Index Majesteit | Index Recensies
MAJESTEIT - Roman van Couperus.
In tweeërlei opzicht is het verschijnen van Couperus'
jongsten roman: Majesteit een zeer verblijdend teeken. Verblijdend,
omdat de strekking er zoo geheel anders is dan in de overige
Couperus-litteratuur; verblijdend, omdat het een kunstwerk is. Om dit te
constateeren, om dit te vertellen, heb ik niet gewacht, tot Majesteit
in den vorm van een boek zal zijn verschenen. Bovendien voelde ik behoefte, zoo
gauw mogelijk mijn indrukken schriftelijk te vertolken, omdat ik vroeger niet
veel goeds gezegd heb van Couperus' werken: het is daardoor nu voor mij een
zooveel aangenamer en dankbaarder taak, slechts mijn bewondering aan het woord
te laten.
Boven sprak ik van de strekking, die Majesteit
heeft.
Ik weet, dat dit woord eigenlijk contrabande is in het rijk,
dat de kunst tot zijn douanebeambte aanstelt. Omdat daar het l'art pour
l'art heerscht, kijkt die beambte met Argus-oogen toe of de geen kwaad
vermoedende reiziger niet ergens in zijn schrijfgerij iets verborgen houdt,
wat naar 'strekking' of 'nut' zweemt. Of dit echter goed is, velen betwijfelen
het. Er zijn er ook, die zich het rijk, waar de kunst heerscht, voorstellen als
een vrijhaven, waar alles ingevoerd mag worden, als het maar mooi is, al is het
ook nog zoo nuttig, al bergt het nog zooveel 'tendenz'. Want zooals men heden
ten dage dat rijk der kunst beheerscht of tracht te beheerschen, lijkt het wel
of er niets mag geschreven worden tot steun, tot opbeuring, tot opheffing van
zijn medemenschen, of men is geen kunstenaar, geen artist, want dit laatste
woord heeft tegenwoordig bij de artisten slechts burgerrecht, wellicht
ook omdat het Hollandsche kunstenaar in zoo weinig letters verschilt
van het Hollandsche kunstemaker. Nu dan, volgens moderne, ultra-moderne
opvatting is Zuster Bertha een kunstwerk, en Een Passie is het
ook, en Gekken
ook, en Noodlot eveneens, en Illuzie, en Extaze en
Coenen's Verveling.
Want, wordt er geredeneerd, al die boeken zijn uitingen van
het leven; zij geven het leven zooals dat leven is. En Zuster Bertha gaat ten
onder; en Passie's
held Cornelis eveneens; Gekken is vol raadsels, vol pessimisme; in
Noodlot
gaan alle drie ten onder; in Illuzie ongeluk, bitter ongeluk; in
Extaze
een dienst aan het ideaal, die bittere werkelijkheid baart; in Verveling
verveelt zij zich tot verstomping, omdat er niets ter wereld is, dat haar uren
vermag te vullen.
Ofschoon ik weet, dat ik in herhaling van wat ik vroeger
schreef, verval, moet ik tot goed begrip van wat volgt, wel tot herhalingen mijn
toevlucht nemen. Aangenomen alzoo, dat levende exempels de schrijvers tot
schrijven bezielden. Toegegeven dus, dat deze schrijvers waar zijn; omdat zij
het zwartgallige in onzen tijd voor het grijpen hadden, grepen zij toe. Men liet
ze dus binnen het rijk der kunst: het l'art pour l'art stempelde ze tot
kunstenaars.
Doch kinderen van hun tijd waren ze nog pas; school er al
iets van den kunstenaar in hen, groote mannen waren ze nog niet. Want een groot
man is niet alleen een kind van zijn tijd, doch hij moet zijn tijd ook verder
brengen. En dit is nu geen willekeurige uitspraak; bestudeer alle groote mannen
en ge zult zien, dat het nageslacht aan allen dankbaarheid verschuldigd is. En
het gaat niet aan, telkens en telkens den menschen te komen vertellen, dat zij
zoo slecht zijn, zoo bitter weinig stof tot vreugde en tevredenheid hebben,
indien er niet mee samengaat de wil om wat slecht is te verbeteren; het gaat ook
niet aan, sluiers en nevels te doen verrijzen aan den moreelen hemel, indien ge
niet over de zon beschikt, welke die dampen verjagen kan.
Daarom geloof ik dat l'art pour l'art misbruikt is
geworden. Er is allengskens een toestand geboren, dat waar de kunst zich
verblijdt over een nieuwen bewoner van haar rijk, de menschenliefde als de goede
engel op Wiertz's schilderij zich huiverend het gezicht bedekt. En wanneer men
dan bedenkt, dat de kunst een der schoonste dingen is, die de mensch op zijn weg
heeft mede gekregen, dan vraagt men zich af, of een kunstwerk werkelijk
kunstwerk mag heeten, wanneer het menschdom er zoo weinig mee gebaat wordt.
