Index Eline Vere | Index Noodlot | Index Recensies | Deel II
Louis Couperus.
Toen de redactie van 'Ons Tijdschrift' mij vroeg een
artikel te schrijven over Louis Couperus
als letterkundige, heb ik geaarzeld aan dat verzoek te voldoen.
Tot een letterkundige critiek in den gewonen zin acht ik mij
onbevoegd en ik geloof niet, dat de lezers van 'Ons Tijdschrift' er naar
verlangen.
Iets anders is het de vraag te beantwoorden: 'Meent ge, dat
de letterkundige producten van Louis
Couperus
of van wien ook, beschouwd van een zeker standpunt, kunnen worden aangemerkt als
geschikte, gezonde lectuur?'
'Ons Tijdschrift' is een gezellige, huiselijke kring, waarin
lezers en schrijvers elkaar ontmoeten en van gedachten wisselen. 'Kan', zoo
beschouw ik de vraag der Redactie,
Couperus met zijn geschriften in dien kring worden toegelaten? Kan hij
ons zijn een vriend, die feilen toont, waar het noodig is? Een vriend, in wiens
gezelschap wij ons gelukkig kunnen gevoelen, en die in onze vreugde en onze
smarten kan deelen?'
Die vraag tracht ik in de volgende bladzijden te beantwoorden
door mijn persoonlijke meening mede te deelen en te onderwerpen aan het oordeel
der lezers. Die meening is niet objectief; er is geen sprake van toetssteenen
der kunst;
250
er is geen sprake van oordeel of veroordeel; er is alleen quaestie van de keuze
van een vriend. Met die keuze zullen alleen zij zich kunnen vereenigen, die zich
met mij op hetzelfde standpunt plaatsen, die zich tot op zekere hoogte één met
mij voelen, en die, als hij, in een boek iets anders zoeken dan een
tijdverdrijf.
Bij een persoonlijke meening hangt alles af van het standpunt
van den persoon, die haar uitspreekt. Daarom zij het mij vergund in een paar
woorden dat standpunt te omschrijven, hetwelk ik zou kunnen noemen dat van den
Christen-democraat. Christen, omdat ik geloof in
Christus als Zaligmaker der wereld; omdat ik geloof, dat waar is, wat de
Zoon ons omtrent den Vader meedeelde; omdat ik geloof, dat
Jezus is de weg, de waarheid en het leven, en dat elk leven buiten
Jezus, buiten God doelloos is en ten verderve leidt; omdat ik den mensch
van te meer waarde reken, naarmate hij zich een waardig discipel van
Jezus
mag heeten en voldoet aan den eisch, dien
Jezus
Zijn volgelingen stelt in de woorden: 'Hieraan zullen zij erkennen, dat gij
Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkanderen.' Democraat, omdat
ik als Christen mij beschouw als mijns broeders hoeder, omdat ik de gelijkheid
aller menschen voor God erken en omdat ik als Christen mij verplicht zie te
waken tegen alle overheersching van den een over den ander, als strijdig met
Gods wil, en dat ik het mijn plicht acht om te trachten de maatschappelijke
verhoudingen zoodanig te wijzigen, dat zij meer in overeenstemming komen met den
wil Gods, die nu in wetten en instellingen met voeten wordt getreden.
Couperus'
levensbeschouwing, zijn maatschappelijke meeningen, neergelegd in zijn werken,
heb ik te onderzoeken van dat standpunt.
251
ELINE VERE.
Ik heb hier naast mij liggen een viertal werken van Couperus, die ik twee aan twee bespreken
wil, naarmate van den hoofdtrek van den inhoud. Evenmin als de democraat en de
Christen van elkaar te scheiden zijn, is in de werken van
Couperus
het godsdienstige of beter gezegd het moreele van het sociale element af te
scheiden, en in al zijn werken treedt de schrijver op als wijsgeerig-socialist
of als sociaal-wijsgeer; maar toch treedt in 'Eline Vere' en 'Noodlot' meer de
philosoof en in 'Majesteit' en 'Wereldvrede' meer de sociale hervormer op den
voorgrond.
Ik wil dus hoofdzakelijk onderzoeken , wat de Christen heeft
te denken van werken als 'Noodlot' en 'Eline Vere,' om daarna den democraat, in
de beteekenis, die ik aan dat woord hecht, in de voornaamste plaats te doen
oordeelen over 'Wereldvrede' en 'Majesteit.'
Allereerst: 'Eline Vere.'
'Eline Vere' doet mij denken aan een gesprek, dat ik een jaar
of twaalf geleden voerde of liever, dat met mij gevoerd werd, want mijn aandeel
er in was uiterst gering.
Ik was gelogeerd op Carelshaven, dat heerlijke plekje bij
Delden, waar het bosch van Twickel, niet zijn onvergelijkelijke verscheidenheid
van reusachtige stammen, den wandelaar het koffieuurtje doet vergeten, en waar
de lucht den zieke gezond en den vermoeide veerkrachtig maakt. Daar was dien
zomer - wat een tref! - een uitgelezen gezelschap van hard werkende schilders en
schilderessen, nijvere letterkundigen en ook eenige doodgewone menschen, zooals
professoren, predikanten, enz. en daarbij behoorende dames, bijeen. Maar de
antisten zijn in Carelshaven de baas; het is daar hun rijk en alleen wie zoo ver
boven het alledaagsche uitsteekt, dat hij eerbied voor de kunst kan gevoelen,
kan het er, dunkt mij, uithouden; maar bezit men dat vermogen, dan is er geen
252
bekoorlijker plekje op aarde en dan is er geen heerlijker tijd dan het
middaguur, als de schilder, toegevende aan zijn lichamelijke behoefte aan eten
en drinken, een wijle in het hôtel komt uitrusten van zijn vóór dag en dauw
begonnen jacht op schetsen, en als de letterkundige met zijn zakboekje in de
hand zit te mijmeren, hoe hij van zijn brokstukjes, die hij opdeed op het veld
onder de maaiers en in het woud onder de ceders van den Libanon, die in het
Twickelsche bosch niet ontbreken, bijeenvergaarde.
De schilder is niet ongenaakbaar en als ge naar hem luisteren
wilt en niet waanwijs zijt, dan zal hij u in één minuut meer leeren over
perspectief dan uw teekenmeester en uw handboekje van
Versluijs
met wiskunde u in jaren hebben verteld. En als ge dan met hem opwandelt, een
eindje den straatweg op, dan hebt ge kans, - mij is 't gebeurd - dat hij u
staande houdt en vraagt: 'Wat denkt ge wel, dat het moeilijkst is te schilderen
van dien boom?' Dan, - ge zijt geen schilder, niet waar, lezer ? - dan waagt ge
u niet aan een antwoord en ge wacht. Dat wachten wordt beloond, als ge verneemt:
'Niet, wat aan den boom behoort, noch zijn stam, noch zijn takken, noch zijn
bladeren; het moeilijkst van al is het, de lucht te treffen, tusschen die takken
en bladeren.' En ge gevoelt, dat het waar is, al begrijpt ge het niet geheel.
