Index Eline Vere | Index Noodlot | Index Recensies
HET FATALISME IN ONZE JONGSTE LETTERKUNDE
door
J. van Loenen Martinet.
Haarlem,
H.D. Tjeenk Willink
1891
VOORREDE
Het
Moderamen der vergadering van Moderne Theologen, op 7 en 8 April te Amsterdam
gehouden, had als onderwerp op de agenda geplaatst, wat als titel boven deze
bladzijden staat, en verzocht mij de discussies er over in te leiden.
Ik besprak bedoeld Fatalisme als 'ziekteverschijnsel van
onzen tijd'. Wat ik daarover zeide, geef ik hierbij, op vriendelijken aandrang
van velen die het hoorden, in het licht. Ongewijzigd; en dus ook als niet anders
dan eene inleiding op de discussies.
Voor die discussies en wat ik naar aanleiding daarvan nog mag
te zeggen hebben, verwijs ik den belangstellenden lezer naar het eerlang
verschijnend nummer van het 'Bijblad van de Hervorming.'
J. v. L. M.
7
Allereerst moet mij de verklaring van het hart, dat ik niet
anders, in den strengsten zin, niet anders tot u wensch te spreken dan een woord
ter inleiding op uwe discussies. Als ik aan het einde ben, zult gij
waarschijnlijk zeggen: die verklaring was overbodig. Doch gij zult, indien gij
meer hadt verwacht, niet mogen zeggen, dat uw teleurstelling aan mij zou te
wijten zijn.
Eline Vere was van de Horse bij haar zwager en zuster in den Haag teruggekeerd in blijde, opgewekte stemming. Nu eens prikkelbaar, neerslachtig heden en morgen uitgelaten, had het rustige genot, in de landelijke omgeving van de Horse gesmaakt, haar goed gedaan. Wat had zij den kalmen, krachtigen Otto van Erlevoort liefgekregen. Alles in haar ziel was rust en tevredenheid geweest. Het scheen wel dat zij gewend was aan haar kalm geluk...... Verlangde zij naar emoties? Neen, neen! Zij had Otto zoo lief, en deze ééne emotie was
8
haar genoeg.... Nooit iets anders, altijd die rust, altijd dat blauw!
Zoo kwam zij in den Haag terug. Toen volgden levendige
beschrijvingen van wat zij had genoten. Als een genieten van nieuws in de
herinnering. En daarna?..... 't Was iederen dag hetzelfde, en zij had niets te
doen; - en 't was wel wat eentonig; - en daar waren uren dat zij Otto niet zag
en op hem wachtte in een mollige fauteuil. En Vincent, die ook niets te doen
had; met iets romantisch over zich, en iets vermoeids - het stond hem
intéressant - iets vermoeids in zijn uiterlijk, iets artistieks in zijn wijze
van spreken, kortte haar den tijd en keuvelde met haar.
Vincent's conversatie was haar een genot Zij bestreed zijn
pessimisme, en hij haalde de schouders op over haar verzet.... Zij zou het zelve
ook wel eens ondervinden; men kon zijn leven zoo maar niet maken; het een hing
af van het andere: alle omstandigheden schakelden zich samen, van het minst
schijnbare toevalligheidje af, tot de verpletterende catastrophe; en het leven
was een keten, die het noodlot van al deze toevalligheidjes en catastrophen
smeedde.... daar was niets aan te doen....
'Je gelooft dus, dat alles voorbeschikt is, en dat als ik
denk mijn eigen wil te volgen.... ja, hoe zal ik zeggen?....' vroeg zij, verward
in haar gedachten, toen zij op een namiddag een dergelijk gesprek met hem
voerde, in haar kamer.
'Je slechts schijnbaar je zin volgt, en het uitvloeisel van
dien wil inderdaad het uitvloeisel is van honderd-
9
duizenden vooraf gebeurde, zoogenaamde toevalligheidjes... Ja, dat geloof ik
zeker.'
Maar, Vincent, wat een fatalisme. Dan vind ik maar het beste
om op een stoel te blijven zitten en af te wachten wat komt.'
'Daar zou je niet zoo kwaad mee doen. Maar wees verzekerd,
dat als jij op je stoel bleef, die passieve handeling niet het gevolg zou zijn
van je wil, maar wel van allerlei kleine oorzaakjes, die je natuurlijk meestal
alle zoudt zijn vergeten of niet zoudt inzien.'
Zij dacht vaag glimlachend na en knikte langzaam.
'Het is curieus, maar ik geloof toch wel, dat je gelijk
zoudt kunnen hebben; ik voel wel zoo iets, dat het waar kan zijn.'
Zij had behagen in zulk een gesprek; meestal werd zij het met
hem eens.
En dit was haar ongeluk, dat zij behagen
schepte in zulke gesprekken, meer nog dan dat zij zich door Vincent's
redeneeringen au bout de son latin zag gebracht.
Want dat zij er behagen in schepte bewees, dat haar ziel zich
opende, om allengs het vergif in zich op te nemen, voor welks werking de
praedispositie ruimschoots in haar aanwezig was.
