der
Dionyzosstudiën, de sonnetten die Dionyzos voorafgaan:
Mijn ziel is twee: een kind van noordewee
Duikt zij weemoedig onder noordeluchten
En voelt zich één met grauwe lucht en zee.
Maar als de schemervizioenen vluchten
Na 't kleurloos schaadwen duistrer kleinen leed,
Slaakt zij naar blaùwe lucht haar jubelkreet.
In Indië had hij als knaap wèl de zon gevonden, de zon
overal, doch in Italië zou hij zo veel meer vinden: de zon èn de herinnering aan
een rijk verleden, van Oudheid, Middeleeuwen en Renaissance.
Vóór hij Italië persoonlijk had bezocht, bezong hij het reeds
in zijn verzen en verhalen, het Italië van Humanisme en Renaissance vooral.
Later zou, door zijn voortdurend toeven in het Zuiden, en
tenslotte het jarenlang verblijf aldaar, in hem steeds sterker de behoefte zijn
het verleden van Rome en Griekenland te bestuderen en te herscheppen in
kunstwerken.
Het was bij Couperus zoals bij Flaubert, met wie hij in
zoveel te vergelijken is. Dat hij La Tentation de Saint Antoine vertaalde, is
geen toeval. Het is de ontmoeting van een het fantastische en wonderbaarlijke
beminnende geest met een verwante ziel. Bij beiden ging een hevige liefde uit
naar de hartstochtelijkheid van
358
felbewogen verleden tijden, naar tijden van wreedheid en wulpsheid, naar
oosterse zinnenweelde, naar barbaarsheid gemengd met mystieke adoratie.
De dag volgend op die waarop Flaubert het manuscript van
Madame Bovary naar Parijs heeft gezonden ter plaatsing in een tijdschrift, haalt
hij zijn onvoltooide Tentation te voorschijn, en begint daarna aan Salammbô te
werken, waarin hij de mystieke Maan-verering van het oude Carthago in al haar
geheimzinnigheid zal oproepen.
Zo bevrijdt ook Couperus zich van de druk der kleine zielen,
wier lotgevallen hij in vier delen beschreef, van de hollandse grauwe luchten,
de wind en de wolken, die de atmosfeer vormen er omheen, en stort zijn
hartstocht voor het licht en de vreugde uit in God en Goden, De Zonen der Zon en
Dionyzos.
Ook in ander opzicht vertonen Flaubert en Couperus veel
overeenkomst: in de ernst, de toewijding waarmede zij het materiaal bestuderen,
dat zij gebruiken voor de opbouw van hun literaire monumenten.
Voor Couperus was van onschatbare waarde al wat hij aan kunst
— beelden, munten, penningen, schilderijen, architectuur — in Italië kon
aanschouwen, en dat hij dan ook gretig voor zijn boeken gebruikte1).
Evenzo de italiaanse landschappen — in de meest uitgebreide zin van het woord —
aspecten van steden en steden en dorpen, het leven der bewoners, dat in zoveel,
vooral in volkswijken, nog herinnert aan het leven in de dagen der Oudheid.
Doch behalve die plastiek en dat landschap heeft hij
natuurlijk ook schriftelijke bronnen gebruikt, latijnse en griekse auteurs
moeten raadplegen voor zijn historische romans: historieschrijvers en andere,
vertellers en dichters.
Bij vergelijking van de stof die de antieken hem boden met
wat Couperus ervan maakte, blijkt duidelijk welk een wonderbaarlijk
scheppingsvermogen, welk een visionnaire verbeelding hij bezat. Een enkele dorre
mededeling, een eenvoudige anekdote — bij Herodotus of een ander — weet hij te
herscheppen tot een aangrijpend, onvergetelijk toneel.
We moeten, bij het beoordelen van Couperus' historische
1) W. E. J. Kuiper geeft daarvan karakteristieke voorbeelden in zijn bewonderenswaardige Couperus-studie: Louis Couperus en de Grieksch-Romeinsche Oudheid (Nieuwe Gids, XXXII, 4).
359
romans, nooit vergeten dat hij kunst heeft willen maken, geen
geschiedschrijving.
Wat we als eisen aan een goede historische roman mogen
stellen, d.w.z. dat we er de geest, de eigenaardige geest, in terugvinden van de
tijd waarin de roman speelt, — voorzover die te benaderen is —, en dat de grote
figuren die het middelpunt van het boek vormen, psychologisch waarschijnlijk en
belangwekkend worden gemaakt, aan die eisen voldoen zeer zeker de romans van
Couperus. Men denke aan Xerxes, Iskander, de Berg van Licht, waarin drie
tijdperken, drie grootse historische momenten, de vreemde toverkleur dragen van
hun tijd, en waarin tegelijk de psyche van drie centrale figuren, Xerxes,
Alexander en Elagabalus, van het begin tot het einde, getekend is met
overtuigende kracht: Xerxes, de domme hoogmoedige, Alexander, de
wereldveroveraar, die moreel te gronde gaat aan de ondeugden van het Oosten, de
wereld die hij materieel overwint, en Elagabalus, de mystieke, wellustige knaap,
die van Syrië naar Rome overgeplant, zijn wellust en zijn grillen zal opstuipen
tot zo'n extravagante hevigheid dat de Romeinen, tenslotte hem moede geworden,
hem smadelijk afmaken.
