Index Fidessa | Index Recensies
Fidessa.
Wie en wat is Fidessa?
In haar naam ligt een aanwijzing van iets 'trouws,' maar wie
is zij en wien is zij trouw?
De dichter zal het ons zeggen. 'Zij was een kind van den
zeegod, zij was geboren uit schuim en uit licht, haar leven was spel, over de
zee, in de lucht, langs de rivier, op de weide, spel in de maneschijn, spel aan
de luchtharp.'
De luchtharp - dat zijn de manestralen die 's nachts breed
uit staan op de heide en getokkeld worden door Fidessa en haar zusters, de
nimfen.
Want Fidessa was een nimf, een zorgelooze, argelooze, naakte
nimf, 'gedachteloosheid was in haar vioolblauwe oogen.'
Zij kende zichzelve niet, wist niets van haar naaktheid, haar
onbedachtzaamheid, haar argeloosheid, totdat...
Totdat ze op een nacht in speelschen overmoed zich op den rug
geslingerd had van den blanken Eenhoorn, het vreemde dier dat uit het donkere
inktwoud was aangelokt door de nimfenmuziek en welks schuwheid en wildheid
Fidessa temmen wilde.
Want een maagd kòn dat - een maagd die trouw was. 1) Was zij trouw? Zij wist het niet.
Door het inktwoud, haar schrammend langs de 'takken-ruigte,
snelt de Eenhoorn met haar naar de heide buiten de stad der menschen. Daar laat
Fidessa zich afglijden, van zijn rug, machteloos zijgend op 't gras. En daar zag
ze veel ijzeren menschen, in tournooi, ruw doende. Daar kwam Sans-Joye naar haar
toe, de man met de weemoedsoogen.
1) Men zie wat Prof. A, G. van Hamel in De Gids van Maart 1900 over den Eenhoorn heeft meegedeeld.
77
En Sans-Joye vraagde haar meer dan zij beantwoorden, en zij
antwoordt meer dan hij begrijpen kan.
Hij begreep niet dat bestaan in argelooze gedachteloosheid,
en zij zag hem verbaasd aan toen hij sprak van liefde en geluk.
'De menschen begrijpen de nimfen niet, de nimfen niet de
menschen.'
Maar Fidessa begon zich eenzaam te voelen toen Sans-Joye heen
wilde gaan. Zij wist den weg niet meer terug naar de maan-weide. En hij nam haar
mee naar de stad, naar zijn huis, waar ze in den menschenstoel voor het eerst
voelde dat zij naakt was.
En langzamerhand begon zij het harnas van Sans-Joye te zien
als een deel van hemzelf, iets dat hij ook was, en zij vroeg hem of niet ook
zijn harnas haar beschermd had op de heide. Hij zeide: 'misschien en dat hij
niet wist en hij lachte en zeide dat zij vroeg vragen, die de wijsten der stad
niet op konden lossen...'
Dan bracht zij den nacht door in het donkere huis, en terwijl
Sans-Joye sliep zag zij alles spookachtig om zich heen. Alles werd spookachtig
en schrikwekkend in het huis der menschen, wat daarbuiten op de maan-weide mooi
was. Zij huiverde voor de schimmige mane-stralen - voelde zich beklemd in de
huizenengte - en zelfs de mooie blanke Eenhoorn verscheen haar als een
verschrikking.
's Ochtends bracht Sans-Joye haar naar haar weide terug. En
zij vertelde hem van het harpspel in den nacht. Hij dacht dat zij een liedje
zong, maar zij zei dat het de waarheid was, zooals de maanlicht-weide en het
vervloekte bosch en de Eenhoorn. Hij lachte. Dat alles was verbeelding, geen
waarheid.
'En ik,' vroeg zij. 'Ben ik waarheid of droom of
nachtmerrie?'
78
Hij kon niets van haar bespeuren dan wat hij van haar zag uit
zijn helm, voelde door zijn rusting, hoorde als gesuis in zijn ooren.
'O, die menschen!' lachte ze.
Dan zullen ze scheiden.
Maar beiden valt het zwaar.
Zij wil hem dáar houden, maar hij zegt dat dàt zijn
levensdoel niet zijn kan. Hij is geharnast, hij moet strijden.
