Index Eline Vere | Index Noodlot | Index Recensies
DEN HERTOG EN MARTINET
De geschriften der heren Martinet en Hertog zijn allebei redes
125
over de werken van Couperus, de eene voor predikanten, de andere voor
onderwijzers gehouden.
Ik zou wel willen spotten, want, op het eerste gezicht,
wezenlijk, vind ik het grappig, dat de menschen wijsgeerig-zedekundige
verhandelingen gaan houden over en naar aanleiding van deze mooye boeken.
Want, je moet me niet kwalijk nemen, en nu ik er tóch over
begonnen ben, het is válsch, het is bepaald valsch. Ik ben toch immers wel vrij
om dat te vinden?
Het is valsch, - ik bedoel natuurlijk: onzuiver, verkeerd -
om dat zulke verhandelingen tot bazis hebben een literatuur-begrip, anterieur,
anders en bijna tegen-over-gesteld aan het literatuur-begrip, dat, bewust of
onbewust, de maker van deze prachtwerken heeft.
De heer Hertog is beter en knapper dan de heer Martinet. Dat
scheelt een heeleboel. De heer Martinet heeft het heelemáál mis. Hij zegt van
onze generatie, van de letterkundige namelijk: '... deze menschen denken, en
denken, maar - over niets. Deze menschen voelen, voelen allerlei en - gevoelen
toch eigenlijk voor niets. Deze menschen leven, leven "intens", en leven toch
ten slotte voor niets'.
In de werken van Couperus vindt hij dat 'het fatalisme
optreedt' en daarom zijn ze verderfelijk. Ze zijn niet rein, niet hoog, streven
niet naar het ideaal. In-een-woord: hun strekking is slecht.
Op de voor-laatste bladzijde geeft hij deze liefelijke
mededeeling:
'Wat tegen dat fatalisme in de kunst te doen? heb ik een
mijner vrienden gevraagd. Niets! was het antwoord, dan te zijn die gij zijt. -
En romans schrijven, vroeg ik nogmaals, die van beter dingen spreken? - Ja, was
het wederwoord, maar dan met nóg meer talent.'
Mij dunkt, de heer Martinet had zich aan dat eerste deel van
den raad van zijn vriend moeten houden. Laat hij zijn die hij is, en het zal al
wèl zijn. Maar waarom nu eene redevoering gaan houden over een onderwerp, dat
126
niet tot zijne kompetentie behoort? Dát had de vriend immers niet aanbevolen?
De romans van Couperus, geloof ik, dat heelemaal geen
strekking hebben. Wat de schrijver zelf daarover vindt, is wel belangrijk, maar
komt er voor mijne bedoeling van nu, niet op aan. Ik bedoel, dat ík vind, dat
men zich van die romans het beste begrip vormt en er de mooiste waardeering van
heeft als men ze geheel strekkinglóos acht.
Wil de heer Martinet nu beweren dat een schilderij, een
beeldhouwwerk, een muziekstuk, wèl strekkingloos kan en mag zijn, maar een
literatuurstuk niét, dan zoû het toch niet onaardig zijn als hij ons gaf te
kennen wáarom niet.
Waarom denkt de heer Martinet, dat Couperus met zijn romans
eigenlijk wil zeggen: kijk 'es, lieve menschen, Eline Vere laat zich heelemaal
beheerschen door haar gestel en door het leven, zij kan er niets tegen doen, en
zoo is het met jullie allemaal, jullie moeten allemaal maar net zoo doen als
Eline Vere; en dat niet de auteur van den Schuttersmaaltijd wil zeggen: kijk
'es, lieve menschen, hier zitten lekkere gezonde vroolijke snuiters aan tafel
met wijn, taart en wild, jullie kunnen niet beter doen dan zoo spoedig mogelijk
ook aan tafel te gaan zitten met lekkere gezonde vroolijke dikke snuiters, wijn,
taart, en wild?
Het is toch zoo eenvoudig, Martinet (en al zoo over-dikwijls
gezegd). Luister nou nog eens goed. Ik zie een vogel, niet waar, dat is
duidelijk: ik zie een vogel. Ik vin 'em mooi, begrijp-je wel,: ik vin 'em mooi.
Goed, dat staat dus vast. Wat doe ik nu? Nu ga ik dien vogel afbeelden in
woorden. Als dat gedaan is, en goed, dan is dit een stukje literatuur. Nu is dat
niet zielloos of niet een fotografie of iets dergelijks, om dat het zien van
dien vogel mij de ziele-ontroering der schoonheid heeft gegeven, en als ik hem
afbeeld doordring ik die afbeelding, dat afbeeldsel, met mijn ont-
127
roering. Daardoor wordt het mooi en literatuur, daardoor is er ziel in, daardoor
kan een fotografeer-toestel hetzelfde niet doen.
Nu begrijp je wel, dat hier hoegenaamd geen andere strekking
bij te pas komt, dan de ziens-ontroering, die ik gehad heb, gedurende dat
afbeelden nóg eens, en sterker, te hebben en, als er toevallig daartoe bekwame
menschen zijn, ook aan eenige andere menschen die genieting te geven. Ik bedoel
dus niet, dat de menschen of ik zelf, ook moeten gaan vliegen of vleugelvormige
groene en witte kleederen om de schouders hangen, maar ik bedoel alleen dat zij
en ik dat mooi zullen vinden.
Nu, zoo als het met dien vogel is, zoo is het ook met een
zalm, een zonsondergang, en Eline Vere.
Zoo als de romeinen de zalmen lieten sterven op hun disch om
de mooye verkleuring te zien, zoo als je tegen een duinhelling gaat liggen om de
zon te zien ondergaan, zoo zie ik ook hes breken van de levenskleuren, het tot
den doode toe verteederen en verbleeken der ziels-gewonde.