* *
*
In de Berg van Licht1) heeft Couperus een geweldig
boeiend, doch vrij onbekend hoofdstuk van de romeinse geschiedenis tot onderwerp
gekozen, namelijk de tijdelijke overweldiging van Rome en het romeinse
polytheisme door de Zonnekultus, uit Klein-Azië gekomen, met zijn hogepriester,
keizer Elagabalus2), wiens regering slechts vier jaar geduurd heeft.
In 218, op veertienjarigen leeftijd, keizer geworden, werd
hij in 222 door de opstandige soldaten vermoord.
Elagabalus was afkomstig uit Klein-Azië, van een Syrische
familie, waarin een aantal vrouwen zich op bijzondere wijze onderscheiden
hebben, en in Rome een belangrijke rol gespeeld.
Daar was Julia Domna, de echtgenote van keizer Septimius
Severus, een buitengewoon begaafde vrouw, die allerlei geleerden, filozofen,
rechtsgeleerden, dichters, om zich heen verzamelde: Dio Cassius, Paulus,
Ulpianus, Papinius, en die Philo-
1) Een goedkope druk van deze roman, in
één deel, verscheen verleden jaar bij L. J. Veen's Uitgeversmaatschappij.
2) Of: Helegabalus, Elagabolus, Heliogabalus.
360
stratus tot het schrijven van een boek heeft opgewekt, dat, volgens
Albert Réville, een zeer eigenaardige bedoeling had. Het is het Leven van
Apollonius van Thyane. Het is de vraag of Apollonius ooit bestaan heeft. In
ieder geval lééft hij door het werk van Philostratus. 't Is een wonderdoener,
een thaumaturg, een wijze, met grote reinheid van ziel, die één opperste God
erkent naast vele andere, een opperste God die zich het schitterendst openbaart
in de Zon. De gebeden van Apollonius, de wonderen die hij verricht, de idealen
die hij huldigt, doen aan die van Christus denken, en Réville oppert dan ook het
vermoeden dat deze heidense wijze — of wijze heiden — is gecreëerd met de
bedoeling tegenover de Christus van het groeiende christendom een ideale figuur
te stellen, die voor de heidenen aannemelijker zou zijn. Het is Apollonius, die,
in de Tentation de Saint Antoine, juist door de overeenkomst van de mirakelen
die hij verricht met die van Christus, Antonius in zo grote verwarring en
twijfel brengt.
Ook na de dood van Septimius Severus bleef de invloed van
Julia Domna groot aan het hof van haar zoon Caracalla, die haar de vrije hand
liet in het rijksbestuur, waar dit niet uitsluitend hemzelf en zijn soldaten
betrof.
Caracalla werd vermoord en Macrinus volgde hem op. Kort na
Caracalla stierf zijn moeder, doch zij had haar zuster Julia Maesa weten te
bewegen, Elagabalus, hogepriester van de Zonnetempel te Emesa, tot keizer te
laten uitroepen. Elagabalus, eigenlijk Bassianus geheten, was een kleinzoon van
Julia Maesa, een zoon van haar dochter Julia Soaemis, of Semiamira — zoals
Couperus haar welluidender noemt — en een Syriër. Overvloedig geld rondstrooiend
onder de soldaten, liet Julia Maesa listig het gerucht verspreiden, dat
Bassianus eigenlijk een onechte zoon van Caracalla was. Betoverd door het goud
en de schoonheid van hun jonge aanvoerder, het heilige Zonnekind, behaalde het
syrisch-phoenicische leger de overwinning op de praetoriaanse keurbenden van
Macrinus, die met zijn zoontje Diadumenos werd omgebracht.
Julia Maesa had nog een dochter: Julia Mammaea, die haar
kind, Alexianus, wiens vader ook een Syriër was geweest, strengzedelijk
opvoedde. Deze Alexianus werd, na het vermoorden van Elagabalus, als Alexander
Severus tot keizer verheven. Gedurende de gehele roman van Couperus maken we de
strijd mee tussen die
361
twee moeders, Julia Semiamira en Julia Mammaea, een strijd waarin de
laatste zou overwinnen.