Het was uit den mond van onzen grootsten zeeschilder, dat ik het vernam, en ik
heb het wel nooit vergeten, maar 'Eline Vere' ter hand nemende, kwam het mij
levendiger dan ooit voor den geest.
De letterkundige mijmert niet altijd en hij zou geen artist
zijn, als hij niet een klein tikje ijdelheid bezat, de ijdelheid van onder den
schijn van anderen eere toe te brengen voor geestigheid of humor, u te doen zien
hoe uitmuntend hij dien humor heeft weten uit te lokken en die geestigheid te
pas te brengen. En eenmaal in dat stadium gekomen, is hij er niet ver af zijn
zakboekje voor den dag te halen, het zakboekje met citaten, opgevangen op de
253
wandeling, in de concertzaal, of hier en daar bijeengesprokkeld in de werken van
collega's. Zoo'n zakboekje is een onuitputtelijke bron en meer waard soms dan
een groot, dik boek, want het bevat de bouwstoffen in natura van dat groote
boek, maar nog niet verfonfaaid en afgebikt om pasklaar te zijn; bij welke
behandeling ze altijd lijden.
'Laat mij eens kijken, wat ge bijeengaardet', zei ik tegen
den jongen dichter, dien ik als kind gekend had, en dien ik blij was weer te
zien miet een flinken knevel en veel geniaals, ofschoon zijn oogen nog heel niet
veranderd waren. En ik las: 'Wat ons gelukkig kan maken in de samenleving is
niet datgene, waarin wij verschillen van anderen, maar het zijn de punten van
overeenkomst, die wij met die anderen hebben.' En los daarachteraan stond het
woord magneet.
'Wat beteekent dat "magneet" daarachter?' vroeg ik.
'Och, niets,' zei mijn jonge vriend, met gemaakte
onverschilligheid, als was hij begeerig zijn eigendom vrij te houden van
stroopers, door te doen alsof er geen wild was.
'Kom, kom', zei ik, 'ik zal er geen misbruik van maken.'
En hij vertelde:
'Schijnbaar is dit citaat een paradox, want de menschen
beweren gaarne het tegendeel, door te zeggen, dat de gelijknamige polen van den
magneet elkaar afstooten en de ongelijknamige elkaar aantrekken. Is het niet?
Welnu, niet wat hier staat is een paradox, maar die aantrekking der
ongelijknamigheid is slechts een schijnbare waarheid. Op die aantrekking volgt
bij wederzijdsche verzadiging een afstooten, veel sterker een schok, die te
heviger is, naarmate de behoefte aan aantrekking grooter scheen.'
'Verwart ge ook magnetisme en electriciteit?' waagde ik
bedeesd te vragen.
'Och wat, begrijpt ge dan niet, dat alles in alles is? En
electriciteit of magnetisme, bij de menschen is het zoo.'
En toen ik 'Eline Vere' las, toen kwam die aantrekkings-
254
theorie mij weder voor den geest en ik zei, hoewel nog niet in 't reine met de
wetenschap:
'Bij de menschen is het zoo.'
Dat is het tweede niet afgehandelde gesprek, dat ik mij
herinnerde nu onlangs. Ik dank er
Couperus voor, want ik houd van aangename herinneringen.
Maar waarop ik eigenlijk doelde bij het begin van dit opstel,
was de gedachte, bij mij opgewekt door die beroemde landschapschilderes, die na
een ganschen morgen met haar nichtje koeien te hebben zitten schilderen in den
stal, mij een oogenblik het genot van haar eenvoudigheid schonk, staande in de
deur van het hôtel.
Wij praatten.... over de koeien, toen wij hoorden, hoe een
geratel van wielen de nadering van een rijtuig aankondigde en toen wij zagen,
hoe de sierlijke coureuse van den graaf, die op het slot woonde, den hoek
omsloeg. Wij haastten ons den groet te beantwoorden van den menner van het fiere
trekdier, dat zich blijkbaar verheugde onder het schitterende tuig, schitterend
van zilver en glimmend als kwam het zoo pas uit den winkel van den zadelmaker.
't Was een schitterende equipage, en wie haar bestuurde was een nobel edelman,
om met Molière te spreken, wiens
noblesse niet alleen in zijn kwartieren, maar op elken trek van zijn gelaat te
lezen viel.
En vlak achter de coureuse kwam een boerenwagen, waarop drie
stoeiende kinderen, en op het voorbankje een man en een vrouw, die, zeker de
vader en moeder dier kinderen, het zoo druk samen hadden met praten, dat zij ons
niet eens zagen, en mijn vriendin, die elk op de plaats kende als de
vriendelijke dame in het zwart, niet eens terug groetten , toen zij hun, wel wat
uit de verte, toeriep: 'Dag Hannes, dag
Grietje!'
Daar speelde een geestige trek om haar mond, die iets
voorspelde, en ik keek haar vragend aan.
255
'Begrijpt ge', zei ze, 'hoe het toch komt, dat dat eene zoo
leelijk en het andere zoo mooi is?'
Als die trek om haar mond speelde, was zij gevaarlijk, in
gunstigen zin, en antwoorden zou een onvoorzichtigheid geweest zijn. Immers,
daar zat een gedachte achter, een van diepe beteekenis, en ik wachtte.
'Ik bedoel, dat die boerenwagen zoo mooi en dat rijtuigje van
den graaf zoo leelijk is. Weet ge waarom?' Neen, ik wist het niet; want eerlijk
gezegd, ik twijfelde er aan, of zij mij niet voor den mal hield, en ik was zeker
boos op Barbara, haar nicht, die juist op dat
oogenblik haar tante noodig had om haar plastron te helpen bevestigen, dien zij
van plan was dien middag aan te doen ter eere van den..... toen zich o zoo
miskend gevoelenden, later zoo gevierden illustrator, die pas was aangekomen en
die elke gedachte aan beroemdheid te eeniger tijd verre van zich wierp,
omdat.... spotter als hij was!.... hij geen gouden horlogeketting droeg. Daar
was een professor met een zeer zwaren. 'Maar, niet waar', zei Barbara, 'als iedereen onzen Jan zoo miskent, moet mijn plastron toch
wel medelijden niet hem hebben en zich voor heden eens aan tafel vertoonen.'
En nu: 'Eline Vere' van
Couperus.
Er zijn boeken, die door elkeen mooi gevonden kunnen
worden, evenals er menschen zijn, die elkeen aardig, lief en vriendelijk noemt.
