Index Eline Vere | Index Recensies
DE HAAGSCHE ROMAN VAN LOUIS COUPERUS.
Welk denkbeeld is er te hechten aan het
woord: 'Haagsche Roman'?
Men zou kunnen zeggen - een verhaal in proza, waarvan de
schrijver zijne lezers naar Den Haag verplaatst.
Doch deze beschrijving zou blijken niet bestand te zijn tegen
toepassing op kleiner schaal, daar in dat geval de auteur, die een verhaal
samenstelt, waarvan de handeling te Edam speelt, ook het recht zou moeten worden
gegund, om van een Edamschen roman te spreken. En er zou hier eene dubbele
moeilijkheid ontstaan, omdat de een of ander snaaksche vriend de verwantschap
zou willen aantoonen tusschen Edamsche romans en Edamsche kaas.
384
Een Haagsche roman behoort dus niet alleen in Den Haag zijn drama te
ontwikkelen, maar den lezer geheel eigenaardig Haagsche toestanden en Haagsche
persoonlijkheden voor de verbeelding te roepen. Indertijd heeft Gerard Keller
Haagsche novellen
geschreven, waarvan het tooneel in het een of ander departement van algemeen
bestuur geplaatst werd - en hij heeft zonder eenigen twijfel eene echte Haagsche
novelle voltooid, toen hij 'De geschiedenis van een Dubbeltje' in 't
licht gaf. Niet minder zuiver Haagsch zijn sommige novellen van Piet Vluchtig,
vooral zijn meesterwerk: 'Een Spoedstuk'.
Het blijkt uit deze voorbeelden, dat er van Haagsche novellen
en Haagsche romans mag gesproken worden. Louis Couperus, dichter van zeer fijn
bewerkte verzen, stralende van iets uitheemsch en veelkleurigs, ons allen bekend
als een der meest belovende onder de jongere Nederlandsche letterkundige
kunstenaars, heeft ons thans zijn
Haagschen roman: 'Eline Vere' in drie fraaie deelen aangeboden.*)
De eerste vraag mag hier luiden - welke eigenaardig Haagsche
toestanden en Haagsche persoonlijkheden worden in dit kunstwerk behandeld?
De auteur zet geen voet in de ministeriën, noch in de
vergaderzalen der Eerste en Tweede Kamer. Behalve een meid bij de familie
Verstraeten en een knecht bij den heer Van Raat, merkt men geen spoor van het
Haagsche volk en de kleine Haagsche burgerij. De diplomatie, het Hof, de bloem
van den Haagschen adel treden evenmin op.
Toch vertegenwoordigt de familie Van Erlevoort den Haagschen
adel, en wel door een zeer talrijk personeel. Deze familie sluit zich aan bij
een zeer gegoed gezin uit den hoogeren burgerstand, het niet minder talrijk
gezin der Verstraeten's. Tot dezen stand behooren de oude Mevrouw van Raat en
*) Amsterdam, F. N. van Kampen & Zoon. Bij het afdrukken van dit blad lees ik in
den „Gids" een gelijksoortig betoog, 'Les..... esprits se rencontrent!'
385
hare beide zonen, benevens de familie Vere. Verschillende groepen van den
tweeden of derden grond zijn te rekenen tot denzelfden stand. Van het
eigenaardig Haagsche komt het grootste deel toe aan de Opera, aan het Haagsche
Bosch, aan Scheveningen en het Badhuis.
Men treedt dus met Louis Couperus in eene wereld van zeer
fatsoenlijke, zeer rijke, zeer onafhankelijke menschen, die niets anders te doen
hebben, dan hun leven aan uitspanningen en verstrooiingen te wijden. Eene
uitzondering moet gemaakt worden voor den Oost-Indischen ambtenaar Ferelijn en
zijne vrouw, die zeer zuinig moeten leven van hun verloftraktement. Maar de
overigen zijn volkomen vrij. De heeren Henri en Paul van Raat wijden hun tijd
aan wandelingen en visites, aan het slot zoekt Paul eene betrekking, als hij
teleurgesteld is door een mislukt huwelijksaanzoek. Otto en Etienne van
Erlevoort zijn eenigszins meer bezig; de eerste, na het verbreken van zijn
engagement, de andere als student te Leiden. De oude heer Verstraeten zit
meestal te lezen in zijne serre. Vincent Vere wacht steeds op
betrekkingen, die hem naar Amerika of Java zullen roepen. Het spreekt van zelf,
dat deze Haagsche heeren en dames veel tijd kunnen geven aan de zoete plichten
der gezelligheid, en dat men elkander geen bezoek schuldig blijft.