Men kan bij bekende geleerden die zich met de godsdienst der
Romeinen hebben bezig gehouden, o.a. bij Franz Cumont, in Les Religions
orientales dans Ie paganisme romain, en bij Réville, in La Religion a Rome sous
les Sévères, lezen wat het Oosten, en vooral het bloeiende Syrië, betekend heeft
voor het stoffelijk en geestelijk leven van Rome, niet alleen het godsdienstige
leven. Hoeveel geleerden, wijsgeren, dichters, waren Syriërs! En Syrië was
eveneens het brandpunt van het oosterse religieuse leven, een plaats van
samenkomst voor de vertegenwoordigers van alle oosterse godsdienstige tradities
en voor de apostelen van alle sekten. 'De griekse mythologie, de
syrisch-phoenicische en de chaldeeuwse, de filozofieën van het Oosten en het
Westen, het judaïsme, het christendom, vlochten zich daar dooreen in duizend
verscheiden vormen.' (Réville). Doch in die verscheiden vormen was het karakter
van het syrische volk bewaard gebleven. De verheerlijking van de lichamelijke
vruchtbaarheid, en van de wellust in al zijn gedaanten, bleef de kern van de
kultus.
Zo was de god van Emesa, de Baal, wiens hogepriester zich
naar hem noemde, een zonnegod, verpersoonlijking van het mannelijk beginsel en
de bevruchtende warmte. Men noemde hem El-Gabal, de god Gabal. Zinnebeeldig werd
hij vereerd in de vorm van een phallus-vormige Zwarte Steen.
In de grote tempel van Emesa, met zijn schatten aan goud,
zilver en edelstenen, werden de feesten gevierd ter aanbidding van de god, met
een uitzinnige weelderigheid van ritueel, met dansen en offers en uitspattingen.
Daar danste de jeugdige Elagabalus zijn door de saamgestroomde menigte met
extase bewonderde rituele dansen. Daar bleef hij de eerste tijd van zijn
keizerschap, terwijl hij slechts zijn beeltenis in priesterkleed naar Rome zond,
met een schilderij van de Zwarte Steen.
Later pas gaat hij naar Rome, en mèt hem gaan zijn
grootmoeder, zijn moeder en zijn tante, en men kan begrijpen wat die intocht
geweest moet zijn voor de nieuwsgierige, op afleiding, op nieuw vermaak beluste
Romeinen.
Keizer, doch ook 'sacerdos dei solis Elagabali', — zoals op
de munten staat —, zal hij alle andere goden onderhorig maken aan de zijne,
wiens incarnatie hij op de aarde waant te zijn en wiens
362
naam hij daarom is gaan dragen. Naar zijn tempel, het Helegabalium,
waarheen de Zwarte Steen uit Emesa verplaatst was, liet hij alle andere
goddelijke symbolen, zelfs de meest vereerde, overbrengen: het vuur van Vesta,
bewaakt door de Vestaalse maagden, de steen van de Magna Mater, de Rhea Cybele,
— ook uit het Oosten gekomen —, het palladium, beeld van Pallas Athene.
Zijn God Elgabal schonk hij een gemalin, de uit Carthago
gehaalde dea caelestis, de Urania, de Maangodin, bekend uit Flaubert's roman,
die de Phoeniciërs vroeger hadden overgeplant van Syrië naar Afrika. Het goud
van haar Carthaagse tempel kwam mee; Rome moest schatten opbrengen als
bruidsgeschenk en vierde grootse feesten ter ere van dit godenhuwelijk.
Elagabalus dacht zich man-vrouw te zijn, een dubbelwezen met
mannelijke en vrouwelijke neigingen, een androgyn, die in zich het vrouwelijk
beginsel kultiveerde. Rome drenkte hij gedurende de korte jaren van zijn macht
in een gloeiend bad van oosterse wellust. Het romeinse volk zal eerst geamuseerd
zijn door zoveel buitensporig zinnen vermaak, die festijnen van sensualiteit,
doch tenslotte zullen de minachting waarmede Elagabalus de andere goden
behandelde, zijn hooghartig optreden tegenover de Senaat, vooral de hogere
standen geërgerd hebben, zó dat tenslotte de partij van Julia Mammaea hem door
de soldaten liet ombrengen.
De romeinse historieschrijvers hebben Elagabalus niet
gespaard. Zijn tijdgenoten Dio Cassius en Herodianus, later, in de IVde eeuw,
Lampridius, een van de zes auteurs der Historia Augusta, schilderen hem als een
wellustig, grillig monster, zonder één woord van vergoelijking of lof. Zij tonen
al te zeer hun afkeer als Romein van die gehate Syriër.
De moderne geleerden oordelen milder over het keizertje. In
de eerste plaats leggen zij er de nadruk op dat de godsdienst van Elagabalus een
oosterse was, met zijn onafscheidelijke sensualiteit, een sensualiteit die innig
verbonden was juist met het godsdienstig ritueel. Mystiek en zinnelijkheid waren
één. Alleen heeft de verwende knaap, tot zo hoge rang verheven, die
zinnelijkheid misbruikt tot allerlei buitensporigheden, die in zijn naar
sensaties begerig brein opkwamen.
Erkend wordt dat hij een belangrijke poging heeft gedaan om
363
een soort monotheisme in Rome te vestigen, dat hij geen moorden op zijn
geweten had, dat hij de christenen niet vervolgde, zoals sommige zijner
voorgangers, Nero en anderen, gedaan hadden.