Zulke allemansvrienden zijn als commis-voyageurs geld waard en zulke boeken
bezorgen den uitgevers een fortuin: maar van beteekenis voor de wereldhistorie
worden zij nimmer, en de schrijver van zoo'n boek moge zich een tijd lang
verheugen in een zekere bekendheid, als letterkundige vertoone hij zich liefst
zoo weinig mogelijk.
Couperus is
niet zoo'n man, 'Eline Vere' is niet zoo'n boek.
Daar zijn menschen, die dwepen niet het boek; die er naar
hunkeren te gelijken op de heldin en den schrijver bewon-
256
deren. Zeker, het is heel jammer, dat de omstandigheden zoo geloopen zijn, dat
de heldin eigenlijk per abuis sterft, maar.... men kan niet eeuwig blijven leven
en tegen zoo'n abuis kan men zich in de werkelijkheid wapenen. Dit hebben dan
ook begrepen zij, die het recht hadden het werk de hoogste eer toe te kennen,
die een letterkundig product in ons land te beurt kan vallen, een bekroning door
het D.A. Thiemefonds, en zij hebben het boek en
den schrijver voor altijd gemerkt met hun stempel der volkomenheid en....
daardoor tevens te kennen gegeven, dat de coureuse van den Twickelschen graaf
mooier is dan de boerenwagen, waaraan mijn vriendin de voorkeur gaf.
Of men die coureuse of den boerenwagen den prijs der
schoonheid zal toekennen, hangt af van het standpunt, waarop men staat. Op
zichzelf beschouwd, kan de coureuse volmaakt afgewerkt zijn en ook de
boerenwagen kan aan alle eischen voldoen; maar wie aan schoonheid hoogere
eischen stelt dan de wagenmaker, houdt rekening niet den invloed, dien de beide
voertuigen teweeg kunnen brengen op den geestestoestand van hen, die ze
beschouwen, en waar dan de coureuse voor den nijveren, werkzamen man en de
ijverige vrouw de gedachte opwekt aan de weelde des gebruikers en aan de
schrille tegenstelling van die weelde van enkelen en de ellende van honderden,
daar brengt zij onwillekeurig een zeker misnoegen teweeg over de mogelijkheid
voor den een om in vadsige rust zijn dagen te slijten en de noodzakelijkheid
voor den ander om in het zweet zijns aanschijns een karig stukje brood te
verdienen. Wie in die gemoedsstemming de coureuse in vergelijking brengt met den
boerenwagen, het symbool van den zwaren arbeid des landbouwers, die zijn
welvaart door noeste vlijt den grond ontwoekert, die wendt zich met afschuw af
van het symbool der weelde en wordt verkwikt bij liet gezicht van het werktuig
des arbeids. Wien het hart warm klopt voor het lot dergenen, die niet zijn
uitgenoodigd,
257
zooals Victor Hugo zegt, 'au
banquet du bonheur', wordt wrevelig bij de coureuse en leeft op bij den
boerenkar.
Taine zegt:
'Een goed boek is een punt van uitgang voor de gedachten', en het is niet
gewaagd er bij te voegen: Een schoon boek is er een, dat voert naar schoone
gedachten. Een boek kan volmaakt afgewerkt zijn, niets behoeft er te ontbreken
aan de techniek, den vorm; de personen kunnen geschetst zijn met meesterhand, de
karakters doorgevoerd niet de uiterste consequentie en dat boek kan zijn het
tegenovergestelde van schoon, indien het leidt tot onschoone gedachten, tot
troostelooze ontdekkingen, tot elk ideaal doodende conclusies.
Dan mogen alle boekenkenners de schoonheid prijzen , een jury
van nog zoo deskundigen moge het der wereld aanbieden als der volmaaktheid
nabij.... schoon in den absoluten zin van het woord is het niet, omdat alleen
datgene schoon is, wat schoonheid voortbrengt.
En, hoe volmaakt 'Eline Vere' als technisch kunstproduct zijn
moge.... ik waag het niet één enkele aanmerking te maken, want ook de toevallige
dood van de heldin behoort tot de volkomenheid van de techniek van den
schrijver, 'Eline Vere' is niet, wat de mensch, wien het niet gegeven is in
stille bewondering neer te zinken voor een kunstige vermenging van giften,
schoon noemt. Een klaproos moge meer het oog boeien clan de tarwe, waartusschen
zij groeit, wie den kinderschoenen ontwassen is, mijdt het gift en verlustigt
zich in het graan. 'Eline Vere' is een veld vol klaprozen, met hier en daar een
korenhalm.
Voor iemand, die een eenigszins ernstige levensbeschouwing heeft, is het in de omgeving, waarin Couperus de lezers van 'Eline Vere' brengt, werkelijk niet uit te houden. Ernstig beteekent naarstig en al de menschen, waarmede men door 'Eline Vere' in kennis komt, zijn zoo schrikbarend lui, zoo
258
vadsig en voelen zoo weinig behoefte aan eenige degelijke bezigheid, dat men
eenvoudig, zoodra die lui verdriet kriigen of hun niet alles voor den wind gaat,
de gedachte voelt opwellen: had dan ook dien kwajongen of die malle meid iels te
doen gegeven!
Dit nu is een heel burgerlijke opwelling en niet te pas
komend in den kring, waar de schrijver ons binnenleidt; maar als we dien kring
iets nader bekijken en als we zien, dat er in is één , die voortdurend van
geleend geld leeft en zich òf door zijn familie òf door een vriend laat
onderhouden - een echte klaplooper! - één, die als student zijn tijd verhummelt
en zijn moeder tot de grootste zuinigheid dwingt om haar stand te kunnen
ophouden, zoodat zij bij slot van rekening toch haar huis in Den Haag moet
verkoopen, dan durf ik de lezers uitnoodigen toch niet zoo erg laag neer te zien
op die burgerlijke denkwijze, die gebaseerd is op den zeer wijzen stelregel, dat
de mensch zijn brood zal eten in het zweet zijns aanschijns.
Het is waar, Couperus
schetst ons één vrouwtje, dat er wel eens over praat haar linnengoed te moeten
repareeren, en één heer, die zegt meer zich boer dan koning te gevoelen op zijn
landgoed; maar als wij hen ontmoeten, hebben ze altijd vacantie en de ijverige
vrouw maakt te midden van al die niets uitvoerende schepsels zoo'n armzaligen
indruk, dat men onwillekeurig gevoelt, dat zij de sympathie des schrijvers maar
in zeer geringe mate heeft weten op te wekken, terwijl de andere personen,
waarvan sommigen werkelijk de gedachte opwekken, dat ze de moeite van het
aankijken nauwelijks waard zijn, door den schrijver worden geteekend met een
liefde, die doet denken, dat hij zich niet alleen onder hen gemakkelijk, maar
zelfs bij voorkeur beweegt. Maatschappelijk gesproken beteekent geen der
personen iets - tenzij we een paar vrouwen willen uitzonderen, die zich niet
geheel onbewust zijn, dat kinderen opgevoed moeten worden.