Hoort men ze te zamen spreken, dan treft terstond het
eigenaardig Haagsche Nederlandsch, dat dezen kring volkomen karakteriseert.
Alles is 'elegant'; de salons en boudoirs zijn elegant gedrapeerd met draperieën
van vieil-or-peluche, en gevuld met tabourets, pouffes
en babytafels. De dames verschijnen in toiletten van kanten en
étamine; als zij hoesten nemen zij cough-lozenges
uit bonbonnières. Zij causeeren of vervallen in eene
bruyante flirtation met de heeren uit haren kring, als zij elkander te
Scheveningen ontmoeten. Hebben zij geen lust tot flirten, dan zinken zij weg in
langoureuse revasserieën, of barsten uit in een fou rire.
386
Nadat Louis Couperus eenmaal zijn personeel in de aangegeven kringen had
gesteld, moest hij zijne personen wel in deze taal doen spreken. Doch daarbij
openbaren zich terstond twee eigenaardigheden: de auteur vergeet soms, dat hij
voor zich zelf niet behoeft gebruik te maken van dit Hoog-Haagsch dialekt; doch
zoodra hij er aan denkt, dat de taal van een Nederlandsch romanschrijver eene
andere is, geeft hij meesterlijke bladzijden.
'Eline Vere' mag met volkomen recht een Haagsche roman heeten; met
hetzelfde recht, 't welk Alphonse Daudet op het titelblad van zijn 'Nabab',
zijn 'Numa Roumestan', zijne 'Sapho', zijn 'Immortel',
de verklarende omschrijving 'Moeurs parisiennes' deed stellen. Ik ga
niet te ver, wanneer ik onzen jongen romanschrijver in verband breng met een
meester als Alphonse Daudet. De frischheid, de glans, het tintelende en
fonkelende van Daudet's schilderingen, van Daudets helden en heldinnen, dit
alles schijnt in de beste gedeelten van Couperus' roman een zeer heilzamen
invloed te hebben uitgeoefend.
Om deze stelling te staven, zou ik op zeer vele en zeer
verschillende tooneelen kunnen wijzen.
Men veroorlove mij alleen aan een enkel tafereeltje uit 'Le
Nabab' te herinneren. Het is de kleine buitenpartij in het Bois de
Boulogne, als de heer Joyeuse met zijn frisch viertal knappe dochters, met Paul
de Géry en André Maranne, de verloving zijner tweede dochter Elise viert. De
oudste, na den dood der moeder, altijd door de zusters 'Bonne Maman'
genoemd, de allerbeminnelijkste Aline, verheugt zich over het geluk van Elise en
André. Zij heeft haar arm gegeven aan Paul de Géry, die tot zijn grooten spijt
den volgenden dag afscheid zal nemen, om eene ambtsreis naar Tunis te maken. Als
de beide jongelui een oogenblik alleen zijn buiten het gewoel
387
der menschen, durft de Géry Aline zijn geheim, zijne liefde, te verklaren. Hij
had een portret in omtrek van haar bloeiend schoon gelaat in een medaljon - zijn
troost, zijn talisman. En nu gaat Daudet verder:
'Il lui mit sous les yeux un petit cadre ovale entourant un
profil sans ombres, un simple contour au crayon où elle se reconnut, surprise
d'être si jolie, comme reflétée dans le miroir magique de l'amour. Des larmes
lui vinrent aux yeux sans qu'elle sut pourquoi, une source ouverte dont le flot
battait sa poitrine chaste. Il continua:
Ce portret m'appartient. Il a été fait pour moi. Cependant au
moment de partir, un scrupule m'est venu. Je ne veux le tenir que de vous
même!.... Prenez le donc, et si vous trouvez un ami plus digne, quelqu'un qui
vous aime d'un amour plus profond, plus loyal, que le mien, je vous permets de
le lui donner.