Deze opvatting vinden we ook bij Couperus. In een brief aan
zijn uitgever, de heer L. J. Veen, vertelde hij in 1904 hoe de roman hem reeds
tien jaren lang door de geest speelde. De keizertijd van de 2e en 3e eeuw
verrees voor hem tussen de ruïnes. 'Iedere tourist die Forum en Palatijn heeft
gezien met eenige aandacht, zal het decor van de scène der aanbidding van 's
keizers beeltenis (einde Eerste Deel) zich goed kunnen voorstellen.' Onder de
keizerfiguren had hem immer het meest getroffen die van het mooie
zonnepriestertje, dat tot keizer werd uitgeroepen, omdat het leger verliefd op
hem was, en omdat hij zo mooi kon dansen. Maar het schrijven van een historische
roman leek hem, die geen érudit was, een moeilijke taak. En ook dacht hij: een
boek over Elagabalus is niet een boek voor een hollands publiek. Toen las hij
l'Agonie van Lombard en vond in die roman, die hij bewonderde, het Rome van die
tijd, doch niet de ziel van het priestertje1). 'Niemand die over hem
schreef, of hij heeft hem gelasterd, zelfs Lombard. Het ventje was een bedorven
kind, en zeker hysterisch in zijn man-vrouwelijkheid, maar hij was niet
enkel liederlijk en meer niet. Hij was geniaal, en artiest in alles wat
hij deed. Hij is de laatste weerschijn2) van de Antieke Schoonheid en
de Antieke (Egyptisch, Chaldeeuwse) Wijsheid... Wat wij nu alleen als
"liederlijk" en "immoreel" beschouwen, was in den Zonnedienst even natuurlijk,
gewoon, en lofrijk, als op dit oogenblik, voor de Roomsch-Katholieken, het
opdragen van de Mis.'
Ziedaar enkele zinnen uit de beschouwing, in de brief, over
het priester-keizertje en de kultus die hij incarneerde. Met Couperus' opvatting
moeten wij eerbiedig rekening houden, we moeten zijn boek kunnen lezen zonder
bekrompen vooroordeel. 'Dit alles is geen idealisatie van mijn hoofdpersoon; het
is alleen zielkundige
1) In een gesprek met André de Ridder —
te vinden in diens 'Bij Louis Couperus' — vertelt de schrijver hoe, toen hij de
dans van Helegabalus beschreef, langzamerhand de hypnose over hem kwam en uit al
de oude dokumenten die hij bestudeerde de figuur van de keizer-knaap levendig
voor zijn ogen is komen spoken. Het werd een dwang, een obsessie.
2) Volgens de gedrukte tekst. In de oorspronkelijke brief, die de
heer A. P. Abramsz zo vriendelijk was mij te tonen, staat 'reflet.'
364
eerlijkheid, die recht laat wedervaren. Mijn boek is een boek voor
enkelen, enkelen, zonder vooroordeelen, van godsdienst en vooropgestelde
moraal. Zij, die vooroordeelen hebben, doen beter het niet te lezen, want zij
zullen geërgerd worden, en waarom een roman te lezen, als het boek geen genoegen
geeft, artistiek of psychologisch genoegen.'
Couperus noemt Elagabalus in deze brief aan Veen: 'zoowel
vroom in zijn godsdienst, als dol vroolijk van kinderlijke jeugd.' Die devotie
toont hij ons in zijn boek als een belangrijk element in de psyche van de
keizerknaap, volkomen in overeenstemming met Réville, wiens werk hij
waarschijnlijk gelezen had. Kende hij ook de karakteristiek die Remy de
Gourmont, die originele denker van verbijsterende eruditie, in 1903 van
Elagabalus gaf? Men vindt ze in de Voorrede van de Héliogabale van Georges
Duviquet: 'Het was trouwens een kind. Zijn gebreken zijn die welke iedere
jongeling van veertien jaar vertoont, als hij een onbeperkte vrijheid geniet en
enorm rijk is. Hij is royaal en plaagziek, eerder dan despotisch, springt
vrijgevig zowel met zijn lichaam als met zijn fortuin om; hij is autoritair als
een kwajongen die een bende leeghoofden op een strooptocht aanvoert. Geen
politieke moord wordt hem verweten, noch een moord uit hebzucht, geen
vervolgingen noch van zijn godsdienstige tegenstanders noch van de filozofen....
Guitestreken, tafelgenot, sexuele grimassen (want hij schijnt zelfs niet erg
sensueel geweest te zijn), liturgische oefeningen, ziedaar de enige genoegens
waarmede hij zich, naar het schijnt, heeft ingelaten.... Deze jongen was niet
een middelmatig kind; hij was, en is gebleven, de keizer van de
buitensporigheid'.
Veel trekken van dat portret van Elagabalus vindt men in
Couperus' creatie terug, zoals zijn speelse plaagzucht, zijn dolle kuren, zijn
vrijgevigheid, die hem elke dag geschenken deed strooien onder zijn gasten of
het volk in Rome.