Door nevrose allengs verkankerend, prikkelbaar, onhandelbaar,
alle zelfbeheersching missend; met het verlangen van den morphinist nu eens
hunkerend naar emoties, dan weer smachtend naar vergetelheid, zal zij jammer op
jammer over zich inroepen. De grilzieke opwelling en opwinding zal zij uitgeven
voor haar wil, en wat zij
10
over zich inhaalt aanzien voor de beschikking van een noodlot. Dan, vol afkeer
van zichzelve en verbittering tegen het lot, wordt zij zieker en zieker naar
lichaam en ziel. St. Clare zal nog een poging doen om wat er liefs en
aantrekkelijks in Eline is van den ondergang te redden, maar den auteur behaagt
het hem te laat te doen komen. De genezingskuur wordt afgebroken bovendien en
het ziekte-proces is, vóór zij kan hervat worden, uitgeloopen in de convulsies
van den waanzin, en eindigt in suïcide, niet als wilsdaad eener zij 't dan ook
voor één oogenblik saamgegaarde energie, maar - in de halve bedwelming van den
ingenomen laudanum, snakkend naar slapen, slapen, nam zij nog een druppel of wat
meer, en.... twee- drie druppels te veel!
Onder den indruk dezer droevige catastrophe sluit gij het boek, en als eindindruk blijft hij u bij. Hij wischt allerlei andere uit, die gij van vele met groot talent, met zonderlinge aanschouwelijkheid, met treffend realisme en in artistieken stijl geteekende tafreeltjes hadt ontvangen. En terwijl uwe aandacht misschien langen tijd in meerdere of mindere mate door de vele andere personen, die in Eline's omgeving optreden, werd in beslag genomen - tegen het midden van het boek treedt zij op den voorgrond, en allengs bespeurt gij: om haar is het te doen, en dan, om de teekening van haar ziekte-proces met zijn noodlottig verloop.
De Vincent in 'Eline Vere' treedt in 'Noodlot' andermaal op in de gedaante van Robert van Maeren, door-
11
gaans Bertie genaamd. Dat wil zeggen: wat Vincent onder zekere omstandigheden
worden moet, is in Bertie te zien. Deze gluiperige, huichelende,
vagebondeerende, klaploopende schurk, geraffineerd egoïst, - het bewijst vóór
het talent van den auteur dat men, roept men het beeld van dien Bertie voor zich
op, een zekere verlichting gevoelt, door hem met dergelijke epitheta aan te
duiden - deze doortrapte cynicus dan wordt in de drogredenen, waarmee hij
zichzelven en anderen om den tuin leidt, de beweegredenen waardoor hij nu eens
bewust, dan onbewust zich laat meevoeren, de fantasiën die uit zijn zwarte ziel
opdoemen, de gore plannen die hij opwoelt of die opblazen uit de poel ven zijn
innerlijk bestaan; in heel het weefsel, waarin hij zelf verstrikt raakt en
anderen verstrikt, met niets sparende nauwgezetheid in den trant der jongste
Fransche school door Couperus met groote voorliefde en artistiek welbehagen
geanalyseerd.
De woorden en redeneeringen van Vincent, die ik straks
herinnerde, zijn in dezen Bertie eerst recht vleesch en bloed geworden. Klonken
ze daar als theses, waarmee men op een debating-club sollen kan, hier worden ze
vreeselijke en afzichtelijke ernst.
De keten van 'toevalligheidjes en catastrophen', waarvan
Vincent sprak, wordt hier voor het oog van den lezer door het Noodlot
onverbiddelijk, onafwendbaar en onverbrekelijk, zoowel om Frank en Eve als om
Bertie gesmeed. Het Noodlot toch bedient zich van Bertie, om beide
eerstgenoemden te fascineeren; van hem gaat een suggesteerenden, een
paralyseerenden invloed uit. Wel te verstaan, ten gevolge van de soevereine
macht van den
12
romanschrijver, die in dit geval deze drie menschen geisoleerd van de wereld,
die hen omringt, ten tooneele brengt. Geen invloed van buiten wordt uitgeoefend,
waardoor men zich zou kunnen denken, dat de noodlottige keten zou kunnen
doorbroken worden. Geen ander mensch buiten deze drie treedt in den roman op dan
Eve's vader, een suffende kamergeleerde, die wrevelig wordt als men hem stoort
in zijne heraldische studiën. Op deze wijze kan de auteur laten gebeuren, en
onder deze omstandigheden, bij wat deze menschen zijn, met noodwendigheid
laten gebeuren wat geschiedt. Op deze wijze laat hij Bertie komen tot zijn
bloedig einde, Frank moordenaar worden, Eve lijden aan nerveuse hallucinaties en
de beide laatsten eindelijk ondergaan in zelfmoord. Dit alles moest
zoo komen; alweder wel te verstaan, bij de gegevens door Couperus zelven
gekozen. Het is de auteur die er voor zorgt, dat het fleschje met doodend vocht
in de droevige slotcatastrophe eerst door Eve weggeslingerd, in de plooien van
het raamgordijn door haar wordt teruggevonden, ongebroken. 'Frank, gilde zij in
hare opzweving ven extase; Frank, zie, het is niet gebroken, het is
heel! Het is het Noodlot, dat het niet heeft willen laten breken!' - maar de
schrijver wilde dat het niet breken zou.