259
Om het maatschappelijke is het echter den schrijver niet te doen: hij wenscht
alleen de geschiedenis van de zielen zijner op personen op te lossen en te
verklaren. Maar de schrijver vergeet één zaak en wel deze: een ziel, die iets
beteekent, kan onmogelijk zich met maatschappelijke onbeduidendheid vereenigen.
De luiheid, die, zoolang er geen broodsgebrek is, tot leegloopen voert, is geen
maatschappelijke hoedanigheid, maar een hoedanigheid der ziel, en zoo gaat het
niet op voor een compleet stel menschen, die geen andere waarde hebben voor de
maatschappij, dan dat zij geld verteren, lucht inademen en schoenen dragen, het
bestaan eener ziel te pleiten, die de moeite van het bestudeeren waard is. Zulke
lui kunnen zichzelf het leven zuur of prettig maken, zij kunnen elkander
grootere of kleinere onaangenaamheden bezorgen, op de maatschappij, op de
menschheid oefenen geen invloed, tenzij een, die wekt tot ontevredenheid over
het verschil in lotsbedeeling. Hun bestaan wordt voor de zielrust der beteren
best verzwegen en de aandacht zoo weinig mogelijk er op gevestigd. Zij geven
ergenis en nog altijd blijft het waar, dat het wee is uitgesproken over hen, die
ergenis wekken.
Men zal tegen deze beschouwing, waaruit volgt, dat Couperus beter gedaan had door 'Eline
Vere' en haar gezellen stilletjes hun bestaan te laten voortslepen in een donker
hoekje dan door op dat gedeelte der samenleving een vol licht te laten vallen,
aanvoeren, dat het den kunstenaar vrij staat zijn stof te kiezen, en dat hij,
die van de kunst genieten wil, slechts heeft te vragen of die stof behandeld is
op werkelijk artistieke wijze.
Ik heb tegen die tegenwerping slechts één zaak in te brengen
en wel deze, die ik ontleen aan de ideeën van
Multatuli: het is den kunstenaar niet kwalijk te nemen, dat hij een
mesthoop schildert; maar wel is het onvergeeflijk, indien hij dien mesthoop
zoodanig voorstelt, dat de beschouwer hem niet vuil vindt.
260
En dat doet Couperus
in 'Eline Vere': een troep luiaards, kokette nesten, halfbeschaafde dames,
zoutelooze geldverknoeiende jongens en in de hoofdpersoon een ziekelijk,
karakterloos, harteloos schepsel, dat bij vergissing zelfmoord pleegt, worden
voorgesteld als de wereld, als menschen, terwijl er niets
menschelijks in de hoogere beteekenis van het woord aan hen is.
Voorzeker - het is noch de Christen alleen, noch de
democraat afzonderlijk, die de bovenstaande veroordeelende woorden in de pen
gaven: ik zei immers reeds, dat beiden feitelijk onafscheidelijk verbonden zijn.
Voelt de democraat, dat al die als maatschappelijke
individuen nuttelooze wezens hem antipathiek zijn, de Christen riet met weemoed,
hoe het leven, hun van God geschonken, verbeuzeld wordt, en in zoo'n gezelschap
voelt hij zich evenmin thuis als de democraat. Wat voeren die menschen uit? Is
voor hen niet geschreven, dat men zal werken zoo lang het licht is, eer de nacht
komt, waarin niemand werken kan? Is dat, vraagt hij zich af, een leven God ter
eere? En den schrijver duidt hij ten kwade, dat deze zulk een leven omgeeft met
een poëtisch waas; het komt hem voor den geest, hoe kwade gezelschappen goede
zeden bederven volgens Salomo, en
Couperus trekt hem niet aan.
Ziehier den inhoud:
'Eline Vere' is de dochter van een vader, die zich verbeeldde
te kunnen schilderen, en zoo is door een soort erfelijkheid te verklaren, dat Eline iemand is, die zich het een en
ander verbeeldt, wat niet werkelijk is. De schrijver heeft haar geplaatst in een
onafhankelijke positie, wonende op kamers in het huis harer gehuwde zuster, die,
zonder eenige deugd te bezitten, waarmee we kennis maken, in de meeste opzichten
verschilt van Eline, die evenmin deugden bezit,
evenmin zich
261
in eenig opzicht onderscheidt van de allerbanaalste figuren in het dagelijksch
leven, maar zich verbeeldt een heel buitengewoon schepseltje te zijn.
Zij is van een natuur, die voortdurend behoefte heeft aan
verliefdheid, en daar zij geen kind meer is, maar een jonge vrouw van drie en
twintig jaar, noemt zij die verliefdheid liefde. En men zou geneigd kunnen zijn
den schrijver van die begripsverwarring een verwijt te maken, als hij zich niet
beroepen kon op het bijna overal heerschende misverstand daaromtrent. Toch weet
Couperus
zeer goed, wat liefde is; want de eenige jonge man, dien hij zoodanig voorstelt,
dat de lezer geneigd is aan zijn degelijkheid te gelooven, - al ziet hij er niet
bijzonder veel van - heeft werkelijk lief en maakt reeds daarom alleen een
gunstige uitzondering op de wuftheid en onbeduidendheid zijner omgeving.
Als we kennis maken met
Eline, vragen we ons af, wat dat worden moet! Des nachts te halfdrie nog
niet te bed zijnde, laat zij haar zuster, die van een soirée komt, stil ter
ruste gaan en houdt een zeer gewaagd praatje met haren zwager, dat eindigt in
een omhelzing en een kuspartijtje, gevolgd door een dragen op de trap. Men
vraagt zich af, wat dat worden moet? In andere dan de zeer gedistingeerde, zich
zeer veel permitteerende kringen noemt men zoo'n verhouding tusschen zwager en
schoonzuster met minder welklinkenden naam, vooral, indien men weet, dat de
schoonzuster vroeger erg verwonderd is geweest, toen de aanstaande zwager haar
zuster en niet haar ten huwelijk vroeg. Maar
Eline
verbeeldde zich, dat zij geen kwaad deed, dat het zwagerschap - omdat het
daardoor de gedachte aan de intieme verhouding ten minste in het publiek
onmogelijk maakte - diezelfde verhouding te middernacht in de onmiddellijke
nabijheid van de slaapkamer der wettige vrouw hoogst gepast maakte en misschien
wel een bewijs was voor de verhevenheid harer natuur.
262
Gewone menschen denken daar anders over en wie rekening houdt
met de menschelijkheid van den man en de even groote menschelijkheid van de
vrouw, zal wèl doen niet al te veel toe te geven aan beschouwingen als die van Eline.
