Index Majesteit | Index Wereldvrede | Index Recensies | Deel I
Louis Couperus.
II.
Op blz. 251 van 'O.T.' schreef ik: 'In "Eline
Vere" en "Noodlot" treedt meer de philosoof en in "Majesteit" en "Wereldvrede"
meer de sociale hervormer op den voorgrond.
'Ik wil dus hoofdzakelijk onderzoeken, wat de Christen heeft
te denken van werken als "Noodlot" en "Eline Vere" om daarna den democraat, in
de beteekenis, die ik aan dat woord hecht, in de voornaamste plaats te doen
oordeelen over "Wereldvrede" en "Majesteit".'
En nu is de tijd gekomen, om het laatste gedeelte van de taak
onder de oogen te zien.
Er was iets op til, men voelde het, en al
wist men niet, wat het eigenlijk wezen zou, men was ongerust: het volk was
ontevreden over de wijze, waarop het geregeerd werd, en de Keizer was
ontevreden, omdat het volk zijn ontevredenheid op onbetamelijke wijze toonde.
De Keizerin, die van het volk hield en den keizer liefhad,
was ongerust, en de Keizer, die zijn vrouw beminde en zichzelf tot regeeren
geroepen voelde, gebood maatregelen tot veiligheid en veinsde een kalmte, die
niet in hem was. En zoo - in dien toestand - ging het hof naar de Opera.
378
'De rijtuigen, die dien avond naar het gebouw der Groote
Opera reden, omtrappelde een dicht en sterk escorte van kurassiers. De straat op
zij van het gebouw, waar de eigen entrée van den Keizer was, was afgezet; een
eerewacht stond aan de trappen; geheime politie had zich gemengd tusschen het
wachtende publiek: de geheele groote wereld der residentie.....
De keizerlijke loge was, met hare draperieën van donker
violet en gouden kwasten, vlak over het tooneel van het kolossale theater; de
eerste acte was geëindigd, - het was Aïda, dat men gaf - toen de fanfares uit
het orkest opschetterden en de vorstelijkheden verschenen: de Keizer, de
Keizerin, de prins van Napel,, de hertog en de hertogin van Hara, de prinses
Thera..... En hunne verschijning scheen de eerste dof-wachtende,
zenuwachtig-onverschillige stemming der volle zaal te electriseeren alsof, mèt
hunne verschijning, het licht in de kronen heller scheen, de zaal opglinsterde
met al haar flikkerwisselingen van juweel, al haar getintel van verguldsel, al
de nieuwsgierigheid der schitterende oogen, die tuurden naar het vorstelijke
middelpunt; alsof de toiletten der dames zich met één ritseling van zware zijden
stof ineens opbolden, waaiers zich uitplooiden, zich bewogen op en neer, of een
wind woei door vele bloemen, in veel glans.....'
Dat is de indruk, dien de Majesteit maakt, als zij verschijnt
te midden der groote-wereld, bezig zich in de Opera te vermaken of zich te
vervelen.
Maar de groote-wereld is niet de wereld en de Opera
is niet het leven: de groote-wereld is schijn en de Opera een schijnvertooning.
En bij slot van rekening is de Majesteit, die zich hier
vertoont, ook slechts een schijn-Majesteit, en wanneer
Couperus
zijn boek betitelt Majesteit, dan verwachten wij iets anders; maar wat
de schrijver heeft willen schetsen is niet wat wij begeerd hebben: een Majesteit
die haar glans ontleent aan de Opperste Majesteit, aan God Zelf, en die hier op
aarde
379
de draagster is van het Goddelijk Majestueuze, dat niet uitwendig, maar
innerlijk is; dat niet noopt tot eerbewijzen, maar tot eerbied; dat niet de
dingen anders doet schijnen dan zij zijn, maar dat van die dingen de innerlijke
waarde in een lichtglans hult, waar doorheen zij te duidelijker worden gekend;
dat niet bevreesd maakt te mishagen, maar wekt tot de begeerte om te behagen uit
liefde.