Gij zult zeggen: maar dat spreekt van zelf; de opmerking is
volkomen overbodig door het feit, dat we hier met een roman, een verdichting te
doen hebben. Zult gij er Shakespeare een verwijt van maken, dat hij Desdemona
den zakdoek doet verliezen, dien Emilia opraapt en die daardoor Jago in handen
komt?
13
Maar van een verwijt is hier geen sprake. Wie 't leven
teekent, ook als romandichter teekent zooals het is, zal er zeker mee moeten
rekenen, dat toevalligheden van deze soort er een groote rol in spelen. Doch dan
zal men moeten toestemmen dat de auteur, hij zij naturalist of realist zooveel
hij wil, zijn subjectiviteit niet verloochenen kan, zoodra hij feiten kiest en
hun groepeering regelt naar zijn welbehagen. 't Is dan maar de vraag of de
feiten in hun onderlingen samenhang en in verband met de karakters, die
geteekend worden, een stuk werkelijkheid te zien geven, zooals zij is, of
althans kán zijn.
Is het te sterk gesproken, wanneer men in dit opzicht
'Noodlot' een hors d'oeuvre acht? Vincent in 'Eline Vere' is een
bestaanbaar wezen. Maar Couperus heeft er zich toe laten verleiden zich voor te
stellen wat van zulk een Vincent worden moest, indien hij nergens tegenstand
ontmoette, alles hem meeliep, alle toevalligheden hem hielpen, alle menschen
onder zijn invloed kwamen. Indien hij bij machte ware alle betere opwellingen
het zwijgen op te leggen en 't hem gelukte alle medegevoel en dankbaarheid door
de bedenksels van een spitsvondig egoïsme dood te drukken. Dan zou hij een
Bertie worden. En zoo is het gebeurd, dat men ondanks 's schrijvers talent,
ondanks de fijne psychologische ontleding, de schitterende détails, de van
aangrijpende waarheid tintelende bladzijden, die men, naast wat er stuitends en
hinderlijks en onschoons in is, aan 'Noodlot' zeker niet zal ontzeggen, ten
slotte toch den indruk behoudt, als had men een poosje met eenige krankzinnigen
geleefd; niet met menschen van vleesch en bloed,
14
maar met schrikkelijke spooksels te doen gehad. Wie Jago begrijpt in zijn
zedelijke afschuwelijkheid zal toch moeite hebben, dunkt mij, ja er van afzien,
zou ik denken, een Bertie te verstaan. Hij zal eindigen met hem te houden voor
een in afzichtelijk menschenmom optredend fantoom.
Doch indien dit waar is, kan men dan niet vragen, met welk
recht, naar aanleiding van dit letterkundig product, van het fatalisme, zooals
het daarin optreedt, wordt gewaagd als van een ziekteverschijnsel van onzen
tijd, dat de aandacht zou verdienen? Is het dan niet veeleer de uiting van
een geëxalteerd kunstenaarsbrein?
Ik houd Couperus voor een te ernstig artiest, dan dat ik zijn
werk zou durven beschouwen als het product van een ontstelde verbeelding, zich
vermeiend in het ontwerpen van karakters en toestanden, die niet uit de
werkelijkheid, waarin hij leeft en die hij voelt, zouden zijn opgegroeid. Bij
zich zelf en bij anderen heeft hij waargenomen de neiging tot zekere theorieën,
die in een fatalisme moeten uitloopen, welks karakter hij teekent. Het mag niet
allerwege en bij elkeen in zoo acuten vorm, in zoo intense werking, zoo door
niets geneutraliseerd, in zoo onbeperkte heerschappij en met zoo volslagen
verkankering zich openbaren, het is toch een ziektestof die invreet, en het
besef van verantwoordelijkheid, het plichtgevoel, de zelfbeheersching, met één
woord de zedelijke persoonlijkheid wegvreet. Men kan, na 'Noodlot' gelezen te
hebben, een wijle onder den indruk verkeeren, dat de auteur zelf het fatalisme
huldigt, 't welk hij in beeld wil brengen; dat hij in andere verhouding tot de
schepping zijner verbeelding staat, dan een Sha-
15
kespeare, bijv. als hij Jago's karakter teekent - maar men eindigt toch met te
erkennen: de schrijver voelt dit fatalisme als iets afschuwelijks, als een
afzichtelijk dreigend spook, dat men zich met alle inspanning moge van het lijf
trachten te houden, maar dat toch nader sluipt, en u aanvat, u den adem beknelt
en u straks zal verstikken. Vergeten wij niet, dat aan Bertie onder den greep
van het monster de kreet wordt ontperst: 'O God, hoe is het mogelijk, dat ik
ben, die ik ben!'