Elle s'était remise de son trouble, et regardant de Géry bien
en face avec une tendresse sérieuse:
Si je n'écoutais que mon coeur, je n'hésiterais pas à vous
répondre, car, si vous m'aimez comme vous dites, je crois bien que je vous aime
aussi.... Mais je ne suis pas libre, je ne suis pas seule dans la vie....
regardez là-bas....
Elle montrait son père et ses soeurs qui leur faîsait signe
de loin, se bâtaient pour les rejoindre.
Eh bien! et moi? fit Paul vivement.... Est-ce-que je n'ai pas
les mêmes devoirs, les mêmes charges?.... Nous sommes comme deux veufs chefs de
famille.... Ne voulez-vous pas aimer les miens autant que j'aime les vôtres?....
Vrai? C'est vrai? Vous me laisserez avec eux?.... Je serai
Aline pour vous, et toujours Bonne Maman pour tous nos enfants?.... Oh! alors,
dit la chère créature rayonnante de joie et de lumière, alors voilà won
portrait, je vous le donne.... Et puis toute mon ame avec, et pour toujours....'
Tweemalen heeft Couperus een dergelijk duo d'amour
geschilderd, en tweemaal op voortreffelijke wijze gevariëerd.
Het eerste voorbeeld vindt men bij gelegenheid der
buitenpartij, door de familie Verstraeten gegeven, nadat tal van jongelieden in
een 'vollen Jan Pleizier' langs den Loosduinschen
388
weg naar eene boerderij zijn gereden. Het paartje heet hier Georges de Woude en
Lili Verstraeten. Zij hebben zich van de anderen afgezonderd, en een heerlijk
plekje gevonden. Couperus verhaalt verder:
'O, hier is het lief! riep Lili uit. En kijk eens,
viooltjes.... Zij zette zich op een zetel van mossig zand en plukte. En hij
vlijde zich aan hare voeten neêr, te gelukkig om veel te spreken en speelde met
de roode kwasten van haar parasol.
- Kom, nu moet je fluiten, George.... om de anderen te laten
komen, sprak zij schalks, wel wetende, dat hij het niet zou doen.
- Ik kan niet fluiten, ik heb het nooit kunnen doen!
antwoordde hij en keek haar lachend aan.
Zij lachte ook en wierp hem haar viooltjes in het gelaat, en
hij verzamelde ze en stak ze in zijn knoopsgat. Toen vatte hij haar hand en zag
haar aan.
- Hoû je van me? vroeg hij met zijn ogen in de hare. Zij
legde haar witte handjes op zijn schouders, en terwijl zij hem vast aanzag, boog
zij zich langzaam voorover.
- Wat? vroeg zij vol teêrheid.
- Hoû je van me? herhaalde hij weder en zij boog zich
voorover zoodat zijn lippen de lokjes op haar voorhoofd beroerden en ze kusten.
- Ja, sprak ze, en liet haar hoofd rusten op het zijne. Ja,
ik hoû van je.....'
Het tweede voorbeeld gaf Couperus bij de schildering der
liefde zijner heldin Eline Vere en Jhr. Otto van Erlevoort. De jongelieden
vertoeven op een Geldersch buitengoed: de Horze. Des Zondagsmorgens maken zij
eene wandeling door bosschen en zonnige wegen. Zij zetten zich neer in een
heuvelig pijnbosch, bijna verscholen achter de dichte stammen.
'Zij hoorden het psalmgezang der boeren uit de kerk dringen
als een zachten breeden galm van eenvoudige vroomheid, en in hunne stemming
scheen hun dit onkunstige gezang vol van eene poëzie toe, die zich vermengde met
de poëzie der donkere tinten van het loover, met den geur der dennenaalden, met
de liefde in hun hart. Het werd Eline zoo vol, dat zij zich een weinig
oprichtte, haar
389
lokkig hoofdje aan Otto's borst legde, en zich niet weêrhouden kon hare armen om
zijn hals te strengelen, en toen zij zich zoo tegen hem aan voelde met haar
boezem op zijn hart, doorschokte haar eensklaps een plotselinge snik.
- Mijn God, Eline.... wat.... wat is er? vroeg hij zacht.
- Niets! antwoordde zij, bijna stervende in heure weelde,
niets, laat me,.... ik ben zoo.... zoo gelukkig!
En zij weende in zijne armen.'