De echte Majesteit ontbreekt in het boek van Couperus en wat wij er voor in de plaats
krijgen zijn een paar keizerlijke, koninklijke en dergelijke zich noemende
Majesteiten. Een oude Majesteit, die, practisch sterk en zich tot heerschen
geroepen wetende, den last van het heerschen torst en wiens hoogste wijsheid
hierin bestaat: 'Dweep niet en hoû je standpunt hoog. Cijfer jezelven niet te
veel weg, want zulke abnegatie duurt niet en herneemt toch weer later oude
rechten'; een, die niet denkt, maar 'meer spontaan en impulsief is.'
Die oude Majesteit is niet meer van onzen tijd en zij gevoelt
het.
En dan is er een nieuwe (of moet ik zeggen een jonge?)
Majesteit, die zich zwak voelt en niet geneigd is tot het uitoefenen van macht,
die liever zou abdiqueeren dan opvolgen, die zich meer mensch dan keizer waant
en die - staande onder den invloed van een hoogwelgeboren gemeen vrouwspersoon
en een suggereerend geneesheer - voor de oogen van den lezer opgroeit tot een
apostel van den wereldvrede, maar wiens wijding tot een zoo verheven apostolaat
alweer gemengd was geweest met een mislukte poging tot zelfmoord (Couperus
kan niet buiten zelfmoord!) en een berusten in de omstandigheden, die hij noemt
de 'hand van God'. Die wijding bracht hem niet verder dan tot de wetenschap, dat
wanhopen aan slagen in het goede niet goed is, 'omdat wij met zulke wanhoop ons
aan onszelven behouden en ons niet kunnen geven aan anderen.'
Voorzeker, die wetenschap is nuttig en kan leiden tot
380
andere; maar die wetenschap is negatief en het apostelschap is een positieve
hoedanigheid, daartoe is noodig het positieve geloof in de mogelijkheid van het
tot-stand-brengen van het goede, het positieve geloof in zichzelf, geboren uit
een volmaakte overgave van het eigen-ik in de hand van God, om zich door die
hand te laten leiden en voeren, ook waar men niet wezen wil.
Wij hebben het in de vorige romans van Couperus ook reeds gezien: waar het
echt-Christelijke begint, houdt de schrijver op. Zijn personen roepen in hunne
benauwdheid even uit de verte tot God; in ernstige oogenblikken schrijven zij
het woord God werkelijk met een hoofdletter, maar om weer spoedig die letter te
vergeten en het woord te beschouwen als een enkelvoud, dat zeer goed een
meervoud toelaat en zoo..... ook hier weer; waar er eenige kans bestaat, dat die
nieuwe Majesteit inderdaad geheiligd wordt door hoogere wijding, waar zij begint
iets te gevoelen van verhevenheid, daar eindigt zij hare bespiegeling met: 'Ik
kan maar niet genezen van mijn philosophie'. En zoo blijft zij in het lagere,
waar het hoogere bereikt moest worden.
De oude Majesteit is driftig, tiranniek en sterk; de nieuwe
is melancholisch, huiverig om te bevelen, zwak.
Geen van beiden is in staat ons eerbied af te dwingen; geen
van beiden is echt.
Beiden hebben vijanden en de oude valt als slachtoffer,
terwijl de jongere als door een wonder ontkomt.
De oude wordt doodgeschoten door een dweper in de Opera,
omgeven door al wat zich van adel noemde en te midden van angstig genoten
feestvreugde.
Op de jonge Majesteit werd poging tot moord gepleegd, toen
hij zich waagde op het gladde ijs eener proeve, om met eigen oogen te zien, hoe
een andere dweper poogde het volk op te voeden in haat tegen de dwingelandij,
zooals die man
381
de keizerlijke regeering noemde, en die het afkeerig maakte van wat de oude
maatschappij voor heilig houdt.