De schrijver heeft willen zeggen, voorzoover bij een natuur
als de zijne van bedoelingen, die buiten de eigenlijke kunst omgaan, kan sprake
zijn - hij heeft willen zeggen: aan een fatalistische wereldverklaring zijn wij
toe; en: hiertoe kan zij, onder zekere omstandigheden althans, moet zij
leiden. En de beklemmende indruk, dien de lectuur van den roman achterlaat, is
hieraan te wijten, dat de schrijver dit zonder verschooning uitspreekt, en door
niets verraadt, dat hij haar in den grond voor logenachtig en eene andere voor
mogelijk houdt. Hij zegt: wij zijn ziek, door en door ziek, ziek zonder hoop op
herstel. Hij weet althans op genezing geen uitzicht te openen. Toegestemd, dat
het óók fatalisme is, dit als een onontkoombare fataliteit te stellen.
Ik behoef er niet op te wijzen, dat het naturalisme van Zola
en zijne school ditzelfde fatalisme predikt als resultaat der wet van oorzaak en
gevolg, in mechanischen zin op de ontwikkeling van 's menschen karakter en de
zedelijke levensmotieven toegepast. Maar bij Zola en consorten zwijgt het
innerlijk protest; er wordt geen zielekreet vernomen der in wanhoop wegzinkende
per-
16
soonlijkheid. Men zou haast zeggen: het ziekte-proces is daar voltooid; al het
gezonde weefsel weggevreten. Zola beschrijft wat is, en niets roert zich, niets
schreeuwt het uit, dat het anders zon willen zijn.
Men heeft er wee over geroepen en het der Gidsredactie euvel
geduid, dat zij 'Noodlot' een plaats gaf in haar tijdschrift. De beschrijving
van het moordtooneel, wansmakelijk en walgelijk in de hoogste mate in haar
minutieuse bijzonderheden, en, wat de uitvoerigheid betreft, volkomen nutteloos
en uit geen enkel oogpunt geboden, gaf dat protest in. Doch niet minder wat
'gewone' lezers de 'strekking' van een stuk noemen; gewone lezers, ik
bedoel hen, voor wie de kunst niet buiten het leven omgaat, en wier
schoonheidszin zich niet gestreeld kan voelen, wanneer wat overigens in hen nog
gevoel bezit en tegen beleediging reageert, pijnlijk wordt aangedaan. Hun
hinderde de toon waarin het stuk stond; hen beklemde de lucht waarin het hen
deed ademen. Alleszins verklaarbaar. Toch behooren zij bij hun oordeel in
rekening te brengen, dat, afgezien van het letterkundig en plastisch talent, dat
voor opneming kon pleiten; indien men redenen wil laten gelden, die misschien
buiten het gebied der litteraire kunst in engeren zin gelegen zijn, in 'Noodlot'
de menschenziel niet dan na bloedig verzet, na eene uiterste krachtsinspanning
en met een smartelijken snik zich gewonnen geeft - de menschenziel van Louis
Couperus, bedoel ik.
Dat nu ons geslacht aan de ziekte blootstaat, door onzen
auteur geteekend en als ziekte gevoeld, kan, dunkt mij, niemand loochenen.
Deterministen als wij allen zijn,
17
naar ik meen, en ook indien onder ons een overtuigd indeterminist mocht
schuilen, wij allen zullen moeten toestemmen, dat een geslacht onder zekere
invloeden kan leven, den neerslag van zekere theorieën kan gevoelen, zonder er
zich helder rekenschap van te kunnen geven. Zoo gaat het u en mij; zoo gaat het
een geheel geslacht. Het tegenwoordige groeit op onder den invloed van
beschouwingen, uit eene organische in tegenstelling met eene mechanische
wereldopvatting geboren, zonder het echte, ouderwetsche supranaturalisme, dat
althans een deel der wereld voor zich placht in beslag te nemen.
De causaliteitswet voert onbeperkte heerschappij. Wij hebben
haar aanvankelijk gehuldigd op elk gebied, dat indien ik het zoo zeggen mag,
buiten ons, buiten ons zieleleven, ons persoonlijk leven ligt. Bij haar licht
ons den loop der dingen in de natuur voorgesteld en eveneeens den loop der
geschiedenis. Maar toen zij den vinger had, heeft zij allengs de geheele hand
genomen.
Vóór wij 't wisten, was zij van het gebied der verschijnselen
in de stoffelijke wereld getreden op dat der verschijnselen van het zieleleven.
Dat kon niet anders - wij moesten het erkennen - want het eene grijpt in het
andere in. Van het wijsgeerig determinisme - ik spreek van wat den leeken in
deze dingen, en daaronder kunnen ook theologen zijn, is overkomen - van het
wijsgeerig determinisme hoorden wij en lazen wij; en van het ethisch
determinisme eveneens; en menigeen, die misschien Scholten's 'de Vrije wil' had
gelezen, gaf zich gewonnen aan het betoog, zóó opgezet, in die terminologie
gevoerd; de wil was gedetermineerd, kon niet
18
anders dan gedetermineerd zijn; en de groote Leidsche dogmaticus toonde
zonneklaar aan, dat, zou er sprake kunnen wezen van deugd en zonde, van berouw
en zelfverwijt, van schuld en geweten, van God en godsdienst, in christelijken,
dat wilde dan zeggen: in gezonden zin, dit alleen bij de veronderstelling van
den gedetermineerden wil kon mogelijk zijn. Toch meen ik dat de leeken in het
vak, ja, ik waag het het uit te spreken, de maestro's zelven in menig onbewaakt
oogenblik, in alle stilte, clandestine, nog wel eens indeterminisme
pleegden. Wie mij logenstraffen wil, sta straks op en legge zijn getuigenis af.