Reeds hier blijkt het duidelijk, dat de jonge Nederlandsche
romanschrijver de goede lessen van een groot meester als Daudet met
eigenaardigen dichterlijken gloed en volkomen onafhankelijkheid volgt.
Klimt men van de bijzondere tooneelen tot het geheel van zijn
roman op, dan ontwaart men nogmaals, dat hij de kunst verstaat uitheemsche
meesters naar eigen, geheel oorspronkelijken trant tot zijn voordeel aan te
wenden.
'Eline Vere' is in het geheel niet te vergelijken
met 'Le Rêve' van Emile Zola. Toch springt het in het oog, dat zekere
punten van overeenstemming tusschen de beide heldinnen kunnen worden aangewezen.
Couperus heeft in Eline Vere eene zeer buitengemeene heldin geteekend. Hij heeft
eene familie Vere doen optreden, die lijdende is aan eene erfelijke
zenuwoverspanning met eigenaardige wijziging naar de eischen der verschillende
individuen. Eline's vader, een schilder, die slechts even als een beeld der
herinnering wordt getoond, is een kunstenaar geweest, worstelend tegen overmaat
van fantasie en gebrek aan wil. Betsy, Eline's oudere zuster, vertoont het
karakter van hare moeder, een vrouw van sanguinisch temperament. Betsy blijft
evenwel het bloed der Vere's niet verloochenen, daar hare rijke natuur ontaardt
in heerschzucht en schandelijk egoïsme. Vincent vertoont denzelfden type als
Eline's vader, arm aan bloed, overspannen en afgemat, schrander en in alles
geheimzinnig.
390
Eline zelve lijdt aan deze familie-nevrose in hooge mate. Zij
onderscheidt zich door hare ongemeene schoonheid en bekoorlijkheid. De
psychopathie der familie Vere komt in haar tot een toppunt van kracht. Zij heeft
een onbewust verlangen naar steun, genegenheid, liefde. Zij ziet haar ideaal
eerst in den man, die haar zwager wordt, Henri van Raat - door Couperus met
overdreven voorkeur voor verkleinwoorden en verkleinnamen steeds Henk genoemd -
daarna in diens broer, Paul, daarna in een Franschman,
basse-taille aan de Haagsche opera, daarna in Otto van Erlevoort,
daarna in Vincent Vere, daarna in een vriend van dezen, den edelen Amerikaan St.
Clare.
De doctoren, zooals Dr. Reyer, die haar in Den Haag
behandelt, hebben een eigenaardigen term voor deze kwaal. Zij zweemt daarom wel
degelijk naar Zola's Angélique ('Le Rêve'), die geheel op hetzelfde
oogenblik als Eline in de letterkundige wereld verscheen, zoo goed als Betsy
gelijkt op Lisa Macquart ('Le ventre de Paris') en beider vader aan de
hand van Vincent overeenkomt met den schilder Claude Lantier ('L'Oeuvre').
Hiermede wensch ik in geen enkel opzicht te beweren, dat
Couperus zich de romans van Emile Zola tot model heeft gekozen, noch in
bonam, noch in malam partem. Couperus heeft zijne
allerbelangrijkste heldin met smaakvolle kieschheid geteekend, mocht hij in
stoutheid van penseelvoering en vastheid van hand nog in het geheel niet op de
hoogte van Zola zijn. Daarenboven, het zou belachelijk zijn dit van hem te
eischen. Hij toont eene zeer loffelijke liefde voor natuur en waarheid. Zijne
schetsen met de pen, vooral, als hij menschen en binnenhuizen behandelt,
tintelen van warmen gloed en stralen van licht. Zijne landschappen zijn nog wat
pijnlijk sober, en hier en daar zwak.
Doch in de voorstelling van Eline Vere heeft hij aanspraak op
hoogen lof. Deze schepping is eene aanwinst voor onze
391
letteren, daar zij door degelijkheid van studie, door fijne waarneming en rijke
fantasie iets bijzonder volledigs en uitnemends aanbiedt. Mochten er bezwaren te
maken zijn ten opzichte van het noodeloos talrijk personeel in dezen roman, van
den kwistigen rijkdom der bijzonderheden, gewijd aan personen van den tweeden en
derden grond - met zijne hoofdpersoon, met Eline Vere, legt hij aan alle verdere
vitterij het zwijgen op.
