Index Langs lijnen van geleidelijkheid | Index Recensies
IN HET LABYRINTH DER LIJNEN.
Kan het genie reeds met de rechte lijn den mensch aan het
dolen brengen, erger komt de mensch van de wijs, gaat het genie werken met de
gebogen lijn, met lijnen die elkaar kruisen en dan elk hun eigen weg gaan. De
mensch wordt nijdig en hij die hem in dit doolhof lokte, moet het ontgelden.
Dankbaarheid schijnt met de natuur van den mensch te
strijden. A. die het leven van B. redt, gaat meer houden van
B. dan B. van A. houdt, wien hij dank schuldig is.
Verkeerdelijk hoopt de jongeling dat hij door haar leven te redden nog eens de
liefde zal winnen van het meisje dat hem versmaadde. De maagd zou hem erger gaan
haten. Dankbaarheid is een slavenplicht. Ieder wenscht er aan te ontkomen. Het
goed doen brengt ons eerder vijanden dan vrienden. Een bekend Israëliet,
weldoener en menschenkenner, was, bij beleediging van dezen of genen, gewoon te
zeggen: 'ik herinner mij niet, den man ooit een weldaad te hebben bewezen.' -
Een beschaafd persoon is direct te herkennen aan de wijze waarop hij een
geschenk weet aan te bieden en dankbaarheid te voorkomen weet. Weinig beschaafde
lieden nemen met gemak gaven en geschenken aan; ze zijn vooruit van plan, den
gever geen streep hooger te schatten en zijn weldaden (of beleedigingen) te
vergeten.
Dat alles betreft het kleine, in het groote gaat de
ondankbaarheid verder. Bijvoorbeeld die van de natie tegenover haar beste
schrijvers, die haar ieder jaar een boek schenken even als de trouwe gade elk
jaar een kind schenkt aan den geliefden heer gemaal. Geestelijke genietingen
kosten weinig, materieel genot is duur. Verschijnt van een geliefd auteur, van
een man die boeit, een nieuw werk, dan kan heel een gezin een week lang zich
daarmee bezighouden voor nog geen braspenning daags tot instandhouding van de
markt. Wat is nu de houding tegenover den knappen schrijver, die weer zoo vele
uren den last des levens in vergetelheid deed verzinken?
Wilt gij snoode ondankbaarheid leeren kennen, zoek die dan
bij trouwe lezers van bekende schrijvers. Voor hen is de kunstenaar een persoon,
op de wereld gekomen om hun steeds het hoogste te geven. Pas hebben ze de
lectuur van een boek dat hen dagen lang bezig hield, geëindigd, of het oordeel
is: de man gaat niet vooruit. Komt om de gezellige theetafel het gesprek op
litteratuur, op een schrijver van naam, dan uit zich de dankbaarheid voor het
vaak kosteloos gesmaakt genot meest in een kleinachtende critiek over den
persoon van den schrijver en zijn eigenaardigheden. Heeft het genie hier of daar
gespot met de conventie of gezondigd tegen heteronome moraal, dan gaat het er
eerst recht op los. Kinderen die om onderrichting vragen, krijgen van de moeders
ten antwoord: 'dat is een gemeene actrice' of van de vaders: 'dat is een
zedeloos man'.
Maar zoo'n buitenkansje komt niet altijd voor en dan moet de
schare haar oordeel beperken tot de werken zelven.
O, die leekecritiek! Dat oordeel van half-ontwikkelde
menschen, die in het gesprek een woord meepraten over de werken van Neerlands
vernuften.
Gaat van huis en zwerft heel de wereld af om stof. Geef het
beste van uw ziel en uw genie. Schrijf een roman, volmaakt naar den vorm,
beantwoordend aan de zware eischen, den kunstenaar, die met dat al mensch
blijft, gesteld; een roman, pittig en altijd boeiend, zonder uitweidingen over
kunst, hoewel 'spelend' in het land der schoonheid, zonder bespiegelingen over
'vraagstukken', hoewel de handelende personen den invloed dier 'vragen'
ondergaan; een roman met een korten, kernachtigen, krachtigen dialoog, geestig,
grappig, guitig - den dialoog van het Fransche Tooneel - dat geeft alles niets,
de critiek barst los, de ergernis is groot, welk een misteekening, zoo iets doet
een vrouw niet, heeft de schrijver de vijf bij elkaar, werd hij Katholiek, nu ja
wel boeiend maar zoo vreemd dat geval, zoo onnatuurlijk, om van te rillen,
griezelig, zoo geheel niet modern, terugval in de huwelijksopvatting der oud
vaders met kruis-en pluimmuts.