Maar indien het hun alzoo ging, die de boeken van Scholten lezen konden, en het
wijsgeerig betoog konden volgen, hoe moet het dan met hen zijn gegaan, die, als
bij geruchte, den nagalm van dat geleerd betoog vernamen in de populaire
voordracht en de litteratuur van den dag? Men kan die dingen wel zoo zeggen, en,
men kan wel gelijk hebben, maar... maar:'ik ben toch vrij, en voel mij toch
vrij, en kan toch doen wat ik wil.'
Toen is men gekomen met het hypnotisme en de suggestie: 'gij
verbeeldt
u een vrijen wil te hebben.' En met de herediteit - men zag haar aan den arbeid
in Ibsen's 'Spoken' -: 'gij werdt met dien erfelijken aanleg geboren.' En met de
neuralgie: - 'hoe zou zoo'n mensch verantwoordelijk zijn!' En toen zijn de
criminalisten met hun statistieken gekomen: de dronkaard gewon den dronkaard, de
dief den dief, de moordenaar den moordenaar. En toen is de sociale wetenschap
gekomen en heeft bewezen van wat beteekenis de uiterlijke omstandigheden
19
voor den aanleg, den groei en de ontwikkeling van het innerlijk leven zijn. Toen
is heel de empirische wetenschap, die met den mensch zich bezig houdt, in
physiologie en psychiatrie en pathologie, kortom in al haar vertakkingen de
causaliteitswet van toepassing komen verklaren op de functiën van 's menschen
lichaams- en zieleleven.
Hier traden in stee van redeneeringen feiten op, naar 't
scheen door ieder waar te nemen, door ieder te waardeeren. En wat is
overtuigender, wat schijnt
eenvoudiger dan een feit?
Ja, er is meer te noemen. Meent gij misschien dat die kant
van 's menschen wezen, waar de maatstaf van het zedelijk oordeel en der
waardeering van schoon en leelijk ligt, althans een vrij terrein oplevert voor
spontaneïteit en zeIfstandigheid? 't Mocht wat! Ook daar - zoo leert men u, niet
met een wijsgeerig betoog maar met feiten - wordt de levensuiting door allerlei
bepaald, door overlevering en gewoonte, door de wet van erfelijkheid en
aanpassing, door eigenaardigheid van ras, door temperament en gestel. In één
woord: al wat ge zijt in uw onbewuste handelingen, maar ook in uw weldoordachte
plannen; in wat gij schandelijks overlegt en doet, en evenzeer in wat gij edels
bedenkt en als het hoogste nastreeft; ja, in uw appreciatie van schandelijk en
leelijk en edel en hoog en laag - in alles wordt gij bepaald, gemaakt, gekneed,
en de wet van oorzaak en gevolg, eerst gehanteerd als het middel ter verklaring
der wereld buiten u, thans aangepast ook aan uw persoonlijk en geestelijk
bestaan, omwikkelt u van allen kant, omhult u van alle zijden, perst en kneedt
en fatsoeneert u tot
20
een ding uit de duizenden dingen, dat, ja zichzelf bekijken kan, maar
ook dán gedwongen wordt zich te bekijken op die, juist op die manier.
De wet van oorzaak en gevolg! Ach, wie geeft ons een
ander woord voor dat wet, aan misverstand zoo rijk en aanleiding voor
zoo velerlei onjuiste gevolgtrekking! De niet wetenschappelijk en wijsgeerig
ontwikkelde - o, en deze niet alleen - denkt zich vóór hij 't bespeurt en er
zich rekenschap van geeft, achter de wet een doel dat bereikt, een plan dat
volvoerd wordt. En de 'leek' - doch niet de 'leek' alleen, schuift onder de
wetenschappelijke formule allerlei wat niet tot het domein der wetenschap
behoort. Terwijl wij bezig zijn met veel wijsheid de mythische bestanddeelen af
te scheiden uit wat de overlevering omtrent het verleden verhaalt, duikt
diezelfde mythologische neiging in onzen aanleg weer op bij de interpretatie van
bloot in empirisch-wetenschappelijken zin bedoelde formules.
