Index Eline Vere | Index Recensies
Eline Vere; een Haagsche roman door Louis Couperus: 3 dl. -
Amsterdam, P. N. Van Kampen.
Het is een erkende waarheid, dat, wanneer een kunstenaar met
zijne kunst enig bijoogmerk te bereiken zoekt, hij moedwillig den indruk van
zijn werk benadeelt. De kunst, die zich tot dienstbaarheid verlaagt, verliest de
innerlijke waarde van eigen onafhankelijkheid en het vertrouwen op eigen kracht,
die ten allen tijde, en te recht, de fierheid van den kunstenaar hebben opgewekt
en gevolgelijk zijne werkkracht onderhouden. En schoon elk tijdperk der
letterkundige geschiedenis uitzonderingen op dien gulden regel weet aan te
wijzen, zoo geven juist die uitzonderingen het krachtigste bewijs voor de
waarheid van dien regel, omdat de kunstenaars, die de vrijheid en
onafhankelijkheid van eigen kunst het trouwst wisten te handhaven, ook diegenen
zijn, die de onsterfelijkheid hebben bereikt.
Dat onze tijd die uitzonderingen kent, evenals vroegere
eeuwen, is
443
natuurlijk; zij zullen altoos blijven voorkomen, ja, naarmate de belemmeringen
en afscheidingen meer en meer verdwijnen, die vroeger ook op het gebied der
geesten het onderling verkeer der menschen bemoeilijkten, zullen zij
waarschijnlijk veelvuldiger voorkomen dan toen. En toch meenen wij, in dit
opzicht geen reden van klagen te hebben boven onze vaderen; althans niet op het
letterkundig gebied, waartoe wij ons hier te bepalen hebben.
Aan het zogenoemd naturalisme, dat toch altoos maar een
uitzonderingsverschijnsel van voorbijgaanden aard is, hecht men meer waarde dan
het verdient. Men laat zich bedriegen door de valsche voorgevens. waaronder de
schrijvers van deze soort zich - hier te lande althans - aan het publiek
opdringen. Zij treden op met net gedrukte boeken , bij geachte doch verschalkte
uitgevers in het licht gegeven, en brengen op deze wijze hunne producten aan den
man als literatuur, als literarische kunstwerken. 't Is waar, zij dragen er het
uiterlijk van, en naar het uiterlijk is er zelfs geen verschil te maken tusschen
een roman van Mevr. Bosboom-Toussaint en een werk van het hier bedoeld genre.
Maar letterkundige werken bestaan niet door het uiterlijke, maar door het
innerlijke; en in dit opzicht ontzeggen wij aan schrijvers zooals de Brammen van
verschillende herkomst en de Van Deyssel's het recht, hunne pornographische en
dergelijke producten te rekenen tot de eerlijke en artistieke literatuur.
Dergelijke boeken kwamen vroeger ook wel in het licht; het eenig onderscheid -
om de quaestie van het talent nog te laten rusten - bestond hierin, dat ze geen
fatsoenlijk uitgever konden vinden, dat geen fatsoenlijk boekhandelaar ze wilde
uitstallen en geen fatsoenlijk man ze las, terwijl tegenwoordig alles omgekeerd
is. Maar de verandering van uiterlijkheden heeft in den aard der zaak geen
verandering gebracht; allerminst heeft dat, wat geen literatuur is, aanspraak op
erkenning van zijn recht, om literatuur te heeten, alleen omdat het zichzelf zoo
noemt en er het uiterlijk van aanneemt. Eene met verf bekladde plank, die als
uithangbord dienst doet, om in den geest van het bekende: 'hier zet men tee,
kofi en oover', het daaronder uitgeoefend bedrijf aan te duiden, bestaat uit
dezelfde ingrediënten als het grootste meesterstuk van schilderkunst. Zelfs
Rembrandt bezigde geen andere hulpmiddelen dan paneel, verf en penseel - maar
wie zal 's kladschilders werk in één adem met het zijne noemen? Ook de mestvlieg
is getooid met heldere kleuren en verheft zich op hare vleugels in de lucht,
maar niemand zal haar gelijkstellen met paradijsvogel of kolibrie of zelfs
stellen boven den onaanzienlijken nachtegaal. Zoo is 't ook in de literatuur
gesteld. Al dat walglijk en wansmakelijk geschrijf behoort er niet toe, en zelfs
een man van talent als Frans Netscher treedt zelf buiten de gemeenschap der
letteren, wanneer hij iets in het licht geeft als de in blauwboekjestrant
geschreven schetsen In en om de Tweede Kamer, die door den beschaafden
lezer worden ter zijde gelegd als stukken, wier eigenaardige plaats Argus
is of Asmodée.
