Index Majesteit | Index Recensies
Majesteit door Louis Couperus. 2 deelen. L. G. Veen. Amsterdam, (zonder jaartal, 1893).
Het boek Majesteit van Louis Couperus is
ten onzent eene der belangrijkste letterkundige gebeurtenissen van het jaar
1893.
De dichter Couperus, de auteur van Eline Vere, heeft
een zeer welverdienden lauwer gewonnen met dit kunstwerk. Als schepping zijner
schatrijke fantazie staat het geheel alleen in zijne benijdenswaarde
oorspronkelijkheid, in zijne indrukwekkende grootheid. Het is een kunstarbeid
sui generis, met niets te vergelijken, en daarom dubbel belangwekkend.
Door beide deelen heen klinkt telkens het grootsche thema,
waarop met gadelooze weeldrigheid wordt gefantaseerd. Dit thema is het moderne
zwaard van Damocles, hangende boven de hoofden hunner Majesteiten, vooral in
Rusland en Spanje, door de godvergeten aanslagen van nihilisten en anarchisten.
De gedurige gevaren, die sommige Souvereinen dreigen, hun sidderen op den troon,
het lijden van het menschelijk hart in den boezem van den vorst - over al deze
tragische onderwerpen heeft Couperus een epos geschreven.
Zijn boek is dus bij uitstek modern, mocht ook het
grondmotief in algemeen menschelijken zin al door Horatius in zijn 'Post equitem
sedit atra cura' zijn aangegeven. De gang, dien de maatschappelijke en
staatkundige geschiedenis in de laatste kwarteeuw heeft aangenomen, herinnert
juist nu het oude verhaal van Damocles - het dreigend zwaard aan een draad
hangend boven het hoofd van den met alle schatten en gaven overstelpten
gunsteling van den ouden Dionysius van Syrakuse. De laatste maanden hebben eene
treurige vermaardheid verworven door de snoodste en laaghartigste aanslagen
tegen het leven van volkomen onschuldige menschen. Het zwaard hangt nu niet meer
alleen boven de hoofden van hunne Majesteiten, maar bedreigt de ministers, de
voorzitters en leden van wetgevende vergaderingen, bedreigt zelfs de rustige
burgers en hunne familiën, wanneer ze met opgewekten zin in den schouwburg bij
elkander zitten, bedreigt zelfs den eersten besten bezoeker van een Parijsch
restaurant, wanneer den een of ander onverlaat zich verontwaardigt, omdat de 'bourgeois'
met zooveel smaak zit te eten.
Eene geheel nieuwe stof, geheel nieuwe toestanden, worden nu
aan den letterkundigen kunstenaar door dezen noodlottigen loop van zaken ter
studie gegeven. Couperus plaatste eene Keizerlijke familie te midden van de
meest moderne toestanden. Zoo'n hof en zulk eene keizerlijke familie, keizer,
keizerin en twee zonen, Othomar en Berengar, was juist een kolfje naar de hand
van den auteur. Hij had nu aanleiding om hoffeesten te beschrijven, en zijn
eigenaardigen lust voor weelde, kleuren, schittering van edele steenen, goud,
zilver, juweelen, brokaat, zijde, en satijn op het onbekrompenst te boeten. Hij
mocht nu zijn smaak toonen voor gala-toiletten en zoo geleerd over damessleepen
en den pli Watteau redeneeren, of hij jaren lang voor vrijwilliger in
de ateliers van Wörth had gediend.
Doch dit is slechts de uiterlijke zijde van het kunstwerk.