Die man, die schrijver was van socialistische brochures en
naar men zeide den minderen man opruide, die een adellijken titel droeg en zich
alleen Zanti liet noemen, die zijn dochter
liefhad en medelijden voelde met de nieuwe Majesteit, omdat zij poogde een echte
te worden, had zijn eigen begrip van Majesteit en drukte dat uit in de volgende
woorden: 'De ure zal komen. Misschien wel heel gauw. Wanneer ze niet komt als uw
vader regeert, zal ze komen als u regeert of uw zoon. Maar komen zal ze! En
daarom heb ik medelijden met u. Want u zal geen genoeg liefde hebben voor uw
volk. Geen genoeg liefde om te zeggen: ik ben als jullie en niets meer. Ik wil
niets meer bezitten dan jullie allen, want ik wil geen overvloed als jij honger
lijdt. Ik wil niet over je heerschen, want ik ben maar een mensch als jullie
allen en niet menschelijker. Is u menschelijker? Als u menschelijker was, dàn
zou u mogen heerschen, ja dan, dan..... Ziet u, jonge man, zooveel liefde zal u
nooit voor uw volk hebben, om te doen dat alles, o, en meer nog, meer. Heerschen
zal u en overvloed hebben, en oorlog voeren. Maar de tijden zullen komen! Daarom
heb ik medelijden met u..... al moest ik het ook niet hebben.'
Is het niet of die man, die zogenaamde oproerling, hier wijst
op hetzelfde wat ons voor den geest zweeft, als wij denken aan echte Majesteit?
Staat hier niet, verscholen achter de woorden van den opruier, de eenige,
eeuwige waarheid: daar is geen Majesteit, dan die haar wezen ontleent aan het
Goddelijke, dan die ons geopenbaard is in het leven, lijden en sterven van
Christus?
Die Majesteit ontbreekt in het boek van Couperus.
Die Majesteit geeft Couperus ons niet te zien en na hetgeen ik zeide over 'Eline Vere' en 'Noodlot', zou het dwaas
382
zijn 'Majesteit' ter hand te nemen en te hopen op een Majesteit, zooals de
Christen zich die voorstelt.
Maar..... mijn Nederlandsch hart heeft toch gebloed bij de
lezing: Couperus is Nederlander, Couperus kent, moet kennen de
mogelijkheid van een Majesteit, noch op de oude, noch op de jonge, door hem
geschetst, gelijkende. Als het niet was, dat onze geëerbiedigde
Koningin-Regentes aan Europa het voorbeeld gegeven had van een Majesteit, die
weet mee te leven met haar Volk, met haar tijd, die weet een jeugdige Vorstin op
te voeden tot een Majesteit, die gevoelt geroepen te zijn tot het wezen van de
eerste in het land, de eerste in het goed doen; de eerste in het meevoelen, waar
geleden wordt; de eerste in het juichen, waar reden tot vreugde is; de eerste in
het erkennen van waarheden en de eerste in het ontmaskeren van leugens; als onze
Koningin-Regentes onze geliefde aanstaande Koningin niet had doen vormen tot
eene, die hare Majesteit ontleende aan de macht der gaven, haar van God
geschonken, en als het niet waar was, dat wij in Nederland kennen een Majesteit,
steunende op dan Bijbel en sterk in de liefde des volks, dan..... ja, dan zouden
wij, zou ik, misschien vol bewondering wegzinken voor de schets, door
Couperus gegeven; maar nu, nu ik weet, hoe in ons eigen land zich een
Majesteit ontwikkelt en weldra zich den volke vertoonen zal, die opgevoed als
het volk - een onderwijzer van de kinderen des volks was ook haar leermeester -
en blakende van liefde, omdat zij een moeder had, die door leer en voorbeeld van
niets anders dan liefde sprak, een Majesteit, die niet haar kracht zoekt in
verschil van geboorte, maar in overeenkomst van belangen, nu - afgescheiden van
alle godsdienstige overwegingen, nu zeg ik, dat de Christen-democraat noch in
den autoritairen Lodewijk XIV, noch in den weifelenden,
maar goedwilligen Lodewijk XVI het
beeld heeft te zien der Majesteit, maar dat hij naast en boven die
beiden heeft te stellen eene uit den tegenwoordigen tijd, eene
383
uit ons eigen land, eene, die ons lief en dierbaar is, en waarmede wij als
Nederlanders in de eerste plaats rekening te houden hebben.