O, die critiek van leeken, van breinen, deduceerend uit een
oppervlakkig beginseltje, in hun oordeel beperkt door een niet weten....
De schrijver, die zoo boeiend maalde, die voor de diepste
ziele-uiting het juiste woord vond in den beknopsten vorm - wàt krijgt hij te
hooren! En zijn werk: roman in 2 deelen, tijdverdrijver, opheffer van den
levenslast, genotbrenger - hoe wordt het begruisd en vertreen....
Wees van een natie haar beste schrijver en doe steeds uw best
- het baat niet, verwacht geen dankbaarheid. Het is daarom wel verstandig van
zekere litteraire groep in den lande om naar de wijs onzer cacaofabrikanten, de
natie aan te kondigen: 'wij zijn de besten!' Zooveel brutaliteit brengt de natie
van de wijs en zij denkt: 'het zal wel zoo wezen.' Werken van die besten onder
de besten krijgt zij niet te lezen, alleen nu en dan iets wat haar weinig
interesseert of haar begrip te boven gaat, en dus werpt zij zich op den knappen
auteur die haar boeit en niet zei, dat hij de beste was. Nu durft zij, de natie,
terwijl de andere groep, geholpen door de altijd op kunstgebied vooruitwillende
pers haar terroriseert. 'Raakt niet aan de besten!' roepen de dagbladmannen haar
toe, en de natie kruipt in de zwarte schulp harer ondankbaarheid. Zoo houdt ook
in het politieke leven een handvol onderdrukkers, aristocraten en sabeldragers
heele volken in den vuist. Ik acht de litteraire groep, welke de natie
terroriseert, zeer. Maar om
331
haar litteraire geweldspolitiek meer dan om wat zij dicht en schept. Kent gij de
schrijvers en schrijfsters niet, door haar verworpen, maar die u nog altijd
boeien? Ontwaakt dan, schuchtere lieden, arm vertrapt leekeverstand! Bevrijdt-u
van het litteraire juk. En houdt de auteurs, die u in boeien slaan door hun
talent, door hun genie, hunne werken, in eere. Wat kan het u schelen, voor dom
te worden gehouden? Aan een opgeklaard verstand hebt-gij zoo weinig in deze
wereld. Enkel last en ergernis. Weest liever edel, vroom, dankbaar.
Zoo gleden wij, 'Langs lijnen van geleidelijkheid' tot
Louis Couperus en zijn jongste werk. Een mooie roman - dat geeft gij toe.
De omslag met de kruisende en dolende lijnen, levenslijnen: symbool van den
inhoud, wijsgeerig motief in den roman. De gele omslag. Wat zegt de aesthetica
van het geel. Mooi en schitterend bij zonnelicht en nieuwheid, vaal en leelijk
bij kunstlicht, de frischheid spoedig heen. Jaren lang maakten onze
infanterie-officieren met hun gele uitmonstering een vaal figuur in de balzaal
en bleef hun enkel het witte licht van den geest over om de schoonen te treffen,
bekoord door het rood of blauw der lanciers. Nu dwarrelt ook de Infanterie in
het rood en ging de uitvinder van het geel onder de verwenschingen van duizenden
ter ziele. In den roman van Couperus, waarin zooveel zon voorkomt, die in het
zonneland 'speelt', is het geel wel een goede keuze, en in harmonie met den
schitterschijn, den getemperden tooverglans van het boek zelve.
Ja, wel een mooie roman, en wat leest die prettig, vlug,
geleidelijk. Die zachte, zwarte letter; die regel met één blik van het oog te
omvatten.
Rome en het pensionleven aldaar. De Jezuïet nu vermomd als
gezellig causeur en bereidvaardig vriend, ook daar op den loer om zieltjes te
winnen voor de Zaligheid. Kennismaking met de hoofdpersoon, met Cornélie, mevr.
de Retz van Loo, gescheiden van haar man, den man van haar bloed, aan wien zij
nog met verlangen terugdenkt. Flink temperament, niet geneigd tot vele mannen,
gezond dus, vreemd aan hysterie. Haar coquetteeren met den prins di
Forte-Braccio, een vroolijk geestig man die haar amuseert, maar langs de lijn
der liefde haar hart voorbijglijdt. Beantwoordt niet aan het wezen van haar
vrouw-zijn. Duco, de schilder, trekt haar aan, dien heeft zij lief, hij is de
man harer ziel. Zij geeft zich aan hem over en gaat met hem samenwonen op Duco's
atelier. Lijden samen armoede en hebben dikwijls geen middagmaal.