Hij had daarenboven een tal van vorstelijke personen in hunne Majesteit, en in
hunne Hoogheid te bestudeeren, en door te dringen in hunne binnenborst. Hij had
de keizerin te geven als de fijn ontwikkelde, fijn gevoelende vrouw en moeder,
het zielvol oog altijd vol angst gewend naar het zwaard van
114
Damocles; de keizer als een forsch, brutaal willend en bevelend autokraat; de
kroonprins als een zeer fijn bewerktuigd wezen, geheel week en vrouwelijk als
zijne moeder, vol nobele opwellingen, dichterlijk dwepend met volksgeluk en
volkswelvaart, zonder de kracht van zijn wil te bepalen, maar steeds
overvloeiende van de fijnste gevoelsuitingen en de teederste zorgen; hij had den
prins Berengar te geven, een wilden knaap vol grillige koppigheid, vol trotschen
eigenzin, het beeld van zijn vader. Dan had hij nog eene hoofdpersoon te
teekenen, de her togin van Yemena, eene nieuwerwetsche Aspasia, eene zeer
hooggeplaatste priesteres van Aphrodite, doch niet van de Uranische Cypris. Men
heeft zeer bedenkelijk het hoofd geschud over de liefdesgeschiedenis dezer
hertogin, daar zij den Prins van Xara, Othomar, als met geweld in hare armen
klemt, doch ten onrechte. Deze episode is volkomen gepast in de lijst dezer
vorstengeschiedenis, en vormt het tegenstuk met den ongelukkigen hartstocht,
dien de Aartshertogin Valérie koestert voor een vorst van minderen rang, den
prins Leopold von Lone-Obkowitz, welke een huwelijk sluit met eene Fransche
actrice - even als de ex-koning van Bulgarije, Alexander van Battenberg, eene
zangeres tot vrouw nam. Het later gesloten huwelijk van Othomar en Valérie wordt
er des te treffender, te aangrijpender door - een vreugdeloos vorstenhuwelijk.
Met bewonderenswaardig talent heeft Couperus eene geheele
reeks van voortreffelijke tafereelen voltooid, schilderingen van het hofleven,
ontmoetingen tusschen de hooggeplaatste personen, dramatische en tragische
tooneelen. Tot de besten behooren: de teekening der persoon van de Hertogin van
Yemena (I, 26); de overstrooming van den Xanthos (I, 42); de slapeloosheid van
Othomar, en de dienende liefde van Andro (I, 105-109); de aanslag op het leven
van Othomar en de vreugde van den ouden Generaal (I, 157); de voorstelling van
Othomar's karakter zonder eenig bepaalden hoofdtrek (I, 196); de Keizerin haar
wilden zoon Berengar dwingend een schildwacht zijn excuus te maken (I, 201); de
Keizerin bij het bed van Berengar na den dynamiet-aanslag in het paleis (I,
215); de redding der Aartshertogin Valérie uit de golven door Othomar (II, 40);
de verloving van deze beide vorsten (II, 71); de woede van Keizer Oscar over de
weekheid en besluiteloosheid van zijn oudsten zoon (II, 99); de strijd tusschen
vader en zoon (II, 144); de Keizer en de Keizerin aan het doodbed van Berengar
(II, 147) en de bladzijden uit het Dagboek der Hertogin van Yemena (II, 190).
Allervoortreffelijkst is het tooneel tusschen Othomar en de
Aartshertogin Valérie, des avonds van hunne verloving. Zij staan zwijgend aan
een venster, en staren naar een schilderachtig berglandschap:
'- Wil ik je even alleen
laten, Valérie? vroeg hij zacht.
Zij knikte weemoedig glimlachend, van neen. Eene
onbedwingbare emotie scheen haar borst zenuwachtig op en neer te doen hijgen.
- Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg
alleen met mijn gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen mee...
- Zij stak hem in eens hare hand toe.
- Vergeef je aan je aanstaande Keizerin haar gebroken hart?
vroeg ze, in eens met een grooten snik.
- En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zij geheel naar hem
toe, met een paar oogen, als van een verwonde ree. Een onbedwingbaar gevoel van
medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opgolving; hij drukte hare hand
vast, en wendde zich af, om niet te weenen.'
Na op zooveel schoons gewezen te hebben, veroorloof ik mij
eenige bedenkingen.