Eline was - of
de schrijver het anders wille doen voorkomen of niet - verliefd op haar zwager;
maar zij verbeeldde zich, dat het niet zoo was, omdat het geen pas gaf.
Toen werd Eline
verliefd op een operazanger, ten minste zij verbeeldde het zich, omdat zij zelf
nogal aardig zong, lust in het ongewone had, droomde van avonturen en.... omdat
zij feitelijk meer dan de operazanger zelf een actrice was in al haar doen en
laten. Zij speelde zoo mooi comedie tegenover haar vriendinnen, haar zuster,
haar zwager, jonge meisjes en oude dames, dat zij werkelijk geloofde inderdaad
de persoon te wezen, waarvan zij de rol vervulde. Voorwaar een gave meer
benijdbaar op de planken dan in de wereld; maar.... zij verbeeldde zich verliefd
te zijn op den zanger, liep hem overal na, kocht zijn portretten bij dozijnen,
kwam hem tegen op zijn wandelingen..... totdat zij hem zag optreden als
concertzanger, hem zag als een doodgewonen 'dikken baas', een soort
burgerman.... toen was de aardigheid er af, en al wat er fijns en teers en
ingebeeld-koninklijks in haar was, verzette zich tegen haar vroegere
verliefdheid en uit was het comediespel.
Nu is het ontegenzeglijk waar, dat menig meisje van een
eenigszins ontvankelijk gemoed in de opera zich het hart wel eens wat feller
heeft voelen kloppen bij het zien van een knappen
Romeo en dat menig dwepend natuurtje het erg jammer heeft gevonden, dat
die sympathieke Hamlet zoo'n akeligen dood stierf;
maar.... als de geschiedenis uit was verteld, en er een nachtje slapens over
heen was gegaan, dan week de betoovering al heel spoedig voor de stukjes, dit
ingezet moesten worden in het verstelgoed, de
263
boterhammen, die gesmeerd, en den pudding, die klaar gemaakt moesten worden.
Eline zette
geen stukjes in, maasde geen kousen, sneed geen boterhammen.... haar eenige
bezigheid was verliefd zijn, en als zij toevallig eens zonder voorwerp van
verliefdheid was, dan noemde zij zich ongelukkig. Ledigheid is des
duivels oorkussen.
Maar zij mocht zoo ongelukkig wezen als nog wat.... haar
emplooi in de comedie dezer wereld was behagen en die rol speelde zij bij allen,
wien zij de moeite waard keurde. Jammerlijk keurde zij haar zuster die moeite
niet waard, haar zwager wel.
Toen verbeeldde zij zich, dat het pas gaf te verlieven op
een degelijk jongmensch, en toen dan ook
Otto Van Erlevoort, een adellijk man met een ernstig gelaat, ernstige
conversatie en ernstige liefde, haar vroeg, toen sloeg zij toe en zeide, dat zij
liefhad. Inderdaad was hij, uit natuurlijke behoefte aan een voorwerp voor haar
verliefdheid, haar niet onverschillig en de wet der ongelijknamige polen, die
elkander aantrekken, speelde haar rol, totdat.... zij zich weer verbeeldde
verliefd te zijn op haar leegloopenden, luien klaplooper van een neef, die
zooveel op haar vader leek, evenmin iets kon, iets deed en wist, wat hij
eigenlijk wilde, en die, hij was iets wijzer dan Eline, het niet in zijn hoofd kreeg op
haar te verlieven.
Toen.... schreef zij
Otto
af in een brief, dien zij een oogenblik later weer gaarne had terug genomen;
toen verbrak zij het engagement en.... al zou het alleen zijn om de waarheid op
het comediespel te wreken, toen.... zou ik willen zeggen.... deed zij in haar
leven de eenige daad, die aanspraak op sympathie kan maken.
Maar die daad berokkende haar veel onheil, want toen de neef
was heengegaan en dus die verliefdheid ook weer uit
264
was, toen trilde er toch iets in haar, dat geleek op een nagalm van verloren,
verstooten mogelijkheid op geluk.
En ware zij met Otto
getrouwd , - zooals dat in de wereld meestal gebeurt, waar een verbroken
engagement nog steeds gemeden wordt als iets leelijks - dan zou het voor Otto een heele toer zijn geweest haar
tot iets degelijks te vormen; maar.... het zou den schrijver de gelegenheid
gegeven hebben, te toonen, dat hij werkelijk de ziel zijner heldin begrepen had,
door de fouten er in te doen gevoelen uit de geneesmiddelen, die hij aanbracht.
Want zie - het teekenen van een boom met zijn stammen, zijn bladeren en zijn
takken is zeer moeilijk en die het goed kan is een uitstekend technicus; maar de
ware kunst zit hem in het geven van de juiste tint aan de lucht tusschen de
bladeren, welke die bladeren zelf tot hun recht doet komen. Het teekenen van een
menschenziel in haar uitingen is een groote kunst, maar grooter is de kunst die
ziel te doen uitkomen door den invloed eener degelijke omgeving. Couperus heeft zich niet er aan gewaagd Eline te laten trouwen met Otto.
Couperus
heeft niet zich er aan gewaagd Eline's
ziel te ontdoen van het vuil, dat er om heen zat en dat de lucht belette door te
dringen.
Couperus
gelooft niet aan den invloed van zielen op elkaar,
Couperus
gelooft aan een Noodlot en aan het noodzakelijk verband tusschen oorzaken en
gevolgen, voortspruitende uit een oorspronkelijk aanwezige kiem. Wie zoo'n ziel
heeft, doet zoo en eindigt met zóó te doen.
Couperus ziet in het menschelijke leven niet anders dan de uitwerking van
een wiskundige formule, waarbij hij gebruik maakt van alle gegevens,
die hij bij elkaar kan krijgen, en dat doet met meesterlijke cijferkunst en
onverbiddelijk logisch; maar altijd onjuist, omdat één gegeven hem ontbreekt,
omdat hij aan één gegeven niet gelooft, omdat hij niet beseft, dat ieder, en ook
Eline, behalve den vader, van wien zij haar 'inbeelding' erfde,
265
een anderen vader heeft, Die op Zijn kind nederziet in liefde en Die in staat is
in te grijpen in het lot van dat kind op een oogenblik en op een wijze, waarvan Couperus zich geen voorstelling kan
maken, omdat hij dien Vader niet kent.
Het is noodeloos te spreken over dien invloed, over die
tusschenkomst, over dat ingrijpen in het lot der menschen door een God, zonder
Wiens wil geen muschje ter aarde valt, indien men Hem zelf niet kent, en zoo is
het te begrijpen, dat schrijvers als Couperus het niet doen; maar.... zoo is
het ook verklaarbaar, dat hun werken, hoe kunstig in elkaar gezet, hoe logisch
uitgesponnen en met hoeveel zorg en nauwgezet tot aan de kleinste bijzonderheden
nagerekend, den Christen onbevredigd laten.