Het gedrag van Cornélie schokt reeds hier vrij gevoelig het
moraliteitsgevoel der eerzamen. En toch! Wij oordeelen in 1900 minzamer dan
voorheen, ook staat Cornélie als feministe (zij stelde den maatschappelijken
toestand verantwoordelijk voor de klappen die zij indertijd, misschien niet
onverdiend, van haar man had gekregen) boven het oordeel der domme menigte. Gij
hoort tegenwoordig zoo veel en neemt kalm op wat vroeger zou hebben doen
griezelen. Cornélie moet weten, wat zij doet. Maar, diable, daar biedt Duco haar
het huwelijk aan, en de mooie Corrie weigert. Zij weigert vierkant en nu barst
de verontwaardiging los. Is de schrijver bij zijn zinnen? Moet die vrouw zich
zoo vergooien? De schare begrijpt niet en wil niets weten van die geniale
splitsing van Corrie's wezen in een man, die zij in haar ziel, en een man, die
zij in haar bloed voelt. Toch is dit verschijnsel zeer natuurlijk. (Schrijver,
je bent een knap man).
In weerwil van de verfijnde moraal der tijden ligt er iets
metaphysisch in het om geen bijredenen gesloten huwelijk. En langs die
transcendente lijn gevoelde Corrie, dat zij nog altijd de vrouw was van den
ruwen luitenant en slechts de maîtresse van den zachten Duco. Zij had Duco, den
man harer ziel, te lief om hem te huwen met dien anderen man, baron Brox, in
haar bloed.
De complexiteit van dit vrouw-zijn, zoo in-natuurlijk toch,
de schare wil er niets van weten, Cor had den schilder moeten huwen. Intusschen
legt de menigte zich bij het geval neer, weinig vermoedend de verrassing, door
den schrijver voorbereid en die haar nog erger zal ontstellen.
Cornélie ontmoet haar gewezen man, den forschen officier, op
een bal. De oude hartstocht vlamt op in den geweldenaar en hij wil hernemen wat
de wet hem ontnam, de wet kan ophoepelen, hij decreteert zijn eigen wet aan zijn
eigen vrouw. (De verontwaardiging van de schare, vooral van de vrouwen, is
groot). Cornélie, die nog altijd dien man in haar bloed voelt en zal blijven
voelen; die met half-duister bewustzijn weet, dat de man die haar ontmaagde,
haar eenige man is en blijft, zoekt haar heil langs de lijn der zwakken, zij
vlucht en schuilt weg in de ziel van Duco. (De schare bekomt eenigszins van haar
geschokt gevoel). Edoch, de huzaren-baron is de man niet om te laten ontglippen
wat reeds trilde in zijn vuist, en langs de strategische lijnen van het
postverkeer eischt hij onmiddellijke terugkomst van Cornélie, anders zal hij
zelf overkomen en langs de lijn van het tijdelijke den man harer ziel het
Eeuwige inschieten. De arme gefolterde Corrie, bedreigd in den man die haar ziel
heeft, en getrokken tot den man in haar bloed, neemt in Genua half-gebroken
afscheid van Duco, borstelt, op de kamer van den baron in Nizza gekomen, met de
schuiers van den man in het bloed zich wat op, en vlijt zich neer in het bed
harer toekomstige kinderen. De schare, perplex, roept uit: 'die lijn is te
grof!'
En dat vindt zij jammer - de roman bevat zooveel schoons! Zij
vindt die tooneelen op het Kasteel San Stefano prachtig; zij vindt Urania, de
dochter van den Amerikaanschen kousenfabrikant, gehuwd met den prins, zeer
sympathiek. En veel ander moois nog vindt zij in den roman, ditmaal ook zoo
eenvoudig geschreven en toch artistiek. Maar de gedragingen van die Cornélie! De
gewone praatjes kunnen op haar niet worden toegepast. De auteur heeft er in
voorzien. Cor verkeert niet onder hypnose van den geweldenaar. Zij volgt haar
eigen vrijen wil, het heilige instinct van haar vrouw-zijn, de moreele lijn van
het huwelijk, door liefde geknoopt.
Met dat al doet zij wel, maar stil in Parijs te blijven,
waarheen zij getrokken is met den man in haar bloed. Holland begrijpt zoo'n
vrouw niet en trekt de mogelijkheid van haar bestaan in twijfel.
Wolfgang.
(Uit: De Nederlandsche Spectator 1900, 13 oktober, p.330-331.)
Redactionele ingrepen:
-p.330:
aristrocraten > aristocraten
-p.331:
be-bedreigd in den man > bedreigd in den man