Ik heb eene bezwaar tegen het hoofddenkbeeld van
Majesteit. De auteur heeft voor zijne schepping een gedroomd kei-
115
zerrijk noodig - het keizerrijk Liparië, dat misschien in het oosten, misschien
in het zuiden van Europa zou moeten gezocht worden. Wij vernemen, dat de Keizer
Oscar er regeert met eene constitutie, met twee Huizen, en dat de Liparische
natie gedurig om uitbreiding van constitutioneele prerogatieven vraagt. Wij
vernemen, dat er veel feesten gegeven worden bij het bezoek van den Koning en
Koningin van Syrië - en dit alles volgen wij met groote kalmte. De auteur is
volkomen bevoegd zich een keizerrijk te scheppen, hoe en waar hij wil.
Maar nu komt het bedenkelijke. De geheel fantastische Prins
Othomar sluit een huwelijk met de Aartshertogin Valérie van Oostenrijk - men
ziet aan het hof van Keizer Oscar Russische, Zweedsche, Oostenrijksche en
Duitsche officieren en diplomaten. Hier treedt een storend element op, in
fantastische keizerrijken behooren fantastische huwelijken gesloten te worden -
de Hertogin Valérie van Oostenrijk had de Prinses Valérie van Trebizonde moeten
heeten, alle historische namen van personen en volken hadden vermeden moeten
worden. Dan ware de harmonie van dit mooie kunstwerk beter gehandhaafd. De
vermenging van fantastische en historische namen dwingt de lezer, om zich een
historisch Liparië te denken, en daar dit niet te vinden is, blijft hij verward
en onzeker, ondanks de treffende bladzijden, die telkens en telkens zijne
toejuiching uitlokken.
De historische romanschrijver, die eene Koningin Elisabeth,
een Richelieu, eene Cleopatra, een Julianus den Afvallige kiest, heeft geenszins
het recht zijne hoofdpersonen fantastische karaktertrekken of fantastische daden
toe te schrijven. Zoo mag de moderne romanschrijver, die een verdicht keizer en
keizerin ten tooneele brengt, ze geenszins omringen met historische personen en
historische toestanden. Bij den eersten dient alles in historischen toon, bij
den laatsten in fantastischen toon te worden gehouden.
Juist hieruit blijkt, welke eene uiterst moeilijke taak de
rijk begaafde auteur van Majesteit zich heeft uitgekozen. Bij zijne
schildering van den gedroomden keizer, zijn land, zijn hof, zijne
bloedverwanten, heeft Couperus gestaag aan historische feiten gedacht. De
volksvriend Zanti gelijkt sprekend op Tolstoi. Het bezoek van de vorsten van
Syrië herinnert aan dat van den Shah van Perzië te Petersburg; het in staat van
beleg stellen van Lipara voert ons naar Berlijn; de ruwheid van den hofadel te
Lipara naar Petersburg; de tafereelen aan het hof van Gothland verplaatsen ons
naar Zweden; de huwelijksplechtigheid van Othomar, de fakkeldans, doet denken
aan Berlijn; de paskwillen in het Keizerlijk kabinet geworpen, de moord op den
Keizer bedreven behooren te Petersburg thuis.
Het is inderdaad bijna onmogelijk een roman-keizer en een
roman-hof te scheppen, zonder telkens de historie aan te raken. Kiest men uit
het volle menschenleven, dan kan men met onbeperkte vrijheid de handen
uitstrekken, grijpt men uit het volle vorstenleven, dat zich uit den aard der
zaak zich tot weinige zeer bekende groepen bepaalt, dan blijft men de bestaande
toestanden zoo nabij, dat men er ieder oogenblik over spreekt.
Hierin schijnt mij de zwakke zijde van dit voortreffelijk
kunstwerk te schuilen. Het was Couperus niet te doen om een roman à clef
te schrijven, zooals Alphonse Daudet in zijn Rois en exil gaf. Hier
deed zich het geval voor, dat historische personen, de Koning en Koningin van
Napels, de blinde Koning van Hannover, de Prins van Wales, Milan van Servië en
anderen, zich inderdaad te Parijs bevonden en bevinden - dat hun leven in de
Fransche hoofdstad onder verdichte namen wordt geschilderd. Bij Daudet heerscht
116
volkomen klaarheid en helderheid, daar alleen de namen behoeven gewijzigd te
worden, om weer tot de geschiedenis van den dag terug te brengen. De edelmoedige
Koningin van Illyrië spreekt ten slotte zelfs Italiaansch, om te toonen, wie zij
in waarheid is.