444
Maar pornographie en pamfletgeschrijf zijn niet de eenige
ziekelijke uitwassen, die zich als normale verschijnselen der literatuur willen
doen aanzien. Er zijn er, die van een meer ernstigen en gevaarlijken aard zijn
en waarop wij in den aanhef dezes vooral het oog hadden. Ten allen tijde heeft
zich het verschijnsel voorgedaan, dat werkelijk bekwame en achtenswaardige
letterkundigen den zuiver letterkundigen, den phantastischen of romanvorm hebben
dienstbaar gemaakt aan zeker buiten de bellettrie staand doel. Nu eens was 't
eene wonderlijke vermenging van kunst en wetenschap, dan weder de zucht, om de
eene of geliefkoosde stelling van hetzij staatkundigen, hetzij zedelijken,
hetzij godsdienstigen aard te verdedigen. Van dit streven zijn in de vóór ons
liggende romans de sporen waar te nemen; wij vinden er zowel den tendenz-roman
als den pathologischen bij. Het eerstbedoelde genre is het minst talrijk
vertegenwoordigd en daarenboven op eene zóó zwakke wijze, dat men waarlijk aan
den roman zelf de bedoeling van de schrijfster niet zou bemerkt hebben en
daarvan pas kennis krijgt door eene mededeeling in de voorrede. De natuur is
hier sterker geweest dan de leer; het letterkundig instinct van de schrijfster
was hare moraliseerende bedoeling te vlug af, zodat, mag de beoordeelaar haar
het onaangenaam bericht geven, dat zij haar doel volstrekt niet bereikt, geen
enkel nieuw of afdoend argument te berde gebracht heeft tegen de pessimistische
wereldbeschouwing, waartegen zij een kruistocht met pen en inkt heeft aangegaan,
hij haar tevens de lof kan geven van een zeer verdienstelijk letterkundig
kunstwerk geleverd te hebben, waaruit het ieder lezer vrijstaat zoodanige
leering en toepassing te trekken, als hij zal meenen te behooren. In onze
schatting een grootere lof, dan wanneer we getuigen moesten, dat haar roman eene
hooge philosophische waarde bezit, daar die niet dan ten koste van de
letterkundige kan verkregen zijn. Het is niet de bekende theorie van l'art
pour l'art, die wij voorstaan, want in den geldenden zin, waarin alleen in
den uiterlijke vorm en niet in de innerlijke waarheid van beeld en handeling de
kunst wordt gezocht, is zij onwaar en de moeder veler uitspattingen; maar het
valt niet moeilijk te bewijzen, dat de boeken, die den romantischen vorm
misbruiken, om de eene of andere geliefkoosde stelling van den schrijver ingang
te doen vinden, uit een zuiver letterkundig oogpunt onvolmaakte, mislukte
kunstproducten zijn.
De pathologische roman, waarvan Eline Vere een
staaltje is, dagteekent uit onzen tijd en is tot ons overgewaaid uit het Zuiden.
Met een wonderlijk amalgama van kunst en wetenschap wordt de maladie à la
mode - waarvan Fielding in zijne reis naar de Onderwereld verhaalt - in al
hare verschijnselen en stadia beschreven en ontleed, tot groote schade voor het
kunstwerk zelf, daar de eigenaardige, strenge eischen der diagnose de vleugelen
der verbeeldingskracht van den schrijver knotten en hem uit de sferen der poëzie
neerhalen te midden van de - uit een kunstenaarsoogpunt - weinig aantrekkelijke
bijzonder-
445
heden van physiologischen en medischen aard. De studie van nervositeit, nevrose,
neurasthenie en alles, wat daarmede in betrekking staat, is zeer belangrijk,
maar zij behoort niet te worden vermengd met de zuivere literatuur, die zich
bezighoudt met den mensch en zijn karakter en den invloed, dien de samenkomst en
botsing dier karakters in de samenleving uitoefenen. De pathologische leer- en
leesboeken zijn daar, om over de abnormale verschijnselen, afwijkingen en
ziekten van 's menschen geest licht te geven; den romanschrijver past deze taak
evenmin als die van ijveraar voor zekere wetenschappelijke theorieën en
stellingen. De ziekelijke overgevoeligheid uit overprikkeling der zenuwen,
gevolg van eene opvoeding en levenswijze, waarbij alle beginselen der
gezondheidsleer van lichaam en ziel roekeloos overtreden werden, is de ziekte,
welke de schrijver van Eline Vere schildert, en tot de laatste
onntknooping, zelfmoord uit.... verveling en levenszatheid verhaalt; minder ver
gaat de schrijfster van Verdwenen, hoewel ook zij offert aan de afgoden
van den tijd, door zulk een zenuwzwakkeling te schilderen, die ook in alle
omstandigheden met zijne tranen gereed is en laboreert aan buien van twijfel en
levensmoeheid, die Piet Paaltjens hem benijd zou hebben. Zij echter maakt dezen
halven held van haar roman tot een persoon op den tweeden grond, waartegen hare