Doch — en dàt is een der schoonheden van de Berg van Licht —
Couperus heeft van dat korte jongelingsleven een tragisch leven weten te maken,
een leven dat in glorie omhooggevoerd, neergesmakt en vernietigd zou eindigen,
niet in een prachtige zelfmoord in schoonheid, in de Toren der Gemmen van het
Palatium — zoals de knaap gewenst had —, doch in de Latrinen en in de Tiber van
Rome.
365
Bij Couperus is Elagabalus een 'déraciné', een uit zijn landstreek
gerukte Oosterling, die in Rome telkens het heimwee voelt krampen naar zijn
dierbaar Syrië, waar hij gelukkig was in zijn tempel en zijn tuinen, met zijn
vriendje Narr de moor en de oppermagiër Hydaspes, die hem in de sterren leerde
lezen, en hem vertelde dat, om te bereiken de zielstoestand van het sekseloze
Licht, de uitverkoren ziel eerst terug moet streven tot de vorm der
Tweeslachtigheid, de androgynische ziel van de Man-Maagd....
Daar, in Emesa, is de knaap volkomen gelukkig, en met weerzin
en smart verlaat hij zijn tempel voor het keizerschap in Rome. Hier begint het
Noodlot over hem te huiveren, dat Hydaspes zag aanduisteren over het leven van
het blijde kind. De oude Magiër voelde dat 'deze bloemziel, uitbloeiende in de
lucht die haar eigen was, een bekoring kon zijn, zoo groot dat zij zelfs de
grofste zinnen trof...., dat zij, overgeplant en opschietende onder andere
hemelen, zou uitstrengelen in wilde verwarring en de slaking harer aromen een
walm vol vergift zou wekken.' Zó hevig-smartelijk voorvoelt Hydaspes het
noodlottig einde, dat hij, vóór de uitroeping van Elagabalus tot keizer, in de
verleiding komt hem, terwijl hij sluimert, te treffen met scherpe dolk in het
hart.
In Rome worden alle eigenschappen van de knaap, die in Emesa
hadden kunnen opbloeien tot tedere, wellustige schoonheid, tot even zovele
oorzaken van ellende voor hem en anderen. Zo wordt ook de vrouwelijke kant van
zijn hermaphroditische natuur tot een bron van ellende, omdat de gemaal die hij
zich gekozen heeft en met wie hij plechtig huwt, de wagenmenner Hierocles, hem
vernedert en mishandelt.
Telkens, bij verveling en walging, en de groeiende ongenade,
waarin hij zinkt bij het romeinse volk, ziet hij in de verte van zijn
herinnering Emesa opdoemen, het verloren paradijs.
Nooit door beschouwingen, doch onmiddellijk, in directe,
felle vizie, met bewegelijke plastiek, in levendige, kleurige tafrelen, weet
Couperus ons het leven van de jonge keizer voor te toveren: het toeven van
Elagabalus in de sterretoren bij de priesterwichelaar Hydaspes, zijn dansen voor
de verrukte menigte, zijn aankomst in Rome, zijn huwelijk met de auriga, het
brute, schendende binnendringen in de Vestatempel, de vernedering der
366
senatoren en het festijn dat daarop volgt, zijn gedwongen verzoening met
Alexianus in het storm-omvlaagde kamp, zijn smadelijke dood in de Latrinen. In
die visionnaire tafrelen bewonderen wij de grote verteller, de grootste
verteller — naast Heyermans — die Nederland ooit bezeten heeft.
* *
*
Hoe eenzelfde onderwerp op geheel verschillende wijzen kan
behandeld worden, toont de vergelijking van Couperus' roman met L'Agonie van
Jean Lombard.
Lombard werd in 1854 te Toulon geboren en stierfin 1891 te
Parijs, in armoedige omstandigheden, op zevenendertigjarige leeftijd, aan het
begin van een literaire carrière die vol schitterende beloften was.
Het grootste gedeelte van zijn leven woonde hij in Marseille.
Zijn ouders waren arm. Wat hij wist — en dat was veel — heeft hij zichzelf
geleerd, toen hij werkman was, in het juweliersvak. In Marseille organiseerde
hij de arbeiders, was secretaris-generaal van het bekende kongres van 1879, waar
de franse socialistische partij gesticht werd. Van dat jaar af, daar hij, wegens
zijn beginselen, geen werk meer kon vinden bij juweliers, was hij literator,
oprichter van tijdschriften, waaronder uitstekende: La Revue moderne, la Sève,
la Revue Provinciale, waarin hij zich een voorvechter van het regionalisme
toonde, van de vrije ontwikkeling der provincies van Frankrijk. In het eerste
nummer van de Revue Provinciale ontwikkelde Lombard zijn programma. 'De ziekte
waaraan de franse maatschappij lijdt is de éénheid. De reactie is gelukkig
gekomen, een weinig fris bloed stortend in het anemische lichaam.' 'La nation ne
sera vraiment grande que si chacune de ses énergies collectives — esthétiques ou
politiques, — s'affirme librement, avec ses défauts et ses qualités, ses reculs
même et ses bonds en avant. Je veux dire que nous ne serons sérieusement forts
que lorsque nos provinces vivront de leur vie, iront chacune de soi dans
l'impulsive harmonie générale.'