In Majesteit heerscht een geheel andere toestand.
Keizer Oscar, de Keizerin, Othomar, Berengar, zijn zuivere scheppingen van des
auteurs wonderrijke fantasie - zij zijn en blijven zijn eigendom, waardoor zijn
kunstwerk in betrekkelijken zin hooger staat dan Les Rois en exil. Maar
in dit fantastischen weefsel spint hij eenige historische draden, die aan de
harmonie van zijne schepping afbreuk doen, omdat ze verwarring stichten, en ons
half en half doen twijfelen of we werkelijk met een epos der fantasie of wel met
een historischen roman te doen hebben.
Hadde Couperus zijne vorstenfamilie in Duitschland geplaatst,
hadde hij een fictief klein vorstendom in het leven geroepen - eene
waarschijnlijkheid, die ieder zou toegeven - hij zou de karakters zijner
hoofdpersonen geheel op dezelfde wijze hebben kunnen ontwikkelen, mocht ook de
gelegenheid om keizerlijke pracht en luister te schilderen een weinig verminderd
zijn. Zijn hartstocht voor groote kunst heeft hem voor moeilijkheden gebracht,
die bijna niet te overkomen waren.
Toch dient niet vergeten, dat hij, als kunstenaar, er zich
dapper doorheen heeft geslagen met eene veerkracht van vinding, die hoogst
bewonderenswaardig is.
Ik heb nog eene tweede bedenking tegen den vorm van
Majesteit
- zij deze ook van minder beteekenis. Het mooie boek is grootendeels in een
voortreffelijken kunstenaarsstijl geschreven, vooral de beste, de
aantrekkelijkste bladzijden. Toch heeft Couperus nog altijd zijne voorkeur voor
Fransche woorden behouden. Hij schrijft soms volzinnen, die in het Fransch
schijnen gedacht te zijn. Zal ik een lijst geven der echt Fransche woorden, die
op de eerste honderd bladzijden van het eerste deel voorkomen - zal ik wijzen op
dikwijls herhaalde woorden als: intiem - nerveus
- intonatie - gebombeerde borst - vitale natuur -
isolement
- navrant - delicaat - liquide - mondaniteit
- transparantheid
- het Episcopaal - het Imperiaal - ostensatie
(ostentatie) - cauchemar
- intens - elaborate uniform - vitaliteit -
morbide bloesem
- sepulker - splendeur - het minime - emotie
- lanceeren.... enz.
Dit is maar een heel klein deel. Als het ons geoorloofd ware
de eigenaardigste Fransche, Italiaansche en Engelsche woorden in onzen stijl op
te nemen, misschien, dat wij in gloed en kleur van uitdrukking zouden winnen.
Maar dan zouden wij komen tot een internationalen stijl. En zoo tot het
verval van onze Nederlandsche
letterkunde. Als de Nederlandsche jonge schrijvers zich maar wilden herinneren
met hoeveel moeite Coornhert, Marnix, Spieghel en Roemer Visscher zich in de
tweede helft der zestiende eeuw moesten inspannen, om de Fransche woorden uit
onze bijna geheel verloopen taal te weren, zij zouden er niet zoo snel toe
overgaan om transparantheid voor doorschijnendheid,
delicaat voor teeder, het Imperiaal voor het
keizerlijk paleis, sepulker voor graftombe, splendeur
voor luister
te schrijven. Dit telkens en telkens te herhalen is allernoodzakelijkst. Een
kunstenaar van zeldzaam talent, als Couperus, kan al dat Fransch even goed in
degelijke Nederlandsch zeggen. Zijn arbeid zal er door winnen in levenskracht,
zal de eer onzer nationale letteren te hooger houden, zal zijn eigen
kunstenaarsroem nog duurzamer luister geven.
(Uit: Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift 4 (1894), p.113-116.)
Redactionele ingreep:
-p.113:
L. G. Veen > L. J. Veen
-p.114:
vroeg hij zacht > vroeg hij zacht.