Een wet - ach, wat baat het of gij in wonderlijk
overdrachtelijken zin spreekt van een onbewusten wil - een wet
veronderstelt een Wil, die haar stelt; een die het er op aanlegt u onder haar te
vangen; of liever, die er u onder gevangen heeft, en u misleidt met den waan dat
ge er niet onder gevangen zoudt zijn. Een Wil buiten u, die tegen u ingaat; die
de 'toevalligheidjes' in zijn dienst stelt om u tot zijn offer te maken; die
naar de 'catastrophen' u leidt, zonder dat gij 't vermoedt, of voorzien kunt, of
u er tegen kunt wapenen. Die, gij weet niet waarom, en gij ontvangt geen
antwoord op uw waarom? u vijandig is, tot hij u tot
21
een apathisch, willenloos, bloot passief wezen heeft gemaakt; aan wien gij, met
handen en voeten gebonden, u overgeeft; die u, - Bertie had 'soms het naïve
geloof, dat het lot hem in het laatste oogenblik toch gunstig zou blijken te
zijn; zijn fatalisme was als een godsdienst, die hem sterkte en hoop gaf' - die
u beurtelings doet hopen en vreezen; - want wat schijnt een mensch ten slotte
grilliger dan de tot een Fatum aangekleede wet van oorzaak en gevolg? - en die
eindigt met u te vertrappen. Zoo reikt de mensch der 19e
eeuw, die het wereldraadsel waant te verklaren, de hand aan den mensch, die in
zijn armelijke 'eerste beginselen' vragend, angstig, bevend en sidderend voor
het wereldraadsel staat. En dit zou niet een ziekteverschijnsel mogen heeten; of
noemt gij 't liever een atavisme?
Al moet erkend worden, dat de ziekte niet allerwege in zóó
acuut, zoo scherp geteekend karakter en verloop, misschien nooit in zulk een
isolement optreedt, als 'Noodlot' haar te zien geeft - de ziektestof zit in de
lucht en heeft een besmettende uitwerking. En deze openbaart zich hier in wrevel
en bitterheid, die de vuist doet ballen tegen het Noodlot, in mythologischen
waan als een boozen God gevloekt: - en 't behoeft u niet te verwonderen als
straks de tijd komt, dat men met den toestel van het bijgeloof zal trachten dien
God te verbidden; - ginds openbaart zij zich in willelooze apathie, levensmoede
melancholie, hopelooze lijdelijkheid; elders in cynische ontkenning van 't
onderscheid tusschen goed en kwaad, in verloochening van specifieken
menschenadel, in gewetenlooze, zij 't dan ook in eene met
22
vernuft en kennis en talent drievuldig gekroonde, maar daarom juist drievoudig
vermaledijde beestelijkheid.
Het kan niet in mij opkomen u uit te
noodigen, ter ontkoming van een heilloos fatalisme. schuil te gaan bij een
indeterminisme, dat voor ons zoo goed als verloochening van heel onzen
wetenschappelijken rijkdom zou zijn, en verloochening van meer dan deze. Het
determinisme is niet maar een uit begrippen opgetrokken bergplaats, waar wij,
zoolang 't noodig zal blijken, eenige saamgegaarde schatten onder dak brengen,
maar een huis, waarin wij leven zooals wij zijn, met al wat wij hebben; leven
als wetenschappelijke, als zedelijke, aIs godsdienstige menschen. Op het
determinisme als vrucht eener organische wereldbeschouwing rust al onze
wetenschap, zooals wij die plegen te verstaan. Van het determinisme gaat uit
onze opvoeding, ons onderwijs, heel onze maatschappelijke arbeid. Het
determinisme is de keerzij van ons vertrouwen op God en is eene uitdrukking van
ons godsdienstig geloof. Neem het determinisme weg en ons ontvalt waaraan wij
een houvast kunnen hebben op aarde en in den hemel.
Wij zijn er van overtuigd, dat er alleen van eene wetenschap
van ons geestelijk leven, van zielkunde en van zedenkunde, evenzeer van
vruchtbaar en heilrijk handelen kan sprake zijn, bij volstrekte toelating en
absolute handhaving van het determinisme.
Wij kunnen het bejammeren, dat onze letterkundigen zoo
haastig zijn met aan gissingen en vermoedens, als vaststaande determinereende
feiten, een rol toe te kennen in
23
hun romans. Wat is men er haastig bij geweest om het hypnotisme te
dramatiseeren! En spreekt niet Zola van een wet der erfelijkheid, die vast zou
staan als de wet der zwaartekracht?
Het mag in strijd zijn met den ernst der wetenschap en
getuigen van laakbare geringschatting der belangen die er mee gemoeid zijn,
wanneer Italiaansche criminalisten, op grond van statistieken die nog alleszins
herziening schijnen te behoeven, al te overijld herziening van het strafrecht
vragen.
Het mag afkeuring verdienen, dat sociale hervormers met veel
marktgeschreeuw verandering in de maatschappelijke toestanden eischen, niet op
gronden aan het recht ontleend, of met drangredenen door de liefde ingegeven,
maar onder voorspiegeling van den 'staat der rechtheid' in een aldus herwonnen
paradijs.
Er mag reden zijn om over dit alles te toornen als over de
oppervlakkigheid, de waanwijsheid, de lichtzinnigheid, die er zich op deze wijze
toe zet het ingewikkeld probleem der menschelijke persoonlijkheid te
ontraadselen.
Dit alles verder te bespreken ligt thans niet op mijn weg en
behoort niet tot mijn bevoegdheid; maar zeer zeker neemt dwaling wat betreft het
constateeren der determineerende factoren het feit niet weg, dat wij in ons
geestelijk leven, in heel zijn omvang zijn gedetermineerd. En voor het
oogenblik komt het hierop aan. De vraag is maar of dat gedetermineerd zijn
behoort opgevat te worden in fatalistischen zin.