Lombard zei in 1884 het politieke leven vaarwel. Hij was
enige malen Kamerkandidaat geweest, en de ervaringen bij verkiezingen opgedaan
hadden hem met walging voor de electorale intrigues vervuld. In een zeer
persoonlijk boek, Loïs Majourès, stortte hij zijn afkeer uit. In 1889 vestigde
hij zich voor goed in Parijs.
367
Leider van tijdschriften, dichter, toneelschrijver, romancier, kriticus,
van een wonderbaarlijke aktiviteit, vurig, driftig, hartstochtelijke zuiderling,
met groot episch-historisch talent, zó moeten we Lombard zien, die o.a. drie
merkwaardige romans schreef, met een groot gedicht, Adel, in hetzelfde jaar 1888
verschenen: L'Agonie, Byzance, Loïs Majourès.
Franse literatuurgeschiedenissen spreken niet of met
minachting over hem. Lalou, in zijn Histoire de la littérature contemporaine,
wijdt twee regels aan Lombard, van L'Agonie en Byzance bewerend dat ze
'franchement illisibles', 'des cacographies' zijn. Dit oordeel komt mij voor van
een schromelijke onjuistheid te zijn1).
De stijl van Lombard is zeker niet die van Anatole France,
doch zou het een frans auteur niet veroorloofd zijn zijn zinnen een meer
latijnse woordorde te geven, zich niet storend aan de traditionele orde,
waardoor een nieuw, dikwijls expressief ritme ontstaat? Dat Lombard woorden
creëert, die in het gewone franse vocabularium niet gevonden worden — latinismen
en andere —, die eigenaardigheid heeft hij met Couperus gemeen. Gaarne geef ik
toe dat die manier van neologismen te gebruiken, aan het Latijn of het Grieks
ontleende, of naar het Frans zelf gevormde, het lezen van Lombard's proza niet
gemakkelijk maakt. Als Lalou van cacographieën spreekt, denkt hij aan veel
nodeloos gewrongens en duisters in dat proza, doch hij vergeet de rest. Dat
Lombard ook eenvoudiger kon schrijven, bewijzen telkens grote stukken van zijn
boeken.
Lombard schrijft sociale romans. Zijn belangstelling gaat
meer dan bij Couperus uit naar grote bewegingen, grote conflicten in de
geschiedenis der mensheid. Een toneelstuk, Les Chrétiens, de strijd tussen het
vroege christendom en het paganisme dramatiserend, was kort voor Lombard's dood
door Antoine aangenomen, doch is nooit gespeeld. In Byzance gaat het om de
worsteling tussen de Groenen en de Blauwen onder Constantijn de Vijfde, de
demokratische Ikoonaanbidders en de aristokratische Ikono-
1) Een bevredigende studie over Lombard is nog niet geschreven. Men kan over hem raadplegen: Etienne Bellot, Jean Lombard, Messein, 1904 en Paul Lombard, Au berceau du socialisme francais, Editions des Portiques, 1932. Zijn gedichten en enkele prozastukken zijn verzameld in een bundel Poésies, Vanier, 1914, met een voorrede van Paul Lombard.
368
klasten. Lombard kende het volk en het volksleven als geen ander. Uit de
directe waarneming van het veelkleurige leven in Marseille, met zijn
honderdsoortige bedrijven en neringen, en waar alle volken van rondom de
Middellandse Zee elkaar ontmoeten, komen in zijn boeken de schilderingen voort
van Brundisium, Rome, Byzantium. Byzance schreef hij, terwijl hij in zijn hoge
woning in een oude straat van Marseille, neerkeek op het bonte gedoe in de haven
en de krioelende menigte aan zijn voeten.
L'Agonie, eerst in 1888 verschenen bij Savine, werd in 1902
door Ollendorff opnieuw uitgegeven met een voorrede van Octave Mirbeau. De
hevige, onstuimige auteur van Dingo en L'Abbé Jules voelde zich steeds
aangetrokken tot wat nieuw en origineel was, en prees dat zonder zich te storen
aan de conventionele smaak van het publiek. Zo ontdekte hij La Princesse
Maleine, en de glorie van Maeterlinck dateert van die ontdekking. Marguerite
Audoux, de eenvoudige naasiter en haar eersteling, Marie - Claire, danken aan
Mirbeau hun bekendheid. Hij durfde ook L'Agonie te prijzen als een 'oeuvre
grandiose et farouche, d'une monotonie splendide.' In de stijl ervan vindt hij
gebrek aan maat, doch ook 'des sonorités superbes, un fracas d'armures heurtées,
un vertige de chars emportés et comme l'odeur même — une odeur forte de sang et
de fauves — des ages que Lombard évoque'1).