Ik noemde Lodewijk
XIV en
Lodewijk XVI, omdat het mij
voorkomt, dat die beide vorsten niet vreemd zijn aan de schepping van Couperus: wij, Nederlanders, hebben met
die beiden niets van doen en gelukkig!
Op de vraag: 'Ben ik mijns broeders hoeder?' geeft de
Christen-democraat en de Christen-Majesteit hetzelfde diepgevoelde 'ja' ten
antwoord en weifeling over wat hun te doen staat is bij geen van beiden bekend.
Liefde van vorst tot volk en van volk tot vorst is het wachtwoord en Majesteit
en democraat erkennen elkander hieraan, dat zij beiden zijn gelijken voor God.
Hieraan ook zal de wereld hen erkennen, dat zij liefde hebben onder elkander,
omdat zij beiden van Gods geslachte zijn. Couperus zoekt zijn Majesteit te ver:
zij behoort te wonen in hem.
Ik heb misschien nog meer ontmoet in 'Majesteit' dat mij hinderde; maar wellicht is het een eisch van de tegenwoordige letterkunde, dat er altijd eenige scabreuze geschiedenissen in verteld worden, - Busken Huet begon er al in 'Lidewijde' mee - en misschien is het wel waar, dat vorsten en vorstinnen onder elkaar zich soms heel gewoon aanstellen en als zij voor hun plezier aan de zee zijn zich in niets onderscheiden van doodgewone, niet-belangwekkende parvenus, en misschien is het ook wel waar, dat Couperus dat alles gezien en gehoord heeft in een dagelijkschen omgang met vorstelijke personen; maar dat alles raakt de letterkundige waarde van het boek en daaromtrent veroorloof ik mij geen oordeel: ik laat dat liever over aan hen, die zelf romans schrijven en die beter dan ik de vorstelijke manieren en levenswijzen kennen. Voor mij - voor ons - is de hoofdzaak elders gelegen en
384
dan kom ik tot de slotsom, dat evenmin als in 'Eline Vere' en in 'Noodlot' Couperus mij in 'Majesteit' de vriend
toeschijnt, met wien ik gaarne van gedachte wissel.
Eigenlijk is Majesteit een soort van lange,
op zichzelf staande inleiding voor 'Wereldvrede'. Prins
Othomar
uit 'Majesteit' treedt in 'Wereldvrede' op als Keizer en hij aanvaardt nu zijn
apostolaat, tracht het te volvoeren en wordt voor al zijn weifelende goedheid
beloond met oproer, geweldpleging en een poging tot moord, waarbij hij wel niet
omkomt, maar waardoor hij toch tot moedeloosheid gevoerd wordt en tot de vraag
of het misschien zijn kind gegeven zal zijn aan het land te bezorgen, wat hij
tevergeefs najaagde: den Vrede.
Een niet-geslaagd menschenleven:
Couperus
schetst ons geen andere.
'Wereldvrede', zegt Couperus zelf, dient geheel als vervolg
op 'Majesteit' gelezen te worden. Dus in 'Majesteit' ging de schrijver reeds
zwanger van de ideeën, in 'Wereldvrede' belichaamd; het is goed dit te weten,
want anders zou de lezer allicht op de gedachte komen, dat de titel
allerongellukkigst gekozen was; hij zou het geheele boek beschouwen als een
caricatuur en meenen, dat de schrijver zich geen verhevener doel gesteld had dan
de onvruchtbaarheid van Vredecongressen in het algemeen en van dat te Brussel in
1895 in het bijzonder (waarmede de uitgave van het boek samenviel) te doen
gevoelen, waartoe werkelijk zooveel omhaal niet noodig is en waartoe een
eenvoudige verwijzing naar de feiten der wereldhistorie ruim voldoende zou zijn
en wel zoo doeltreffend.