Als zij spreekt van waarheid en leven, vraagt hij wat deze
beide zijn. Hij kan niet blijven.
Fidessa leerde nu voor 't eerst wat leed is.
En ze stond op en volgde hèm. Maar omdat het voor hem zonde
is te leven met de naakte argeloosheid, zal ze haar naaktheid offeren en zich
een rusting smeden laten. Dan kan zij met hem strijden voor wat hij levensdoel
noemt.
Doch - terwijl zij opweg was naar den grooten smid die de
vele rustingen smeedt - overviel haar weemoed en twijfel.
'Twijfel of zij kracht hebben zou een harnas zich aan te doen
smeden; en weemoed om de ijzeren menschen, tot wie zij behooren ging. Twijfel om
zich en weemoed om allen, om wat zij dachten de waarheid!... De waarheid: zij
had nooit aan waarheid gedacht; zij had geleefd haar leven van kind van de
lucht, maar wel wist zij, intuïtie van edeler natuur, dat het waarheid niet was
het metaal te aanbidden en te strijden tegen elkander in! En opeens voelde zij,
die nooit had gevoeld, dat zij een ziel had, dat zij ziel was. Dat zij
leed had gehad en liefhad en dat zij een keuze deed, in louter liefde, een
keuze, vijandig aan haar natuur, een keuze, die in het stof haar natuur neer zou
drukken, door het gewicht van een pletterende menschelijkheid.... O, zij wist
het, edeler wezens waarden in edeler werelden dan de luchtige nimfen in de
luchtige sfeer, maar zij voelde ook met
79
hare nieuwe ziel, dat de geharnaste menschen niet edel waren, en dat zij, de
luchtigen, dichter de edele sferen naderden dan de gepantserden der Forteres'...
Toch, al voelde zij dit, en wist zij zich zwak, 'want haar
natuur was geen ernst, want haar willen was niet logische denkkracht' - toch
voelde zij zich door die groote liefde voor den ernstigen weemoedsmensch sterk
genoeg om zich te laten in harnas smeden door den machtigen cycloop, die haar de
heele wereld geven wilde als zij hèm liefhad in haar naaktheid.
En dat bleef niet de eenige verzoeking. De tooverbeker die
haar den tooverlust zou geven in zalige bedwelming, zij stiet hem na korte
aarzeling weg en rende voort op den wachtenden Eenhoorn, dien zij liefhad, al
had hij de schuld dat zij nu harnas droeg. Dwars door de maanharp, door de
spelende zusters die haar niet herkenden, vluchtte hij met haar het woeste woud
in en door.... Op de heide stond ze weer alleen en ging naar de stad, maar vond
er Sans-Joye niet in zijn huis. Gekerkerd lag hij, en 't muitende grauw sleepte
ook haar naar den kerker - 'aanbiddelijk noodlot!' noemde het Fidessa.
En in den kerker klonk nu als een beurtzang hun beider
betuiging:
'- Om jou ben ik in den kerker geworpen, omdat ik je
beschermd heb op de heide, genomen voor op het zaâl op mijn paard, je gereden
hebt dwars door de menigte, je gehuisvest heb in mijn burcht.
- Om jou ben ik de onbegaanbare tafelen opgezweefd, in den
bliksemenden donder van de cyclopen-werkplaats; om jou heeft een wapensmid mij
pijn gedaan, mijn leden, mijn lichaam en mijn arme hoofd, om jou draag ik
zwaarte van zilver.
80
- Om jou wil ik niet erkennen, dat ik zonde bedreef; om jou
ben ik blij, dat ik lijd.
- Om jou doe ik afstand van mijn harpgespeel, van mijn
zwerven door wind en door maanlichtweide, om jou alleen, overal, eeuwig!'
Sans-Joye wordt in dien vunzen kerker stervens-veeg, zoodat
zelfs de klank van Fidessa's stem haast niet meer in zijn brein doordringt. En
dan komen zij hem roepen. Hij alleen kan de stad redden van wissen ondergang.