* *
*
In Couperus' roman is alle aandacht geconcentreerd op Elagabalus; het gehele werk door staat diè op de voorgrond. Daardoor wordt de roman in de eerste plaats een psychologische. Lombard toont ons vooral rondom Elagabalus, die slechts enkele malen ten tonele verschijnt, de aanhangers van de Zonnedienst, de androgynie, die er de kern van vormde, en de vijanden van die leer, waaronder de westerse christenen. De christenen heeft Couperus niet geheel en al vergeten. Daar is de bordeelhouder Matthias, een ongunstig type, en de sympathieke Zefyrinus, de pappias, de bisschop van Rome, van wie Elagabalus eist dat hij zijn symbool, het kruisbeeld, zal brengen in de heilige zonnetempel . . . . Wat Zefyrinus stoutmoedig weigert.
1) In de Préface van de Ollendorff-editie.
369
Couperus heeft het voor de psychologische
aanneembaarheid van zijn hoofdpersoon noodzakelijk geacht dat deze door een
oudere man in geestdrift was gebracht voor de Zonnekultus, en het
Adam-Heva-schepsel van de toekomst. Daarom schiep hij de magiër Hydaspes. Bij
Lombard treffen we een dergelijke mysterieuse figuur aan, een Romein gewonnen
voor de Elgabal-kultus, van wie gezègd wordt — de auteur tóónt het ons niet
voldoende — dat hij grote invloed op de keizer heeft, zijn voornaamste raadgever
is. Deze Atillius voelt zich aangetrokken tot de christenen; zelfs vindt hij dat
de tederheid van Kreistos zich meer richt tot de innige zielsbehoeften dan de
Zwarte Steen. Hij gevoelt zich verwant met de christenen door gemeenschappelijke
afkeer van de goden en een gemeenschappelijk streven naar een goddelijke
eenheid.
Heel goed schildert Lombard de teleurstelling van Atillius,
wanneer hij ziet dat de herschepping van de mens tot Man- Vrouw, waarvan hij
droomt, de kultus van de Androgyn, niet verwezenlijkt zal worden: 'l'Androgyne
que chacun sentait en soi et que chacun désirait être en ses heures troubles.'
Immers, door Elagabalus zal die kultus niet tot stand komen, hij voor wie de
zinnelijke vervoeringen slechts amusementen van een perverse jongen zijn: 'des
amusements d'éphèbe gaté.'
Een andere tragische figuur is die van de Syriër Madeh, die
in vrouwelijke onderwerping aan Atillius leeft, doch bij wie het mannelijk
element in zijn natuur begint te strijden tegen die onderwerping, een strijd die
slechts tot onvolkomenheid en kwijning leidt. De tragiek van een
vrouwelijk-voelende homosexueel, die de passieve wellust van vele jaren fyziek
en psychisch ongeschikt hebben gemaakt voor een krachtige opbloei van een
natuurlijke hartstocht, wordt door Lombard in die Madeh-figuur prachtig
verbeeld. Bij Madeh vinden we tevens reeds, doch in zachte modulatie, wat
Couperus bij Elagabalus tot een schrijnendpijnende zielsmuziek maakte: het
heimwee naar het verlaten oosters vaderland.
Sommige christenen geloven dat uit de uitspattingen van
Elagabalus en zijn omgeving grandioos het Lam zal verrijzen, en dat daarom die
uitspattingen niet moeten worden tegengegaan. Trouwens: 'la véritable souillure
est d'ame et non de corps.' Dat is ook het oordeel van Zal, een Pers, die
onaangetast door de
370
losbandigheid van zijn oosterse medechristenen, een ascetische reinheid
weet te bewaren, ondanks de hartstocht waarmede een patricische Romeinse,
Severa, hem liefheeft.
Andere christenen daarentegen, de westerse, onder wie de oude
Helvetiër Maglo, denken anders over de uitspattingen van Elagabalus. Zij toornen
er tegen met profetische, oud-testamentische onstuimigheid.
* *
*
Het loont de moeite, thans de kritieken te lezen, die dertig
jaar geleden in de nederlandse pers over De Berg van Licht verschenen. Dat die
voor een groot gedeelte ongunstig waren, is niet verwonderlijk. Het onderwerp en
de vrijmoedige wijze waarop Couperus het behandeld had, móésten wel aanstoot
geven aan de huiverende preutsheid waarmede sexuele problemen hier te lande
plegen te worden bekeken.
'Het boek van Louis Couperus is pervers gezien, pervers
gezegd,' aldus J. van der Valk in Ons Tijdschrift, (XI, 2). 'Nog nooit te voren
heeft C. zóó duidelijk laten blijken dat hij een decadent is.' 'Dit boek is in
de hoogste mate immoreel,' zegt de Nieuwe Arnhemsche Courant (van 5 Dec. '05).