Maar een zoodanige caricatuurteekening is 'Wereldvrede' niet;
het is in verband met 'Majesteit' een schets van de hedendaagsche sociale
toestanden, een schets van de middelen, die aangewend of aanbevolen worden tot
oplossing van de quaesties,
385
waartoe die toestanden aanleiding geven, en..... zonder te vervallen tot
wetenschappelijke redeneeringen, zonder theoretische beschouwingen ziet de lezer
in 'Wereldvrede' hoe al die middelen mislukken, hoe de Apostel van den Vrede,
Keizer Othomar, er toe gedwongen wordt den
staat van beleg af te kondigen in een oproerige provincie, evenals zes jaar
geleden zijn vader Oscar, de alleenheerscher in de echte
beteekenis, al was er een grondwet en al waren er Standenvergaderingen, had
gedaan in een andere provincie: de Apostel van den Vrede en de drager van het
gezag, zij verschillen in niets, waar het er op aan komt niet over den vrede te
praten, maar dien te herstellen, waar hij verstoord is.
De lezer ziet meer.
Hij ziet de vruchten van de toepassing der communistische
idee.
Prins Zanti,
zich enkel Zanti noemende, vervult een ander
apostolaat, of liever hetzelfde apostolaat andere wijze. In 'Majesteit' wordt
het geschetst, hoe hij, de man van hoogen adel, op zijn landgoederen een staat
schept, waar privaat bezit afgeschaft is, waar ieder de vruchten van zijn eigen
arbeid geniet en waar de prins zelf - de feitelijke regent van die
communistische maatschappij - leeft te midden van de arbeiders, zelf arbeidt en
zich geheel aan hen gelijk maakt.
Ik vertelde boven, welke lessen
Zanti
aan prins Othomar gaf, en er is
reden om te gelooven, dat hij zelf die lessen zoo na mogelijk in practijk
bracht.
Als dat niet de weg is, die tot vrede leidt,
dan..... 'Wereldvrede' doet de vruchten zien van die poging. De dochter van Zanti vult een groot gedeelte van het
boek met hare heldenfeiten! In niets onderscheiden van een deerne, die zich
verkoopt, tenzij dan door den prijs, dien zij weet te bedingen, en door de keuze
der personen, aan wie zij zich aanbiedt, is zij het beeld der liederlijkheid,
dat - de schrijver neemt niet eens meer den schijn der decentie in acht - nu
eenmaal
386
in de romans van Couperus schijnt
noodig te zijn om den smaak zijner lezers te bevredigen en dat die boeken totaal
ongenietbaar maakt voor wie prijs er op stelt de deugd der vrouw heilig te
houden.
En die prinses Zanti
had de theorieën haars vaders ingeademd en zij had de practijk gezien. En de man
der prinses,
Melena, met haar gehuwd volgens de
communistische begrippen haars vaders en dus aan haar verbonden met een
ongeldigen band, ongeldig voor de wet, maar toch naar zijne en hare begrippen
geldig in alle andere opzichten, wordt den lezer voorgesteld als iemand, die
lijken plundert en bommen werpt; die zijne vrouw vermoordt en den Keizer tracht
te dooden; die leeft niet van de opbrengst van den arbeid zijner handen, maar
van het jaargeld, dat zijn vrouw hem schonk, om haar den vrijen teugel te laten.
De lezer ziet nog meer:
Hij ziet een Keizer, die een Vredescongres opent en met zijn
tegenwoordigheid vereert; hij hoort een gewezen majoor in een Duitsch
garde-regiment, terwijl Duitschland zijn vaderland niet was, een oratie houden
over den Vrede, die heel mooi klinkt, waarin de oorlog een anachronisme genoemd
wordt, waarin zelfverdediging wordt afgekeurd en waarin voor den zooveelsten
keer verteld wordt, dat we nu weer eens staan op den drempel van een nieuw
tijdperk, welke drempel slechts kan overschreden worden door eert ontzettende
omwenteling, maar een omwenteling, die zich kan onderscheiden van alle andere en
die zou kunnen zijn 'louter uit den geest, uit louter het alleredelste van de
menschelijke gedachte, die alle vooroordeelen zou overwinnen en triomfeeren over
eeuwenlange traditie van barbarisme: Oorlog.'