Ik mag er niet aan denken heel het vraagstuk van den vrijen
wil voor u te behandelen. Maar wel mag ik
24
er op wijzen, dat het, nu het afgehandeld scheen in de studeerkamer, eerst van
bijzondere beteekenis schijnt te worden voor het leven. Wanneer de litteratuur
het in behandeling neemt, dan eerst begint een vraagstuk een levensvraag te
worden; voor de wetenschappelijke zielkunde, voor de wetenschap van het zedelijk
leven, voor die der samenleving een vraagstuk bij uitnemendheid. Niet voor het
afgetrokken denken, maar voor de practijk in den hoogsten zin van 't woord.
Ik roer het verder zelfs niet aan, dan alleen in één enkel
opzicht.
Een der oorzaken van het fatalisme ligt in de huldiging eener
averechtsche theorie: een determinisme, dat de feiten van het zedelijk leven
miskent. Ik moest zeggen het eene, groote feit, den aard zelf van het zedelijk
leven. Dat namelijk de mensch, als zedelijk wezen, en hoe hooger hij als
zedelijk wezen komt te staan, vrij zich voelt; in zijn willen gedetermineerd
door zijn denken en zijn gevoelen, vrij zich voelt; dat is,
inderdaad vrij is. Want vrijheid, waarvan hier alleen sprake kan
zijn, zedelijke vrijheid, kan niet anders dan voor ons bewustzijn bestaan, maar
bestaat dan ook, niet als een waan, niet als een begoocheling van een nijdig
fatum, maar als een werkelijkheid.
Aan de leerlingen der hoogste klasse van de Duitsche
gymnasia, las ik onlangs, werd als onderwerp voor een opstel gegeven deze vraag:
Wer hat Recht: Schiller der sagt: 'der Mensch ist frei geschaffen, ist frei, und
wird er in Ketten geboren,' oder Torquato Tasso bei Göthe, wenn er sagt: 'Der
Mensch ist nicht geboren frei zu sein.'
25
Wat de Duitsche gymnasiasten er van gemaakt hebben, weet ik
niet. Doch hoogst waarschijnlijk zullen zij von Hartmann niet hebben
gelogenstraft, die eens schreef: 'het begrip der vrijheid is een der meest
geliefkoosde thema's voor wijsgeerige bewerking, maar daarbij heerscht een
scheefheid, eenzijdigheid, onduidelijkheid en verwarring, alsof een koor van
honderd redenaars in honderd verschillende talen terzelfder tijd redetwistten.'
Zou de quaestie inderdaad niet voor vereenvoudiging vatbaar zijn?
Neen, de mensch wordt niet vrij geboren, maar hij is geroepen
om tot vrijheid te komen, om in gebondenheid aan de wetten die tot zijn
menschelijk wezen behooren en zijn zedelijke ontwikkeling beheerschen, zich
normaal, zich gezond, zich vrij te gevoelen.
Uit kan alleen onverstaanbaar zijn voor hen, die in het
specifiek menschelijke niet gelooft; wien het onderscheid tusschen hooger en
lager in de menschelijke ontwikkeling ontgaat, en die weigert voor die
ontwikkeling een norm te stellen.
Toen de hoogleeraar van Hamel, de Amsterdamsche, in zijn
jongste oratie over de tegenwoordige beweging op het gebied van het strafrecht,
de samenwerking en voorlichting van magistraten, balie, gevangenisbesturen,
politie, de leiding der vertegenwoordigers van de geneeskundige, de bezieling
van die der natuurkundige faculteit inriep, had hij der theologische faculteit
niets te vragen. Beoefenaars der godsdienstwetenschap, die op deterministisch
standpunt staat, kwijt u ook ongevraagd van de schoone taak, die, naar 't mij
voorkomt, bij
26
stijgende moeilijkheid met te grooter bezieling op dit punt door u moet worden
aanvaard.
Op dit punt: dat onze idealen, dat, wat ons oog doet
schitteren van verrukking en onze ziel doet trillen van bewondering en
geestdrift, niet is de toevallige en willekeurige werking van door een grillig
spel samenwerkende krachten, die straks bij even grillig uiteengaan haar werk
ter vernietiging doemen - maar dat onze menschelijke idealen ontluiken uit
zaadkorrels door dezelfde hand in het menschelijk hart gezaaid, die ook den
vroegen en den spaden regen en den zonneschijn beschikt, door dezelfde hand die
ook de voorwaarden schept, waardoor de groei en de ontwikkeling en de volle
ontplooiing wordt gewaarborgd.
Idealen. Wat bewondering vraagt en geestdrift wekt, snijdt
aan dit soort van fatalisme den wortel af, want zijn oorzaak ligt in een
verkeerde levenspraktijk, eene die, de tuchteloosheid zelve, de motieven ter
wilsbepaling verwaarloost.
