Index Eline Vere | Index Noodlot | Index Recensies
'Smaragden winden'*
Kom ân, kom ân! Nee-maar, nou,.. nee, ga nou wèg,... nee, nou de dóminees en de
schóolmeesters zich met de nieuwere hollandsche letterkunde gaan bemoeyen, nóu
zal 't, denk ik, pas héel goed worden. 'Het Fatalisme in onze Jongste
Letterkunde', 'Noodlottig Determinisme' - lieve vreendjes waar hále jullie 'et
van-daan, hè? Hebbe jullie waaráchtig kans gezien ernstig en gewichtig te doen
ook as jullie 'et over dit joligste aller verschijnselen hebben? Stá óp! Gá
zitte! God-zal-me-eeuwig-gloeyend-nakende... Nee maar, hoor, nóu gaat 'et me'n
gangetje! Wel Sakrament! De domenees en de rabbies, die... e... ik bedoel de
domenees en de schoolmeesters, die... Maar lieve engelen, wete jullie niet dat
jullie de bespottelijke, de te-min-om-te-minachten, de
exekrabele menschen zijn, dat jullie zijn het ridikule, het
onmogelijke.
Álles is presentabel behalve een domenee en een schoolmeester. Maar
muffe poenen, wíj zijn de nieuwe goden, en júllie zijn de oude fariseeën, jullie
zijn de schrift-geleerden, jullie zijn het tegenovergestelde van die eeuwige en
eindeloze, ontzachlijke en majestueuze grap, die de Literatuur is. Wel
god-nog-tóe, wie hadt tat nou kunne denke, daar komen die plechtige en degelijke
telegraafpalen, daar komen die
schoolknapen-en-oude-vrijsters-in-gekleedde-jassen, daar komen die deurwaarders
van het intellect, daar komen die hersenkassen als verrotte sinaasappelen, die
filters waar de roode en gouden wijnen als troebel water uit neêr-lekken, die
loensche vogelverschrikkers, die presidenten van geestelijke
Geheel-Onthouders-genootschappen, die slaapwandelaar-achtige burgemeesters van
jaren-lang geleden afgebrandde dorpen, die aansprekers van het vernuft, die
beulen van het Leven, die bankroetiers van het denken, die slaapmutsen op den
kop van een natie, die specialiteiten in intellektueele en artistieke
valschheid-in-geschrifte, die impotente vrijers van een wassen muze, die
foetussen in flarden van afgedankte tooneeltogaas, die typen van ziele-tering,
die vale kadavers in
123
het stralende Leven, die meubels voor klein-steedsche binnenkamers, die
verkouden zijn geworden van den Levenswind en toen hun heele hersenmassa hebben
uitgesnoten, daar komen de modellen van al wat dor is en dood, die encyklopediën
van wat banaal is en leelijk, die kompendiums van wan-levens-kunst, die
gifmengers van de ziel, - daar komen - je bént verbaasd maar ik mag dood vallen
as ik 't niet met mijn eigen oogen gezien heb, - daar komen de dómenees en de
schóolmeesters staan tjilpen en rochelen over de tegenwoordigen hollandsche
letteren.
Ze vinden het, zoo als ik zeg, ernstig, ja, hoogst ernstig en
hoogst gewichtig. Wat wis-en-drie, ze zetten fabuleus bedenkelijke en
waardeerende, wel zeker, wa-wa-wa-wa-waardéerende gezichten onder hun doffe
hoogehoeden.
Dag, Domenee, dag, schoolmeester! Ik zeg dâ-dâ-dâ! en me
zoontje zeidt ook: dâ-dâ-dâ! Dâ-dâ-dâ, domenee en schoolmeester! Wij gróete
jullie, hoor, wij knikke met onze hooffies, aller-vrindelijkst, dâ-dâ-dâ,
dâ-dâ-dâ! Dag, lieve Domenee, dag, nette en flinke schoolmeester! 't Ga jullie
goed hoor! Goeye reis, wel thuis, hoor, dâ-dâ-dâ...
Morgen brenge... ja,... ja wel,.. nou, 't beste,.... vergete
jullie niks?.. dâ-dâ-dâ... tot weêrziens. Mijn heele familie buigt samen op een
rij als automaten.... Besjoer, hoor, tot genoegen, dâ-dâ-dâ!....
Domenees en schoolmeesters, ik exekreer jullie. Ik ben een
beschonken bezetene, die uit mijn achterste smaragden winden hel hoog
heen-trompettert in de luchten. Ik heb al de sterren van den hemel tot een
mans-hoogen en verpletterend zwaren koningskroon voor de eeuwigheid op mijn
ei-hoofd gezet, waarin een diamanten vogel leeft die nimmer sterven zal. Ik
dans, ik dans, ik zing, ik zing.
Van al de [...]** en heb ik levende bloemen gemaakt, waaruit
lichtstralen [...]** zingen. Van al de bloemen van de aarde heb ik mij een wee
[...]** vlochten zoo oneindig licht en zoo oneindig hoog, dat [...]** moe-
124
zelig-geele zoldering-vlek en anders niet is. En ik dans [...]** eldans. En ik
exekreer jullie.
(Uit: K. Reijnders. Couperus bij Van Deijssel.
Een chronische konfrontatie in beschouwingen, brieven en notities.
Athenaeum - Polak & Van Gennep. Amsterdam 1968, p.122-124.)
*Ongepubliceerde reactie op
Noodlottig determinisme van C.H. den Hertog en
Het fatalisme in onze jongste letterkunde van J. van Loenen Martinet.
Van Deyssel had het stuk ter publicatie aan De Nieuwe Gids aangeboden,
maar redacteur Willem Kloos wilde niet tot plaatsing overgaan, 'omdat zij te
veel menschen tot vijanden zou maken, die nu onze vrienden zijn'. Van Deyssel
herschreef het artikel volledig tot
'Den Hertog en Martinet' (De Nieuwe Gids 7 (1892), deel I,
p.105-110).
**Door beschadiging van het handschrift ontbreekt hier een deel van de tekst.