En de lezer hoort nog verder en de ex-majoor, die gediend
heeft buiten zijn vaderland en nu de vruchten geniet van het pensioen, in het
buitenland verdiend, roept het hem toe als aan den Keizer: 'Wat is eenvoudiger
dan een Hoogst Gerecht,
387
een Opperste Scheidsgerecht, een Supreme Arbiter. Gaan individuen met elkaar
vechten, als zij het oneens zijn, dan is daar politie, justitie, een wet. Waarom
geen wet der Staten? Waarom geen Statenhof, waar souvereinen, waar hooge
regeeringslichamen beslissen? Waarom geen, alle Staten verbindende, verdragen?
Waar is de onmogelijkheid, waar de utopie, als de eerste stoot eens gegeven is?
Eens, na vijftig, na dertig, na tien jaren misschien zal het zoo zijn: allen,
die nu spotten, zullen dan de realiteit zien, de verwezenlijkte illusie kunnen
tasten. Ja, waarom geen Supreme Arbiter: waarom niet Zijne Heiligheid, waarom
niet vroom zijn, en eenvoudig en goed en..... waarom niet Leo XIII.....'
Hier werd het zelfs den Keizer te machtig en den lezer werd
het dat zeker reeds voorlang, maar toch, de lezer hoort den klank dier woorden
en hij woont het congres bij, dat overvloeit van zulke woorden uit zulke monden
en..... de lezer ziet meer:
Acht maanden na het vredescongres, geopend door Keizer Othomar en gepresideerd door den
ex-majoor, is hij getuige er van, hoe de Keizer den staat van beleg afkondigt in
een oproerige provincie, en nog iets later ziet de lezer een woedende menigte
aandringen op het vorstelijk paleis, gillende en krijschende, schreeuwende om
den door den Keizer beloofden vrede, niet den Wereldvrede, maar den vrede in den
wanhopigen strijd om het bestaan, en hij hoort het getoeter der trompetten van
de huzaren, die charges maken, en hij ziet de burgers vallen en..... hij hoort
de kreten, die roepen om den Keizer en de lezer ziet Melena mikken op den Keizer, maar deze
blijft staan onbeweeglijk, den geheelen nacht. En tusschen dat alles door is de
lezer getuige van den dierlijken wellust van de dochter van
Zanti met haar prinselijken medeplichtige, en de eenige verademing, dit
hem gegund wordt, is als zijn gevoel voor reinheid en den deugd
388
gewroken wordt door den hondendood der schandelijke vrouw en de lafhartige
vlucht van den onreinen jongeling.
Dat is wereldvrede! Ten minste, dat is 'Wereldvrede!'
Ik heb in den beginne gezegd , dat ik niet
voornemens was letterkundige critiek te schrijven van de werken van Couperus en ik ben niet van plan het nu
te gaan doen.
Anders, er zijn in dat boek fraaie tafereeltjes, fraai uit
een literarisch oogpunt: naar de natuur geteekend, Eigenaardig is het, dat zij
alle betrekking hebben op het dierlijke in den mensch: woede, haat, moordzucht
en daartegenover wellust, brooddronkenheid, kinderachtige gehechtheid aan een
nutteloos leven.
Daar zijn menschen in geteekend, die het goed meenen en te
zwak zijn om het goede te doen; daar zijn menschen, die streven naar wat kwaad
is, en te zwak, te weinig doortastend zijn om zelfs in dat kwade te slagen.
Daar zijn vorsten geschilderd, die te weinig en niet-vorsten,
die te veel aan traditie hechten.
Daar wordt gesproken van een tooneelspeelster op de planken
en daar zijn vele acteurs en actrices geteekend, die nooit de planken betraden.
Daar zijn menschen, die den mond vol hebben van vrede, en
daar zijn anderen, die de handen vol hebben met oorlog.