Het verdient niet als een ernstig wijsgeerig stelsel op
ernstig-wijsgeerige gronden te worden weerlegd, vóór dat het eenige studie van
het causaliteitsbegrip zal hebben gemaakt en getoond zal hebben te bevroeden,
dat men in velerlei zin van oorzaken kan spreken. Zoover echter zal het
waarschijnlijk nooit komen. Het fatalisme, waarmee wij hier te doen hebben, is
het bezinksel van een matten, tragen levensstroom. Mat en traag - verwondert er
u niet over, dat ik hier dit beeld gebruik om den toon weer te geven, die in de
letterkundige producten, waarmede wij ons thans bezighouden, de heerschender is.
27
Verwonderen kon het u, wanneer ge bedenkt, dat heftige emoties er aan de orde
van den dag, uitbarstingen van nerveuse prikkelbaarheid, opzwevingen van extase,
allerlei convulsies en hallucinaties er schering en inslag zijn. Verwonderen kan
het u niet meer, als gij u voorstelt hoe aan het zeestrand de matte, laffe,
loome, flauwe golfrimpeling in de onmiddellijke nabijheid van het boven de
ondiepte ruischelende, spritsende, spattende water wegdommelt en wegsterft,
afloopend over het zand.
Boven de ondiepte. Want deze menschen denken en denken, maar
- over niets. Deze menschen voelen, voelen allerlei en - gevoelen toch eigenlijk
voor niets. Deze menschen leven, leven 'intens', en leven toch ten slotte voor
niets. Een vertoon, een druk vertoon van zenuwen, en nog eens zenuwen - maar
waar zijn de spieren en waar is het bloed? 't Geldt niet van Bertie alleen, dat
'zijn lijf en zijne ziel beide waren geweekt in een bad van lauwe weelde,' dat
hij geworden was 'als eene kasplant, die, gewend aan de vochte warmte der serre,
er niet tegen kan, dat zij in de open lucht wordt gezet.'
Daar moet het fatalisme, zooals het hier optreedt, worden
gekweekt, de tegenvoeter van de calvinistische praedestinatieleer, die
uitdrukking gaf aan het bewustzijn van tot iets groots geroepen, voor iets
groots bestemd en iets groots bekwaamd te worden. Want ten slotte is iedere
theorie, die boven de bloote empirie uitgaat, en als zoodanig tot het gebied des
geloofs behoort, de weerspiegeling van practische behoeften, van practisch
levensbeleid, van practischen levensdrang. Daarom, zal de kwaal
28
van het fatalisme worden bestreden, dan is beter practijk, eene die de motieven
ter wilsbepaling wekt en sterkt en in de goede richting voert, zeker niet minder
noodzakelijk dan juister theorie.
Want er is positief veel te doen tot wering van verdere
besmetting, al mag men verwachten dat de kwaal juist in haar artistieke uiting
op den duur haar correctief zal vinden.
Een kwaad, als kwaad te voelen, door dat het in zijn
verderfelijke uiting, onverbloemd en van alle omhulsel ontdaan voor ons komt te
staan, is reeds iets. 't Is meer gebeurd, dat juist de letterkundigen, de
dichters, de dramatici, de romanschrijvers, als dienstdoende engelen van den
goeden genius der menschheid haar hebben doen gevoelen waar zij stond, wat haar
bedreigde en van een harer kwalen de diagnose opstelden.
Maar dan moeten, vóór de genezing volgen kan, eerst de offers
vallen. Onzer mede de taak, dat aantal zoo klein mogelijk te maken. Onzer de
taak om een zedelijk en geestelijk milieu te vormen, waarbinnen de met
letterkundig talent begaafden straks als dichters, als dramatici, als
romanschrijvers profeteeren zullen van een anderen geest en getuigen van reiner
en hooger levensdrang.
Wat tegen dat fatalisme in de kunst te doen? heb ik een
mijner vrienden gevraagd. Niets! was het antwoord, dan te zijn die gij zijt. -
En romans schrijven, vroeg ik nogmaals, die van beter dingen spreken? - Ja, was
het wederwoord, maar dan met nóg meer talent.
Zal de tijd komen dat de talenten die opdracht gevoelen, en
aanvaarden, en volvoeren?
29
Welk een macht ligt in de litteratuur van den dag!
Maar zij is toch eigenlijk niet anders dan de weerspiegeling
van het leven, waaruit zij opgroeit.
Uit de romans van Couperus is, met een enkele uitzondering,
ook maar de flauwste herinnering aan godsdienst verbannen. In de wereld waarin
deze schrijver leeft, heeft hij, naar 't schijnt, zoover zijn oog reikt, ook den
uiterlijken vorm van godsdienst niet ontdekt, of het moest de doodende cultus
van het Fatum zijn.
Een teeken des tijds. Een oproeping tot den arbeid. Een
aanwijzing van onze taak. Een herinnering aan onze ernstige
verantwoordelijkheid. Een drang tot zelfbeproeving en een reden tot ootmoed.
O, ons korte leven, en de groote, groote levenstaak.
Gelukkig, indien wij gelooven dat dezelfde Macht, die ons determineert tot haar
aanvaarding, bij onze feilbaarheid en onvolkomenheid ons waarborgt haar
voltooiing.
Redactionele ingreep:
-p.21:
met a den toestel van het bijgeloof > met den toestel van het bijgeloof