Wanneer we Gods almacht buiten rekening laten, dan verwondert
ons niet meer, wat er verder met Eline
voorviel: het gewone gevolg van een ledig leven. Onrust, ontevredenheid op
zichzelf, die zich uit in ontevredenheid op anderen; probeeren om wat om handen
te krijgen door armbezoek en dergelijke, waarin natuurlijk iemand zonder liefde
tot den naaste niet slagen kan; heen en weer trekken van het eene land naar het
andere; troost zoeken in wijn, maar zonder aanleg tot dronkenschap zelfs daarin
geen bevrediging vindende; vervallen aan morphine; lijden aan slapeloosheid;
zichzelven haten en eindelijk.... om dan toch nog eens één keer te slapen....
een weinig te veel morphine.... dood.
Dit eind, hoe nauwkeurig afgeleid alweer van gevolg tot
gevolg, met nog één enkele, maar te late verliefdheid er tusschen, die liefde
had kunnen worden, omdat de man, die om liefde vroeg, werkelijk een man was; dit
eind heeft niets, dat treft, en als Eline
eindelijk daar neer ligt, en er van de schitterende dame niets overgebleven is
dan een onbehaaglijk lijk met verwrongen gelaatstrekken, dan zou men geneigd
zijn uit te roepen als na een nachtmerrie, die benauwde: 'Hè, dat is uit!' Men
zou geneigd zijn.... want men doet het niet.
266
Immers, de schrijver zegt het ons zelf, geeft ons zelf het verwijt aan de hand,
dat wij niet kunnen weerhouden: Waarom, man, mensch,
Couperus, waarom dat woord teruggehouden in dit leven uwer heldin, dat
ééne woord, dat haar had kunnen redden, dit stukje hemelsblauw tusschen die
bladeren; waarom? waarom? En een gevoel overvalt den lezer of het de schrijver
is, die een moord beging, en men vraagt hem, waarom hij dan toch met zijn
schrijversalmacht ons die droeve historie niet bespaard heeft. Toen Eline te veel morphine genomen had,
toen.... laat de schrijver het zeggen:
'Zij verroerde zich niet, radeloos van angst voor wat haar
omringde, voor wat komen zou. Het was of er een zee in haar lichaam bruiste, een
donkere zee, die over hare gedachte heengolfde en waarin ze verdronk. En steeds
poogde zij die zee van zich af te schuiven, maar de druk was te zwaar en zij
viel, geheel verloomd, geheel verdoofd door een stormachtig gesuis in hare
ooren, in haar hersenen, neer.
- God ! God! O, God! kreunde zij met een steeds zwakkeren,
schorren klank, vol van een wanhoop, die zich niet meer uiten kon.
Toen vloeide het bewustzijn als druppel voor druppel uit haar
weg en zij sliep in den dood in.'
Waarom, vragen wij, waarom God weggehouden uit dat leven?
Want dat is de oorzaak van haar droeven dood, droef, nu wij niet langer zoeken
naar de oorzaak van haar verwoest, van haar zielloos bestaan; dat is de oorzaak,
dat zij God niet kende.
Arme Eline! de
wereld, waarin gij leefdet, had geen behoefte aan God en had u dus niet leeren
kennen, en de menschen, met wie gij verkeerdet, de beste, de braafste zelfs
onder hen, uw Otto, noemde nooit Zijn naam in uw
bijzijn, en ook hij dacht, dat zijn verstand, zijn rede, zijn vaste wil en al
die dingen, die van hen hoorden, u zouden kunnen gelukkig maken. Arme
Eline! wel waart gij mis-
267
deeld hier op aarde; Want gij hadt God niet noodig, dan toen gij hulpeloos daar
neder laagt, en toen herinnerdet ge u Zijn naam en toen riept ge Hem aan in de
benauwdheid, maar het was geen roepen, het was kreunen; het was geen
schuldbesef, het was angst; het was.... te laat.
Rijk waart ge geweest op aarde; rijk waart ge gebleven,
steunende op uzelf, op uw morphine en.... 'het is lichter, dat een kemel ga door
het oog eener naald dan dat een rijke het Koninkrijk der Hemelen beërve.'
Het leven der menschelijke ziel te schetsen zonder God, zonder rekening te houden met Zijn almacht, Zijn liefde, is tonen te willen voortbrengen uit ongespannen snaren! En daarom is het werk van Couperus onvolkomen en voor den Christen ongenietbaar.
Daar was een tijd in
Eline's
leven, waarin het den schijn had, dat alles zich ten beste keeren zou; waarin,
zooals de schilder zeggen zou, dat, wat schijnbaar niet tot den boom behoorde,
het hemelsblauw, hetwelk tusschen de bladeren door te onderscheppen was, zich
kon doen gelden om aan den vorm dier takken en bladerkroon vuur en leven bij te
zetten en den stam groeikracht te schenken.
Het was, toen zij meende
Otto
lief te hebben en toen Otto haar
liefhad, toen zij geloofde aan geluk.
Haar ziel was gegleden als in een meer en zij wenschte niets
meer dan 'de stilte van dat meer, niets dan de rust en de liefde van die blauwe
extaze vol zaligheid!' Alleen dat, niets anders, niets meer! Zij wist niet, wat
nog meer te wenschen zou zijn door een menschelijke gedachte....
Maar alleen: één schemerend streepje door de klaarte van al
dat blauw! Alleen de vrees.... de vrees, dat het ooit anders zou worden! Zij had
in zoo lang niet meer gebeden; zij wist niet meer, hoe zij het doen zou,
murmelend of slechts
268
denkend.... ach, zij wist zelf niet meer, of zij aan God geloofde, zij wist dat
niet meer.... maar nu, nu had zij gaarne willen bidden, willen bidden, dat het
zoo zou blijven, nimmer veranderen, altijd dat zachte geluk, altijd die rust,
dat blauw!
- Nooit, nooit meer als vroeger, God.... altijd zoo, altijd
zooals nu! Veranderde het, ik zou sterven! fluisterde zij onhoorbaar en terwijl
zij haar handen vouwde, trilde een traan aan heure pinkers.... Maar het was een
traan van geluk, want in haar geluk verdronk die vrees als een druppel in de
zee.
Is het niet jammer, dat
Couperus
van die ziel niet anders heeft weten te maken dan eene, die zelfmoord pleegt....
want de lichamelijke zelfmoord moge toevallig gekomen zijn, die harer ziel was
willens en wetens.
Ondanks haar ongoddelijke omgeving, ondanks haar wufte,
zondige, ziekelijke natuur, was de drang tot God niet in haar verstikt.
Daar is een oogenblik in elk menschelijk leven, dat God klopt
aan het hart.... wee den mensch, die niet luistert!