En tusschen die allen door, onzichtbaar soms, maar altijd
aanwezig als men hem het minst verwacht, altijd te juister tijd gereed om de hem
opgedragen, door den schrijver hem opgelegde taak te vervullen, is daar een man,
een symbolische figuur, die, de schrijver noemt hem
Melena, de rol vervult van het Noodlot.
Melena, niet en
toch wel in den echt verbonden met de prinses van
Zanti, vermoordt de prinses, omdat hij haar haat wegens het verraad, dat
zij pleegde aan de partij van
389
het volk, en omdat hij haar liefheeft als mensch, als man; Melena tracht den Keizer te dooden,
omdat hij Keizer is en..... overal en altijd sluipt hij rond als een panter. Melena is het Noodlot en als Couperus weer een roman schrijft, zal Melena een anderen naam krijgen, maar op
't appèl ontbreken zal hij niet, want zoals ik vroeger reeds zeide: Couperus kent geen anderen God.
'"Wereldvrede" bedoelt te zijn een kunstwerk
en geen propaganda voor de idee van den vrede', staat in de Voorrede te lezen.
Maar de schrijver gevoelt groote sympathie voor die idee en die sympathie zal
het innigst blijken uit Othomar
van Liparië. En die sympathie wenscht den Vrienden van den Vrede toe, dat zij -
al zij het dan ook in eene toekomst - meer mogen bewerken dan
Othomar deed, dat zij geven (ik cursiveer) zooals hij het
noemde: 'De Hoogste weldaad aan de geheele wereld, den vrede aan de menschen,
den hemel aan de aarde.'
Ziehier de fout, de groote fout, de fout, welke het boek deed
mislukken, de pogingen van den welmeenenden Keizer verijdelden en den schrijver
voor ons onmogelijk maakt als vriend en leermeester. Die mannen van het congres,
die Keizer, de schrijver, zij allen meenen, dat iemand, wie dan ook, den
vrede kan geven; zij allen gelooven, dat vrede, wereldvrede
verkrijgbaar is door regeeringsmaatregelen, door afschaffing van legers, door
het instellen van een Supreme Arbiter en..... 'door de nieuwe opleving der
zachte Christusleere.'
Den vrede geven! De eene mensch den anderen den
vrede geven! Als er nog sprake was van den vrede laten! Maar daartoe
zou het noodig zijn, dat hij hem had!
En zegt dan de vriend van den vrede, dat dit alles te
verkrijgen zal zijn door 'Europa te brengen onder één constitutioneel vorst, één
gemeenschappelijk Europeesch parlement, dat de leiding der opvoeding overneemt;
door de kinderen op te voeden in
390
één Europeesch patriotisme, in één cosmopolitische gedachte: het egoïsme der
naties wegsmeltende in de nieuwe verbroedering aller volkeren, die één zullen
worden, één nationaliteit.....' dan geloof ik wel, dat hij het goed meent, maar
dat hij van het ontstaan der verschillende nationaliteiten al even veel verstand
heeft als van wat hij gelieft te noemen 'de zachte
Christusleere.'
Daar is een klank in het woord cosmopoliet en daar is een
klank in zijn woord vrede; maar de Bijbel spreekt niet van zijn vrede en de
Bijbel bedoelt geen wegneming van alle nationaliteitsgevoel, wanneer daar staat
van een prediking van het Christendom aan alle creaturen.
Wij, die ons plaatsen op het standpunt van den Bijbel,
wenschen den vrede, die alle verstand te boven gaat, niet te verwarren met den
vrede der congresleden, die buiten alle verstand staat, en wij wenschen de
uitspraak van Christus: 'Hieraan zullen zij erkennen,
dat gij Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkanderen' niet toe te
passen op de maatschappelijke toestanden, die door wetten geregeld en door gezag
gehandhaafd worden.
Immers, dezelfde Jezus,
Die niet alleen Vredevorst genoemd wordt, maar het ook is naar onze
opvatting van Zijn vrede, zeide: 'Ik ben niet gekomen om den vrede te brengen,
maar het zwaard.'