Maar hij weigert. En als zij aandringen roept hij toornig al zijn pes- simisme
uit:
'Al kon ik, ik wil niet. Laat branden de stad, laat ondergaan
heel de wereld! Wat is een wereld van ijzer en zilver en rotssteen en
graniet!... Laat smelten in den vuurgloed des vijands alle metaal van
ompantsering, laat beven op haar schijnbaar onwrikbare grondvest onze geheele
hartelooze wereld! Wat deert het mij! Waarom zou zij voortbestaan! Waarom zou ik
strijden voor haar instandhouding! Waar klopt éen hart onder haar metaal
egoïsme, waar glanst éen ziel door haar pantservoegen, waar gaat éen deur open
voor wie naakt klopt!... Gesloten in zichzelve, verborgen achter zijn eigen
poort en dichtgeloken vensters! Naaktheid is zonde, het teedere is vervloekt,
het edele bespot en met den vinger nagewezen. Wat deert het mij! Nooit was ons
leven mij vreugde, nooit onze stad een blijdschap; ik haat leven en stad. Laat
mij sterven, laat mij liggen; ik strijd niet meer voor mijn koning, niet voor
mijn leven, niet voor mijn eigen te teeder bemind harnas en niets liever verlang
ik dan dat onze stad brandt tot een puinhoop en ik zelve versmelt in den gloed
van mijn eigen ziel!'
Maar dan fluistert Fidessa, zij die door hem leed kende en om
hem het zware harnas droeg dat haar het zweven
81
belette, wier liefde voor hem haar het zijn in den kerker tot een aanbiddelijk
noodlot maakte, dan fluistert zij:
'Sans-Joye! Misschien zijn je woorden de waarheid. Maar het
volstrekt ware dringt door mijn pantser niet heen en de naaste waarheid straalt
mij niet toe van buiten als een ster van boven, maar glimt van heel binnen,
als een kleine vonk, walmend lampje, dat mij verlicht het nauwe allernaaste
pad... Glimt niet in jou het lampje?'...
'Ja, Fidessa, sprak hij. Licht ontsteek je in mijn
binnen-duisternis.'
Hij greep zijn zwaard en gevolgd door Fidessa streed en
overwon hij. Toen mocht hij sterven. En zij wist de kwetsbare plek in haar
pantser en volgde hem in den dood. En ontdaan van het harnas zwierven zij tot de
Eenhoorn hun verscheen, nu getemd en gedwee zich vleiend aan Fidessa's zijde. En
het edele dier bracht haar in een lichter sfeer dan Sans-Joye, die zijn naam had
afgelegd maar zijn nieuwen naam nog niet kende en niet hooger komen kon dan de
sfeer der Allereerste Rechtvaardigheid. Toen Fidessa zich hiervan bewust werd,
dwong zij den Eenhoorn terug te dalen. Bij wien zij liefhad wilde zij blijven.
In plaats van een commentaar te geven, heb ik eenige
hoofdmomenten uit dit sprookje naast elkaar gezet, hopend het geheel niet te
zeer aangerand te hebben. Want ik acht commentaren schrijven op wat gevoel en
verbeelding wrochten, een gevaarlijk werk, waarbij men of te weinig of te veel
geeft.
Te weinig, omdat het nooit mogelijk is in andere woorden te
herzeggen wat als een eenheid van inhoud-en-vorm de ziel des dichters ontsproten
is. Te veel, omdat de stelligheid der bepalende verstands-woorden geen rekening
kan houden met
82
de schakeeringen van analoge, door subtiel voelen alleen te onderscheiden
associaties.
Een werk als dit is in hoofdzaak suggestief. De dichter zegt
niet voluit, laat den meevoelende voltooien. Als hij koel verstandig al zijn
voelen in logische uitbeelding voor ons stelde: we zouden een stijve allegorie
zien, waarvan misschien alleen de knappe factuur te waardeeren viel. Symboliek
als deze is muziek.
Ik denk aan den toonkunstenaar die aan drie bewonderaars van
een zijner pas gehoorde scheppingen vroeg naar hun indruk.
''t Was me ten slotte of ik bij zonsondergang aan de zee
stond en haar ruischen hoorde.'
'Neen, of ik de maan zag schijnen over besneeuwde heide, met
gebruis van dennen rondom.'
'Neen - of ik op een hoogen berg stond, alleen in den nacht,
en boven mij begonnen de sterren te zingen.'