Van het begin af wekt Eline belangstelling. Niet om het
verouderde begrip der sympathieke persoonlijkheden, zij verschijnt als een
buitengewoon ongemeen schepsel, eene zeldzaamheid in de wereld der menschen, als
eene onbekende variëteit van eene met zorg gekweekte kasplant. Hare houding
tegenover hare zuster en haar zwager Van Raat, hare liefde voor kunst, bijzonder
voor den zang, hare droomen in de opéra, en de fantastische genegenheid voor den
baryton Fabrice, geven slag op slag het juiste licht, om haar karakter te
beoordeelen. De botsing, die stellig moet komen tusschen beide zusters, tusschen
Betsy, den nijdigen, volbloedigen heks, en Eline, de veeleischende, in blauwe
ideale zwemmende prinses - 'soms eene pauw, soms een slang, soms een duifje' -
is met meesterhand geteekend.
Couperus had de helft van zijn rijk personeel kunnen missen,
en toch door het contrast tusschen deze beide zusters een opmerkelijk kunstwerk
kunnen scheppen. Het voortreffelijkst is juist de schok tusschen de karakters
der beide zusters; tusschen den kalmen Otto en de altijd overspannen Eline
geteekend. Aanleiding tot de meest tragische gebeurtenissen in dit drama is de
ziekte van Vincent Vere. Deze raadselachtige neef wordt door Eline ten huize van
haar zwager, Van Raat, met alle zorg verpleegd, omdat hij zoo op haar vader
gelijkt, en.... omdat hij een Turkschen kamerjapon en Turksche muilen draagt.
Eline, 'overspannen door een leven van overbeschaafdheid
392
en luxe', door de 'rust van haar geluk' tot verveling geneigd, begint zich,
ondanks hare schijnbare genegenheid voor Otto van Erlevoort, met zekerheid voor
te stellen, dat de ziekelijke Vincent lijdt, sinds zij verloofd werd aan Otto.
Onder den maaltijd breekt een twist uit tusschen de beide zusters, omdat Vincent
door zijne ziekte zoo lang blijft bij de Van Raats. De woordenwisseling is met
groot talent teruggegeven. Eline begint, als Betsy verklaard heeft, dat zij God
zal danken bij Vincent's vertrek:
'Als je het niet voor je fatsoen liet, zou je hem, ziek als
hij is, op straat zetten....
- Als ik kon ja, dan zou ik het zeker doen. En het is eens
voor al: hij komt nooit meer bij me aan huis.... Ik heb nooit iemand gezien, die
zoo indiscreet blijft hangen!!
- Maar Betsy.... als hij toch bijna stervende is! riep Eline,
trillend van woede.
- Ach, gekheid!
- Wat gekheid! Als je hem zag, zooals ik hem zie! krijschte
zij.
- Och toe Eline, laten we niet kibbelen over Vincent. De
heele jongen kan me niets schelen. Je maakt er een melodrama van! Stel je toch
niet zoo aan!
- Ja, "stel je toch niet zoo aan!" Daarmee wordt je altijd
doodgeslagen, als je het minste gevoel toont.... Jij, jij hebt geen hart,
jij.... '
Het ongeluk wil, dat Otto nu tusschen beiden komt, en haar
zacht berispt over hare opgewondenheid.
'Zijne kalme woorden maakten haar razend.
- En jij.... jij.... jij met je eeuwige kalmte, je eeuwige
laconieke kalmte! barste ze bijna gillend uit, terwijl zij van tafel opstond en
haar servet neersmeet. Ik word er dol onder.... onder die kalmte! O God,
ik word er dol onder. Betsy verplettert me onder haar egoïsme, en jij ouder je
kalmte, onder je kalmte, onder je kalmte!! Ik, ik.... ik kan het niet meer
uithouden.... Ik stik er onder!
- Eline! riep Otto.... Eline,.... foei.'
393
- O God! o God! Ik word.... ik word krankzinnig! schreeuwde
zij in een vlaag van snikken, en zij rukte zich los uit zijn greep, en stortte
zich de kamer uit, terwijl zij in haar vaart eenige glazen van de tafel sleepte,
die rinkelend in scherven vielen....'
Het eigenlijk keerpunt in den roman is met dit meesterlijk
getoetst tafereel gekomen.