De vrede kan niet gegeven worden door den eenen mensch aan den anderen uil daarom moeten alle pogingen om dat te doen mislukken en daarom is ook de 'Wereldvrede' van Couperus, waarin beschreven wordt hoe de welwillende pogingen mislukten van den man, 'die niets vermocht', een boek, dat ons niet bevredigen kan en zelfs de aangrijpendste tooneelen van burgeroorlog en het 'doordringen der volksmenigte in de hoofdstad, het opwerpen van barricaden met het groote vierkante plaveisel der straten, tien maanden na het gehouden
391
Congres van den Vrede' maakt op ons niet den indruk, dien de schrijver wenscht,
omdat wij in dat alles de noodzakelijke gevolgen zien van een pogen buiten God,
een regeeren zonder erkenning van Zijn oppermacht en een streven naar hetgeen
alle verstand te boven gaat op enkel verstandelijke grondslagen.
En toch, waar de als sympathiek voorgestelde Othomar, waar de wellicht eerlijk
bedoelde, maar niet met succes bekroonde pogingen om de aarde in een hemel te
veranderen, ons toeschijnen als even zoo vele dwaallichten, die van den goeden
weg afbrengen in plaats van er heen te leiden; waar de weerzinwekkende
schilderingen van onbeduidende personen en de vuile tooneelen, afgespeeld
tusschen in zijde en fluweel gestoken dier-menschen ons het boek zouden doen
wegwerpen, daar is er toch iets in 'Wereldvrede', dat ons zoo niet verzoent met
den schrijver, toch voldoende is om niet sympathie er van te gewagen.
Eindelijk, na alle pogingen mislukt te zien, vestigt de
Keizer de oogen op een Rijkskanselier, die, niet stammende uit den hoogen
Liparischen adel, den titel van prins weigert, omdat hij een hoogeren bezit in
den naam, dien hij draagt als lid van een geachte, achtenswaardige familie,
welke uitmunt door degelijke werkzaamheid, groote bekwaamheid en onkreukbare
trouw.
Deze rijkskanselier durft het zeggen, dat de vrede moet
beginnen in eigen huis en dat hij van daar uit zich moet verbreiden over de
wereld.
'ln Liparië eerst', zegt hij, 'dan in Europa'.
Ik gevoel sympathie voor dien rijkskanselier,
dat is het gezond verstand, dat spreekt.
Ik begin te hopen voor
Couperus, die ons nog geen vriend kon zijn, maar die het kan worden:
eerst in eigen boezem en dan naar buiten werkend, dat is de weg.
392
Het gezond verstand van den frisschen, jongen rijkskanselier, gesproten uit een
werkzaam, eerlijk, degelijk geslacht, het stemt hier, zooals immer en overal, te
zamen met de geest van het ware Christendom, dat voorschrijft eerst den vrede te
zoeken voor eigen ziel en dan door leer en voorbeeld dien te prediken aan
anderen; dan eerst zal het woord vruchten dragen, gesteund door de daad.
Mocht het Couperus
gegeven zijn, zelf de les van den wijzen rijkskanselier in haar volle
consequentie toe te passen, dan zal hij niet aarzelen of liever, dan zal het hem
gegeven zijn, zijn machtig talent van schilderen en opmerken, zijn schitterend
talent van kleuren en polijsten te besteden aan edeler figuren, grootscher,
ofschoon eenvoudiger onderwerpen, en dan..... dan zullen wij hem als onzen
vriend kunnen begroeten en hij zal ons goed zijn van hem te getuigen als van den
man, die niet langer de verzenen tegen de prikkels sloeg, maar boog onder het
wicht eener goddelijke inspiratie en optrad onder ons als een van God geleerde.
Dan zal het ook duidelijk zijn geworden, dat zijn Wereldvrede als boek en de
Wereldvrede van Othomar als
illusie mislukten, omdat noch den Keizer, noch den schrijver geopenbaard was de
waarheid der Schrift, die daar zegt: En al wat gij doet met woorden of met
werken, doet het alles in den naam van den Heere
Jezus, dankende God en den Vader door Hem.
W. Van Nes.
(Uit: Ons Tijdschrift 2 (1897), p.377-392.)