wezenlijke helden, menschen van een geheel ander kaliber, in de volle kracht en
eenheid van hun karakter uitkomen. Hier kan nog tot zekere hoogte de
physiologische diagnose worden verdedigd als een artistiek hulpmiddel, maar toch
werkt zij zelfs in dit geval nadeelig, daar zij aan de grilligheid van
ontoerekenbare verbijsteringen in den roman een recht van bestaan toekent, dat
de regelmatige werking eener gezonde phantasie belemmert tot schade van het
tragisch element. Dit laatste is hoofdbestanddeel in den roman, maar het moet
niet worden gezocht in het samenbrengen van allerlei toevalligheden, niet in
geweldige en verrassende gebeurtenissen, die den loop van het verhaal op eens
eene andere richting geven en, ten gemakke van den schrijver, den knoop op 't
onverwachtst doorhakken. Evenals bij de tragedie der ouden behoort ook in den
modernen roman strenge logica de handeling te beheerschen. Karakterschildering
is hoofdzaak en de intrige moet een noodzakelijk gevolg zijn van het kruisen en
ontmoeten der gegeven karakters van helden en heldinnen, van de omstandigheden
en verhoudingen, waarin zij tot elkander staan. Vandaar is menschenkennis, die
weet door te dringen in het karakter en rekenschap te geven van 's menschen
handelingen, omdat zij de beroeringen en beweegredenen van 's menschen gemoed
kent, het eerste vereischte voor den romanschrijver; zijne phantasie schept de
personen, zijne menschenkennis doet hen spreken en handelen, waaruit de intrige
ontstaat, die alweder de door de logica der omstandigheden vereischte
ontknooping hebben moet. Wanneer echter de schrijver uit verschillende
wetenschappen, aan zijne phantasie en menschenkennis vreemd, allerlei bijkomende
omstandigheden put, die onverwachte, door de logica niet
446
toegelaten voorvallen en veranderingen in de ontwikkeling zijner intrige
teweegbrengen, dan verlamt zijne phantasie en zal het kunstwerk ten slotte aan
de eischen der kunst niet kunnen enen beantwoorden.
Uit het gezegde is onze voornaamste bedenking tegen den roman
van den heer Couperus op te maken; zijne heldin is geen normaal menschelijk
wezen, maar - zooals die personen in de wandeling genoemd worden - eene
'aangeklede zenuw'. Eline is een wezen, lijdende aan de maladie de là mode,
welke eigenlijk neerkomt op een plat en naakt egoisme - met welke
wetenschappelijke termen men het overigens noemen wíl - en dan ook nooit
aangetroffen wordt onder die, gelukkig nog velen, onzer natuurgenooten, die
zichzelf weten te geven aan het belang van anderen of van het gemeen, en hun
geest niet ziek maken door eene gestadige concentratie op eigen behoeften,
belangen en begeerten. Ziedaar eene diagnose van de kwaal, die wel degelijk valt
binnen het gebied van de menschenkennis, dat den romanschrijver toebehoort, en
had Couperus deze tot uitgangspunt gekozen, dan zou aan zijn werk de lof van
karakterstudie kunnen gegeven worden. Dat is echter het geval niet. Zijne
diagnose gaat niet veel verder, dan den ziekelijken geestestoestand zijner
heldin toe te schrijven aan zeker atavisme, aan weelde, warme kamers, lekker
eten en dergelijke dingen - alsof hare kwaal het onvermijdelijk erfdeel was van
allen, die 't goed hebben in de wereld. Een gevolg hiervan is, dat het den
schrijver, ten spijt van al zijne pogingen, niet gelukt, voor zijne heldin de
sympathie van den lezer te winnen. Zelfs medelijden niet, want daartoe zijn
karaktertrekken en verschijnselen van zielsziekte te veel dooreengemengd en
verward; haar dood aan het einde zal geen lezer treffen, maar hem veeleer
verlichting schenken. De lotgevallen van de andere personen. die in grooten
getale in den roman voorkomen, boezemen veel meer belang in. Over het algemeen
zijn die natuurlijk en eenvoudig en is de schrijver in de beschrijving daarvan
veel gelukkiger geweest, dan waar hij zich waagde aan de ontleding van de
gewaarwordingen en inbeeldingen van een hysterisch verstoord zenuwstelsel en
verwarde hersenen. Aardige tafereeltjes komen er in de drie deeltjes van
Eline Vere voor, waar Couperus, door de natuurlijkheid der gedachte
toestanden en personen medegesleept, de affectatie, die maar al te veel de
vormen van zijn roman beheerscht, van zich heeft kunnen afzetten. Wij noemen de
scène, waarin George van Woude zich declareert, de thuiskomst van het
jonggehuwde paar in de woning in de Atjehstraat, het thuishalen van de
natgeregende kinderen op het Geldersche buitengoed en zouden daar nog
verscheiden andere kunnen bijvoegen.