De verloving van Otto en Eline wordt verbroken. Vincent wordt
na een even heftig tooneel verjaagd. Weldra staan de beide zusters als razende
furiën tegenover elkander. Zeer fijn is het begrepen van den kunstenaar, dat hij
deze hoogbeschaafde dames, zoodra zij in drift de gewone vormen der beleefdheid
vergeten, laat razen en tieren als losgelaten achterbuurtswijven.
Eline verlaat in een vreeselijken storm het huis van haar
zwager, en zwerft in nacht en regen rond, tot zij bij de familie Ferelijn met
treffende liefde en edelmoedigheid wordt opgenomen. Misschien heeft Couperus, na
deze hoofdgebeurtenis, zich te lang bezig gehouden met de verdere lotgevallen
van zijne heldin, en te uitvoerig geschilderd, hoe zij steeds dieper wegzinkt in
haar zenuwlijden, hoe ze van stap tot stap nader komt tot waanzin en zelfmoord.
Misschien, zeg ik. Want zoo hierdoor schade wordt gedaan aan
den dramatischen eindindruk der gebeurtenissen, zoo het slot van den roman
sleepend en eenigszins onzeker wordt, de hoofdpersoon blijft er niet minder
boeiend om, en houdt den lezer in ademlooze spanning. Juist in deze hoofdpersoon
blijft de auteur zijne buitengewone kracht als scheppend kunstenaar toonen.
Zijne 'Eline Vere' zal, ondanks het storend talrijk tusschenpersoneel,
blijven leven door Eline.
Te groote rijkdom van vinding, het trop plein van
jonge, dartelende verbeeldingskracht, zijn zeldzaam genoeg, om ze niet met
blijdschap te begroeten, zij het ook onder protest. Meerdere samentrekking van
kracht tot één doel zal dezen schrijver nog aanmerkelijk doen stijgen in
letterkundige betee-
394
kenis. Zelfs in den al te grooten overvloed toont hij een eerbiedwaardig talent
- vooral in de teekening van kindertafereelen. Bij het verhaal van Eline's
verblijf in Gelderland op de Horze, heeft hij een allerliefst tafereeltje
ingevlochten - eene groep kinderen, buiten door een onweer en stortbuien
verrast, door de angstige bloedverwanten met een rijtuig ingehaald, en eindelijk
te huis gekomen door de dames van den huize verzorgd en van drooge kleeren
voorzien. Ook hier maakt hij gebruik van deze omstandigheid, om zijne heldin in
hare bekoorlijke elegantie te doen uitblinken boven allen.
Sommige zijner eigenaardigheden van stijl zullen dezen of
genen niet bevallen. Het gebruik van verkleinwoorden is niet zelden tot misbruik
gestegen. De gewoonte jonge dames immer met een diminutief - de Eekhofjes
- aan te duiden, schijnt evenmin fraai als de Engelsche vervorming van
Frédérique tot Freddy, van Eline tot Elly, later tot Nily. Dit alles hangt saâm
met de neiging van den auteur tot zekere al te naieve natuurlijkheid, die zeer
nauw verwant is aan opzettelijke gekunsteldheid. Het is niet noodig over deze
kleinigheden verder uit te weiden; 'Eline Vere' blijft des ondanks een
zeer knap, een zeer talentvol kunstwerk, waarvan de indruk niet zoo spoedig zal
verloren gaan. Trots den tragischen dood der heldin blijft dit boek, een zonnig,
opwekkend boek; meestal uitsluitend door de faits et gestes van zeer
jonge lieden en kinderen ingenomen. De auteur heeft bij uitstek de kunst
verstaan, om de zeer ernstige opgaaf - het leven en kwijnen van eene
zenuwlijderes - met lachende tafereelen uit het jonge, gezonde leven af te
wisselen.
Door 'Eline Vere' neemt Louis Couperus een
benijdenswaardigen rang in onder de jonge schrijvers, die eene toekomst hebben.
Bij de vele verliezen in het letterkundig Nederland, strekt zijn kunstarbeid tot
verkwikkenden troost.
Dr. Jan ten Brink.
(Uit: Haagsche Stemmen 2 (1889), nr.32, 6 april, p.383-394.)
Redactionele ingreep:
-p.390:
('Le Rêve) > ('Le Rêve')