En toen de bewonderaars elkander om de juistheid van hun
indruk bestrijden wilden, zei de kunstenaar glimlachend:
'Strijdt niet - gij hebt allen gelijk. Het is wat gij gezegd
hebt - en nog iets anders.'
Men heeft deze sproke vergeleken bij Psyche. Nu,
als men wil... in beide streeft en lijdt de ziel. Maar de Eenhoorn is iets
anders dan de Chimera.
Ik vind Fidessa soberder, minder rijk van verbeelding, maar
ook minder 'prachtig.' Er is hier en daar iets innigers in, al zou men den
kunstenaar ook nu zijn lust tot weergeven van uiterlijke bekoring wel wat meer
willen zien bedwingen, als de ziel er bij winnen kon.
Wat den stijl betreft - ik schrikte van den eersten zin!...
Hoe is het mogelijk dat een artiest als deze schrijver met zoo iets beginnen
kan.
83
'In den nacht scheen het woud onmetelijk van maagdelijke
ongereptheid... 1)
Wat is dat nu? Iets kan 'onmetelijk schijnen,' maar hoe iets
onmetelijk van maagdelijke ongereptheid schijnen kan is een raadsel. En erger
wordt het nog, als de auteur achter de dubbele punt een toelichting geeft tot
die ongereptheid.
': zwart van reusachtige boomstammen en knoestige takken, die
in het spoken der maan zich wrongen met een wanhopig gebaar van machtige
strijdersarmen, als in ééne heroïsche marteling zwaargespierder leden.'
Niet alleen is dit geen uitbreiding van het eerste, maar het
staat er in uitwerking recht tegenover, en de zin als geheel rammelt geweldig.
Met het begrip en gevoel van maagdelijkheid is deze en ook de
volgende zin in flagranten strijd.
Na de meesterlijke schildering van de maanlicht-weide en de
zilveren harp, klinkt te gewoon precieus en lieverig: 'Het tingen van glazen
klokjes, geluidfijn, of het belletjes waren van bloemen, lelietjes van dalen,
die even de klepeltjes tikten tegen de blanke bloemenblaadjes...'
Op enkele plaatsen ontmoette ik weer de oostersche, ik zou
haast zeggen semietische constructie, die door bewonderaars zoo graag nagedaan
wordt. Een voorbeeld op blz. 29: 'Zij was niet meer bang, zij voelde zich veilig
en kalm, vol belang in het vreemde, vol ontzag voor het sombere, vol
verwondering om (over?) zooveel zilver en ijzer en koper en staal, dat
menschelijk was en liep en joelde dooreen en met de vingers naar haar wees.
Haar blik ging van den schildknaap, die zwaaide de vaan
enz.
1) De spatieeringen zijn van mij.*
84
Foutief zijn constructies als: 'Zijn harnas was hèm
ook;' of 'ik doe als hem.'
Onzuiver van voorstelling: 'Hij toonde een langwerpig
aanbeeld, als een rustbank hard.'
Maar dat Couperus zich in dit boek weer doet kennen als de
dichter met den schitterenden, sierlijken, zich gedwee onder zijn kunstvermogen
tot elke uiting voegenden stijl, - men leze tegenover elkaar de schildering der
maanlicht-weide, en van de cyclopen-smidse om zich te overtuigen. Er is weer een
schat van fijn doorvoelde taal in dit boekje. Telkens opnieuw wekt de schrijver
onze verbazing en bewondering. Nog een enkele aanhaling. Fidessa is weggegaan
van den cycloop: 'Hij vloekte. Het donderde. Hij wendde zich af, wierp zich neêr
op den grond, die aardbeefde, hij balde zijn vuisten en weende. Toen nam hij de
kroon en slingerde ze weg in den afgrond. Toen nam hij een bliksem, deed
opschitteren het feeënpaleis in de lucht en trof het, tot het neêrviel in gruis.
De laatste zin is een heerlijkheid.
(Uit: W.G. van Nouhuys. Uren met schrijvers. Studiën en critieken. Van Holkema & Warendorf. Amsterdam 1902, p.67-75. Oorspronkelijk gepubliceerd onder de titel 'Symboliek' in: De Amsterdammer nr.1175 (1899, 31 december), p.76-84.)
*Gespatieerde woorden zijn hier cursief weergegeven