Den een roept Hij tot Zich door geluk, den ander tracht Hij
tot innerlijk bewustzijn te brengen door lijden - maar allen, onveranderlijk
allen moeten komen tot het punt, waarop zij zich overgeven zonder voorwaarde in
Zijne hand, dankende voor wat Hij gaf, het hoofd buigende voor wat Hij geven
zal.
Eline was niet
zoo ver genaderd, maar zij gevoelde zichzelf onmachtig en riep in de
benauwdheid, door die gedachte aan gemis van eigen kracht, tot den Eenige, Die
kracht kan geven.
Toen klopte God bij haar aan en
Couperus
zag het kloppen, zag Eline
luisteren; maar hij begreep het niet, want, zegt hij: 'In haar geluk verdronk
die vrees als een druppel in de zee.'
Eline luisterde
niet naar het kloppen - hij, die haar
269
schiep naar zijn eigen beeld en gelijkenis, de zelf niet van God geleerde
schrijver, die het Noodlot tot God verheft, gelooft niet aan dat kloppen - en Eline was ten doode opgeschreven. Zij
had goed gezien, goed gevoeld: veranderde het, zij zou sterven! Zeker, zooals
zij daar nederzat in haar begeerte haar reinheid, in haar aanbidding van het
verhevene, in haar oogenblikkelijke aanraking met God Zelf, voelde zij wat leven
was en zij gevoelde tevens, dat dat andere, de onreinheid, de bezoedeling door
het lage, de zonde, de dood was: het drong door in haar ziel, dat de
bezoldiging der zonde de dood is, en zij smeekte aan dien dood te ontkomen.
Dit is de eerste stap tot bekeering en ondanks dien eersten
stap, viel zij weer van haar standpunt, want.... nog eens, haar schepper, voor
wien God een woord is, dat zijn schepping ontbonden had uit een lang vervlogen
tijdperk, hij weet niet, dat er een tweede stap mogelijk, noodzakelijk is: de
bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven.
Eline deed dien
tweeden stap niet: zij stierf en moest sterven.
Wat ik zeggen wilde, is, dat
Couperus
den boom prachtig, uitmuntend geschilderd heeft, maar de lucht er tusschen heeft
hij niet getroffen, en dat is oorzaak, dat.... de Christen in het boek geen
voedsel vindt voor zijne ziel. En dat zoekt de Christenlezer toch in het boek,
dat hij ter hand neemt.
In de plaats van een levend God zet Couperus een dood, spookachtig Noodlot,
dat in Eline Vere langzaam opdoemt, allerlei
menschelijke gedaanten aanneemt, zich telkens meester maakt van de positie op
het oogenblik, dat een weldadiger macht hoop op behoud doet geven en dat
feitelijk niets anders is dan het fatum der Grieksche treurspeldichters.
Eline Vere
ging onder, ondanks al haar eigen pogingen en de pogingen van anderen, omdat....
zij zich verveelde.
Wil men echter datzelfde Noodlot in al zijn geur en fleur
270
geteekend zien, en als eenige beweegkracht zien voorgesteld, dan geeft de
schrijver u daartoe gelegenheid in den tweeden roman, welks titel duidelijk
maakt, wat ons bij de lezing te wachten staat. Kort en krachtig openbaart
Couperus
de door hem verkondigde levensphilosophie in den titel
NOODLOT.
De geschiedenis, in 'Noodlot' verteld, is allereenvoudigst
en gauw verteld. Een Nederlander in Londen - een rijk, niets uitvoerend, bijna
willoos man, ontmoet op zekeren dag een haveloozen, verloopen, tot niets
deugenden ouden kennis uit Nederland. Hij neemt uit gril en zich verbeeldende,
dat hij daardoor een hoog humane daad doet, dien landlooper in zijn huis, kleedt
hem, introduceert hem bij zijn vrienden, in één woord, behandelt hem als een
broeder. De vagebond, een gesjeesde student, die als kantoorbediende valschheid
in geschrifte of zoo iets begaan heeft, in Amerika kellner en zulke dingen
geweest is en nu nog, tijdens zijn verblijf ten huize van zijn vriend, van tijd
tot tijd eenige dagen verdwijnt, om weer haveloos en uitgeput terug te komen,
doet als de ezel in het hol van den mol en weinig scheelt het of, als in het
fabeltje, zegt de opgenomen vriend tegen den menschlievenden verzorger: 'Het
bevalt mij hier heel goed zoo; als het je soms niet langer aanstaat hier, dan
kunt ge vertrekken.'
Afgezien nu van de onwaarschijnlijkheid van die historie, is
het toch ook al weer waar, dat we door den schrijver in een alleszins
onsympathieke omgeving gebracht worden, en als het waar zou zijn, wat als
veronderstelling voor de hand ligt, dat de schrijver, die zich in dit en in het
voorgaande boek van geen andere schepsels bedient om zijn ideeën kenbaar te
maken dan van die nuttelooze, nietswaardige individuen, die een in alle
opzichten parasietisch bestaan leiden, ik zeg, dat de schrijver geen andere dan
zulke individuen ontmoet heeft in het leven, dan is hij zeer te beklagen, maar
dan
271
duide hij het mij niet ten kwade, dat ik hem aanraad, alvorens anderen te leeren
zien, eerst zelf zijn oogen eens open te doen.
De weldoende vriend gaat op bevel van den beweldadigde met
hem een reisje maken, ontmoet een jonge dame met haar papa, verlieft en maakt,
in Londen teruggekomen, huwelijksplannen.
Couperus
heeft de gewoonte menschen voor te stellen als geïncarneerde ideeën en daarom
blijven ze voor den lezer ook altijd schimmen: ook die jonge dame is zoo'n schim
en mooi of leelijk, knap of dom, lui of werkzaam, rijk of arm, laat den lezer
eigenlijk koud. De quaestie, die
Couperus behandelt, is deze:
gesteld, dat er gevaar komt voor den opgenomen landlooper, wat zal hij dan doen
om dat gevaar te ontkomen? Nu, die quaestie lost
Couperus op: als een gewoon, verloopen sujet is niets hem heilig, hij
liegt, bedriegt, lastert, onderschept brieven, koopt knechts om en bereikt zijn
doel.
Door zijn handelingen ontstaat verwijdering tusschen bruid en
bruidegom, en worden beiden diep rampzalig, zóó rampzalig, dat bij slot van
rekening alweer een fleschje vergift een eind aan beider leven maakt.