'Niet omdat het ingaat tegen valse begrippen van zedelijkheid, maar omdat het,
tegen de natuur, verheerlijkt en idealiseert het ziekelijk abnormale,
monstrueuze. Ons volk, onze taal, onze letterkunde hebben dringend behoefte aan
regeneratie, veredeling, verfrissing.' In de Oprechte Haarl. Courant (van 26
Februari 1906) lezen we: 'Wat ons betreft, wij meenen dat een onderwerp als deze
roman geeft, niet behandeld worden moet. Een boek als De Berg van Licht moge
kunst zijn, hooge kunst misschien, welnu, wij zijn nog ouderwetsch genoeg om te
meenen dat dergelijke kunst verwerpelijk is.'
Vooral ook de overvloedige weelderigheid waarmede Couperus
zijn fresco's schilderde, werd veroordeeld. Door K. Kuiper in 'Onze Eeuw': 'Ja,
maar het is pijnlijk te zien, hoe tenslotte Couperus de geesten die hij heeft
opgeroepen niet meer meester blijft, hoe de modderstroom van onkuischheid,
vraatzucht, laffe levenszotheid, zonder ophouden golvend over de straten van
zijn Rome ook des schrijvers eigen talent overstelpt, hoe zijne stem overslaat
van de geëffemineerde Elagabalus-verheerlijking tot de
371
grofste matrozentaal.' Frans Netscher verweet Couperus, in de Provinciale
Overijsselsche en Zwolsche Courant van 19 Februari 1906, de door zijn fantasie
geschapen werelden met poppige wezens te bevolken. 'Zijn zonnepriestertje is
geen mensch, maar een fantasiepoppetje.'
Doch ook andere geluiden werden gehoord. Anna de Savornin
Lohmanwees, in de Telegraaf van 23 December 1905, die beschuldiging van
immoraliteit beslist af. 'Als zoodanig is er niets onreins in deze zoo gedurfde
schildering, voor hen die wezenlijk lezen kunnen, wezenlijk zijn zonder
vooroordeelen, wezenlijk alleen vragen naar de artistieke waarde van een boek.'
'Een boek voor enkelen,' had Couperus gezegd. 'Die enkelen, zegt J. van den
Oude, in het Nieuws van den Dag van 24 Februari 1906, zullen dan echter, wel
verre van zich te ergeren, volkomen begrijpelijk vinden, dat de auteur getracht
heeft de gansche atmosfeer van sexueele perversiteit, die het door hem
geschilderde tijdperk doordrong, zoo levendig mogelijk te doen dóórademen. Ja,
zij zullen moeten toegeven dat zijn waarheidszin hem dit oplegde als
onvermijdelijk, ook al mocht zijn eigen kunstgevoel slechts noode er toe te
bewegen zijn geweest.'
Het ernstigste verwijt in de afkeurende kritieken is zeker
wel dat van Netscher. Heeft werkelijk Couperus in zijn jonge zonnepriester-
keizer slechts een fantasiepoppetje bedacht? Is hij niet zeer menselijk door al
de kanten van uiterlijk en innerlijk leven? door de gecompliceerdheid van zijn
wezen? Het is juist het mooie van die uitbeelding, dat ze ons objectief, zonder
moraliseren, al de facetten van de figuur vertoont. Een noodlotsfiguur, inzover
Elagabalus beheerst wordt door zijn natuur, die, vrouwelijk, hem tot de
man-minnaar drijft, hem de begeerte geeft naar grofzinnelijk vermaak, en
zodoende het machteloze 'ding' doet worden van grove, bestiale typen. Voeg
daarbij de machtswellust de heerserstrots, die in hem groeit, door al de
aanbidding die hem elk uur omstraalt. Dàt zijn de machten waaraan hij tenonder
gaat. Hoe overtuigend, klaar en uitvoerig, schildert Couperus de jammer van zijn
verwording. Men denke aan de mishandelingen en de hoon die hij moet ondergaan
van zijn minnaar, aan zijn eigen waanzinnig optreden, door hoogmoed bezeten,
tegenover de Maxima Virgo, aan de moordgedachten die in hem woeden ten opzichte
van zijn neef Alexianus.
372
Moet Couperus verweten worden dat hij bij het
schilderen van die verwording geen moraliserende beschouwingen gaf? Deed Tolstoj
het in Anna Karenine, of Flaubert bij de ondergang, eindigend in
zelfvernietiging, van Emma Bovary?
Zeer zeker heeft Couperus zich vereenzelvigd met zijn
keizertje, doch hij vereenzelvigde zich met hem zoals ieder waarachtig
kunstenaar dat doet met de personen die hij creëert, in wier daden en gevoelens
hij zich volkomen inleeft, zodat het eigen dagelijks leven tot iets onwezenlijks
wordt, en alléén bestaat, in brandende realiteit, dat van zijn creatuur.
| Hilversum | P. Valkhoff |
(Uit: De Gids 100 (1936), I, p.357-372.)