(Zeg nu asjeblieft niet, dat ik dan een wreedaard ben, dat
het van de romeinen al heel leelijk was, maar dat, al ware díe liefhebberij
verontschuldigbaar, een vrouw dan toch in elk geval nog heel iets anders is dan
een zalm, enz. Want dan andwoord ik natuurlijk: ik ben niet wreed, want ik lijd
met Eline meê en heb van dat schoone lijden juist mijn genot, of liever: als ik
zelf zoo leed zou ik daar ook schoonheidsgenot van hebben, enz.)
Nu, let wel, nu kan je wel beweren, als je heel erg
historiesch-aesthetiesch-theoretiesch-filosofiesch spreekt, dat een
literatuur-konceptie, waarbij nog een andere dan alleen déze 'strekking' te pas
komt, hooger en beter is. Ik zeg niet dat je daarmeê gelijk hebt, ik zeg, dat
dit eene der overweging waardige bewering kan zijn.
Maar, - en hierop komt het aan - er is geen-een roman met een zoogenaamde
moreele of verheffende strekking ooit geschreven, geen zoo een roman, als
waaraan jíj denkt waar je 't hebt over romans, die 'van beter
128
dingen spreken', - die eene emotie in de richting van deugd, reinheid of hoe je
't noemen wilt zou inhouden, welke in diepte of rijkheid de emotioneele waarde
der magnifieke bladzijden over Elines afscheidsbrief aan Otto van Erlevoort en
over Elines nachtvlucht door de zwarte schel spiegelende storm- en modderstraten
benaderen kan.
De geschiedenis tusschen Otto en Eline vind ik het mooiste
van den roman. Ik heb al weêr zoo veel gelezen sinds dien tijd, maar
onvergankelijk ruischt de zoele, de avond-weemoed van die bladzijden door mij
heen, en het aller-mooiste hier-van, die nacht van den afscheidsbrief, - als de
heer Martinet, die ook Shakespeare noemt, iets er van begrijpt, waarom de Hamlet
b.v. zoo subliem is, - (om die mystische donkere machten in het bloed, die tegen
wil en rede in de menschen drijven als droeve poppen) - , dan zal hij, met een
literatuur als die van dat afscheids-nacht-verhaal vóor zich, in 't vervolg
zwijgen van 'romans, die van beter dingen spreken.'
De heer Hertog is een knap man. Zijn geschrift is kout over
en verklaring van Couperus' romans en de be-denkingen, welke het lezen dier
romans bij de menschen al zoo moeten doen ontstaan. Nu houd ik, om de waarheid
te zeggen, juist al bizonder weinig van populair praten en wijsgeerig-verklarend
overwegen van literaire zaken. Gervinus over Shakespeare en een heeleboel
Goethe-kommentatoren vin ik eenvoudig onuitstaanbaar. Maar als ik dezen
tegen-zin voor even op-zij zet, moet ik erkennen, dat de heer Hertog, wiens
schrijven doortrokken is met de
129
nieuwere letterkundige begrippen, veel beter is dan welke andere populaire
kritikus over Couperus óok.
De heer Hertog waardeert, tenzij terloops, die romans niet
esthetiesch, noch in lyrische exklamaties, noch in kritiesch betoog. Hij houdt
het er voor - misschien trouwens te recht - dat de lezers van deze romans, als
ze er meê klaar zijn, hoofdzakelijk denken: zoú wezenlijk het determinisme een
ware leer zijn, lieve God, dat is verschrikkelijk, want waar blijft dan de
verantwoordelijkheid, het strafrecht, het schuldgevoel en het berouw? En nu zal
hij dien menschen eens duidelijk maken, dat het een valsche toepassing van de
deterministische leer is, te denken: daar het geheele leven van alle menschen
gedetermineerd is, moeten de verantwoordelijkheid, het strafrecht, het
schuldgevoel en het berouw weg, als zijnde onredelijk.
Ik kan mij met de verhandeling van den heer Hertog niet lang
bezighouden, want ik loop al-tíjd weg, als heeren en dames aan de thee de
geschiedenis van het Godsbegrip, of het vraagstuk van de onsterfelijkheid der
ziel, of de causaliteitswet gaan bespreken. Ik hoor dan liever wat kwaad van de
buren spreken, of het toilet van een bankiersvrouw analyseeren of den lof van
een koekjes-soort prijzen.
Populaire kout over het determinisme en dan nog wel 'naar
aanleiding' van een roman, och, ik woû zoo graâg al-door erg vriendelijk wezen,
maar waarachtig, daar kan ik nu heusch heelemaal absoluut niet tegen. Verbeeld u
dat iemant een taartje neemt, een slokje punch drinkt, en zegt: 'Mejufvrouw, de
dichter spreekt: "Ik ben de Duivel-God" - vergun mij u naar aanleiding daarvan
eens te vragen in hoeverre u meent, dat het oude Duivel-begrip met de koncepties
der moderne dichterziel vereenigbaar is?'
Maar ik haast mij hier bij te voegen, dat ik geloof, dat
werkelijk het wel-
130
-eens-gehoord-hebben van 'determinisme' allerlei zonderlinge voorstellingen en
begrippen bij de menschen kan doen onstaan, en dat de heer Hertog met
verstandige beweringen daar-tegen-in gaat.
(Uit: K. Reijnders. Couperus bij Van Deijssel.
Een chronische konfrontatie in beschouwingen, brieven en notities.
Athenaeum - Polak & Van Gennep. Amsterdam 1968, p.124-130.
Oorspronkelijk gepubliceerd in: De Nieuwe Gids 7 (1892), deel I,
p.105-110.)