Het is waar, de edelmoedige heeft eerst den huichelaar
doodgeslagen als een hond en na daarvoor een gevangenisstraf ondergaan te
hebben, komt hij tot de idee, dat er gewerkt moet worden in de wereld; maar....
een fleschje vergift is toch het einde voor de beide gelieven: ik had het meisje
een beter slot toegewenscht, want ondanks al haar onbeduidendheid als mensch, of
misschien omdat we geen goede of kwade daden van haar hoorden of zagen - tenzij
haar gehecht blijven aan den man, dien zij liefhad; maar.... Couperus schijnt bijna nog doller op
zelfmoord dan zijn sujetten.
Ik kan het niet helpen, maar dit boek vind ik als boek zelfs,
van welk standpunt ook bezien, een onding.
Als Couperus
hierdoor het bestaan van een Noodlot
272
moet bewijzen, waaraan niet te ontkomen is, dan heeft hij het zich erg
gemakkelijk gemaakt. Immers: aangenomen, dat die smerige
Bertie, zoo heet de indringer, werkelijk zoo moest handelen als hij deed
- en van zulke lui verwacht men zulke streken, ook al kan men er niet zooveel
zielkundige beschouwingen aan vastknoopen -, wie was dan de eerste, die een fout
beging?
Va pour het zotte opnemen, laat gaan de bedriegerij tegenover
de vrinden, bij wie Bertie als en
gentleman werd gepresenteerd, het kan er volstrekt niet mee door, dat de
verliefde jonge man zijn aanstaande vrouw niet bekend maakt met den waren
toestand van zijn beschermeling; het is krankzinnigenwerk, dat hij wel jaloersch
wordt en de gemeenzaamheid tusschen zijn verloofde en zijn vriend onaangenaam
vindt en toch haar, die binnenkort zijn vrouw staat te worden, niet inlicht
omtrent den waren toestand van den laatste: dit is een fout, dit is de
fout en de oorzaak van de valsche verhouding, die van den beginne tusschen de
verloofden bestaat. Gebrek aan oprechtheid, gebrek aan werkelijke intimiteit,
die niet rust vóórdat alle quaestie van geheimen tusschen elkaar verdwenen is.
Als ik ooit een juist idee gehad heb van de verhouding tusschen twee gelieven,
dan is het dit, dat de een niet rust, voordat de ander alle, tot de intiemste,
gedachten weet. Dat de zaken tusschen de twee gelieven spaak loopen, is een
doodeenvoudig gevolg van de onoprechtheid van de zijde des mans. Hierbij zooveel
groote woorden, zooveel fijne zielsanalyse te pas te brengen als
Couperus doet, is een bewijs van de waarheid.... dat het
allereenvoudigste en het meest voor de hand liggende moet weggemoffeld worden,
om te kunnen toegeven aan dat oneenvoudige, opgesmukte, verzonnen Noodlot, dat
de menschen krankzinnig maakt, hallucinaties veroorzaakt en leidt tot een
beschouwing van het mensch-zijn, die niet alle verstand te boven gaat, maar
buiten alle verstand staat.
273
Wat is volgens
Couperus
een mensch? Wat is het recept, waarnaar alle menschen, die in de beide boeken
voorkomen, gemaakt zijn? Bertie -
let wel, Bertie, zegt het ons:
O, probeer dan even te begrijpen! Probeer dan even een mensch
te zien, zooals hij is, in al zijn troostelooze naaktheid, zonder conventioneele
mooiigheid er om heen! O, God, ik zweer je, dat ik liever anders zou zijn....
Maar kan ik er iets aan doen, dat ik zoo ben? Ik word geboren, zonder
het te vragen; ik krijg hersens, zonder het te willen; ik denk, en ik denk
anders dan ik zou willen denken, en zoo word ik geslingerd door het leven, als
een bal, als een bal.... En wat heb ik in dat geslinger, om mij in evenwicht te
houden .... Wilskracht, geestkracht? Ik weet niet of gij zoo iets hebt! maar ik
heb nooit, nooit, nooit zoo iets in mij gevoeld, en als ik wat doe, moet ik het
zoo doen, omdat ik het niet anders kan doen , want al is de wil in me anders te
doen, de kracht en de macht er toe zijn er niet! O, geloof me, ik veracht
mezelven, geloof dat toch, maar begrijp me, en vergeef me,
Frank....
En Frank zegt,
dat hij raaskalt - dat zeg ik ook! -; maar twee jaar Later zei Frank het hem alles na en noemde het
philosophie.
Het slot van die philosophie was een fleschje vergift....
natuurlijk!
Dat zijn dus de menschen, waarmee Couperus zich bij zijn lezers
introduceert. Kunnen die ons vrienden zijn? Ziedaar de vraag, die ik mijzelven
en voor de lezers gesteld heb, Christenen als wij zijn en wenschen te blijven.
Het licht kan niet wandelen met de duisternis, en de
wijsbegeerte, die den mensch de hand aan zichzelf doet slaan, is het licht niet.
- Daar is tusschen Couperus en zijn vrienden aan de eene
zijde, en de Christenen aan de andere een
274
Babylonische spraakverwarring, die alle conversatie, allen onmgang onmogelijk
maakt.
Ik heb het in den aanvang gezegd: ik wil niet oordeelen, ik
wil niet beoordeelen en nog veel minder veroordeelen; ik wil slechts zeggen: Gij
en ik, wij lijken elkaar niet; wij behooren niet bij elkaar en tusschen ons kan
geen verbond van vriendschap gesloten worden.
De mensch, zooals gij dien omschrijft, is een wangedrocht
voortgesproten uit een onheilig huwelijk tusschen een zieke maatschappij en een
onzuiveren geest; de mensch naar des Christens opvatting is geschapen naar Gods
beeld en gelijkenis en, hoe ver ook afgedwaald, hoe ver van zijn oorspronkelijke
grootheid vervallen, hij is en blijft van Gods geslachte en zijne bestemming is
tot God weder te keeren. Zijn lot is in Gods hand, en die hand is Liefde. Zijn
weg leidt tot een eeuwig leven en gij.... noemt den dood een verlosser, den dood
het doel, waarheen onze schreden zich richten. Neen, voorwaar, wij kunnen niet
samengaan, wij zijn niets voor elkaar: uw rijtuig moge fraai zijn, wij wenschen
er niet in te rijden; ge moogt takken en bladeren schilderen volmaakt van vorm
en juist van kleur, zij verflensen en sterven, terwijl gij ze schildert, omdat
de levenwekkende lucht, die er onzichtbaar tusschen doortrilt, ontbreekt; gij
moogt aantrekken door ongelijknamigheid van pool, door het schitterend vreemde
uwer theorieën, Wij zijn spoedig van u verzadigd en dan volgt de schok, de ruwe
schok, die woester afstoot naarmate de aantrekking sterker was en.... wij kunnen
u niet als vriend begroeten.
Ik ben blij, toen, nu twaalf jaar geleden, te Carelshaven zuivere lucht te hebben ingeademd.
W. Van Nes.
(Uit: Ons Tijdschrift 2 (1897), p.249-274.)