Tegen den vorm van Eline Vere hebben wij ernstige
bedenkingen. In de eerste plaats is het boek te vol personen, die men, toen het
werk voor het eerst als dagblad-feuilleton verscheen, onmogelijk kon
uiteenhouden en in de nieuwe uitgave in drie deeltjes niet uiteen-
447
houden kan, zonder herhaaldelijk na te slaan; soberheid en zelfbeperking hebben
bij de samenstelling niet voorgezeten. Maar meer nog dan dit gebrek, waarmede
men bij de lezing vertrouwd geraakt, hindert de vermoeiende, overladen stijl,
welke tot het einde toe is volgehouden. Aan dezen roman is de lof van
'distinctie' toegekend, eene lofspraak, welke niets anders op het oog kan hebben
dan de denkbeeldige verdienste, dat er niets anders in voorkomen dan
fatsoenlijke, deftige, meerendeels adellijke praedicaten voerende heeren en
dames, met goedgevulde beurzen, partijen gevende, opera's bezoekende, in
prachtige equipage naar Scheveningen rijdende of naar landheerlijken trant den
zomer doorbrengende op een kasteel in Gelderland. Men mag een schrijver geen
veelzijdigheid voorschrijven noch afkeuren, dat hij het tooneel zijner handeling
bij voorkeur in eene deftige omgeving plaatst, maar eene verdienste mag het
evenmin geacht worden, dat hij zijne lezers bij voorkeur en uitzondering
rondleidt in weelderige salons en luxueuze omgeving. Integendeel, zijn roman
krijgt daardoor eenigermate een snobbish karakter. Dien indruk maakt
althans op ons de eindelooze beschrijving van damestoiletten, van ameublementen,
van landauers, van diners en soupers, van livreien, wier dragers ons allen met
name worden voorgesteld; en daarbij komt bij ons, oningewijden, de vraag wel
eens op, of het hier beschreven leven van onbeduidendheid en lichtzinnigheid,
dat alleen van uitgaan en vermaken aaneenhangt, inderdaad een gelijkend beeld is
van de sociale toestanden in de zoogenaamde 'hooge kringen' van Nederland's
residentiestad. Al was dit alles echter anders, dan nog blijft de gemaaktheid
van stijl en woordenkeus hinderlijk, waardoor eene wonderlijke verwarring van
beeldspraak geboren wordt en gezochte vormen en alliteratiën telkens voor den
dag komen. Zoo spreekt Couperus van 'de zilveren ritseling van een neêrgesmeten
bundel lepels en vorken', waar de ritseling (?) van zilveren lepels en vorken
bedoeld moet zijn; zoo laat hij 'een groote spijt in [iemands] hart opbliksemen'
en later 'eene duizelende helderheid in [iemands] hersenen klotsen'. Elders
spreekt hij van de 'schuimachtige oppervlakkigheid' van een zijner personen en
verblijdt zijne helden en heldinnen nu eens door 'rozige verwachtingen', terwijl
hij hen later straft met eene 'grijze, zachte treurigheid' of verzinken laat in
'eene melancholische dofheid, die grijzer en grijzer wordt'. Zijne heldin
onderscheidt zich door eene 'bloedarmoedige bleekheid', draagt een kleedje van
'wolkende witheid' en vertoont nu en dan een 'glanzenden glimlach'. Al deze
voorbeelden zijn niet met zorg uit de drie deeltjes opgezocht, maar enkele uit
vele, die zich bijna op elke bladzijde voordoen. Alleen herhalen wij ons
getuigenis, dat bij sommige gelegenheden de natuur boven de leer gaat en de
schrijver bij de eenvoudige en natuurlijke tafereeltjes, die wij zoo even
aanhaalden, zich veel minder aan deze kinderlijke gemaaktheid bezondigt. Het wel
wat kwistig gebruik van Fransche uitdrukkingen
448
mogen wij hem niet euvel duiden; de omgeving, welke hij beschrijft, brengt dat
mede.
[...]*
(Uit: De Tijdspiegel 1889, nr.3,
p.442-448.)
*De recensent bespreekt vanaf dit punt een aantal andere recent verschenen romans. De tekst die op deze werken betrekking heeft, is weggelaten. Dit geldt ook voor de titelbeschrijvingen van deze romans, bovenaan de recensie.
Redactionele ingreep:
-p.445:
Piet Paaltjes > Piet Paaltjens