Doch waarom toch durf ik spreken van een strekking bij een
boek als Majesteit? Herinner u lezer, den vroegeren Couperus. Eline
Vere 'zenuwde' en 'pessimistte' zich dood; Bertie en Eve,
hij slachtoffer van zijn dierlijke drift, zij noodlotsvervolgde, vergiftigden
zich; Taco en Cecile, die den heelen dag tobden over
sensitivisme, ziele-essence, kregen elkander niet, omdat hij haar aan zijn
gecompliceerde ziel opofferde; Carel en Tila kregen elkander
niet voor een soortgelijke reden; de dichter uit een Epiloog bejammerde
het, dat hij schreef, omdat zijn medemenschen zijn gedichten niet waard waren;
de millionairs wisten met hun leven en geld geen raad; kleine Kareltje
wist niets anders te doen dan zich te verdrinken; Jules van Attema,
vijftienjarige gevoelsmensch, was rijp voor een zeer koude koudwaterinrichting.
Het schijnt alsof dat alles een prelude is geweest, alsof
Couperus dat alles noodig had om zichzelf te vinden, gelijk hij zich in
Majesteit gevonden heeft. Want er moet 'veel strijds', gestreden zijn bij
een schrijver, voor hij komen kon van het beschrijven van een Eline Vere
tot een Othomar, de hoofdfiguur van Majesteit.
En als het dan waar is, dat een auteur van zijn eigen
gemoedsleven altijd, of hij het wil of niet, veel neerlegt in zijn werken, dan
is het te hopen, bijna te voorzien, dat Nederland, de beschaafde wereld nog veel
van Couperus te verwachten heeft. Want in Majesteit heeft hij bewezen
een groot man te kunnen zijn. Dat hij kunstenaar was, zijn hevigste bestrijders
hebben het steeds erkend, want niemand als hij hanteerde de taal zoo
meesterlijk. Doch wat vroeger ergerde door zijn niet te miskennen ziekelijkheid,
is nu op weg gezond te worden.
Othomar echter verloochent zijn geestelijken vader
niet. Othomar
is klein en tenger, delicaat van gestel, met aanleg tot zwaarmoedigheid. Een
keizerrijk echter wacht hem; de kroon, die hij nog niet draagt, drukt zijn
slapen reeds als met lood. Hij is bang voor zijn toekomstige verplichtingen, hij
zou er voor willen wegloopen. Ook in hem huist een ziel, die pijnlijk aangedaan
wordt bij elke aanraking met de buitenwereld. Als een mannelijke Eline Vere
komt ook hij voort uit een zeer verfijnd geslacht, dat met al zijn overerving
van verslapping en ontaarding op hem drukt. Doch Othomar
gaat niet onder, omdat Couperus twee elementen in zijn werk heeft ingevoerd, die
wij er vroeger bijna geheel in misten: wilskracht en verantwoordelijkheid. Door
zijn ijzeren wilskracht onderdrukt Othomar ten slotte bijna geheel zijn
ziekelijke aandoeningen; het begrip van verantwoordelijkheid doet hem inzien;
dat er plichten op hem rusten. En wanneer de Othomar van den opzet, die
in het eerst geen enkel lichtpunt in zijn leven zag, tot zijn vader, keizer
Oscar, zegt: 'Want ik voel het, dat ik mij zelven niet behoor. En ik voel,
dat het dit is, wat ons staande moet houden in het leven: dit gevoel, dat wij
niet aan onszelven behooren, maar aan anderen', dan moge vrij moderne
artisticiteit het hoofd schudden, want door deze woorden verovert Couperus zijn
plaats in de rij van hen, die niet alleen kinderen huns tijds waren, doch als
fakkeldragers hun tijd voorgingen. Het is waar, dat Othomar op het
laatst onder het verpletterend wicht van leed, weer oogenblikken van
vertwijfeling heeft, doch de roman eindigt met een brief van Othomar's
vrouw: keizerin Valérie, die in een der laatste zinsneden zegt: 'En als ik heb
een man en een kind, en een volk; een Keizer, een Kroonprins en een Rijk, heb ik
dan geen doel om te leven, en als ik een levensdoel heb - en welk en ontzaglijk
levensdoel! - heb ik dan geen geluk? Is het geluk iets anders dan een hoog, een
edel levensdoel gevonden te hebben'?
Deze vraag met haar bevestigende beteekenis deed het mij
wagen van iets bij Majesteit als strekking te spreken.
Doch gesteld, die strekking was er niet! Wat staat de
Majesteit
ontzaglijk hoog als kunstwerk! Ook in de teekening van Othomar. Die
teekening van den twijfelaar, die uit hoog rechtvaardigheidsgevoel niet meer uit
weet te maken, wat recht is en wat onrecht, dat terugdeinzen voor
verplichtingen, dat weifelen aan eigen privilegiën, en dat in een kring, waar
het meest autocratische gezag geldt, is dramatisch van gegeven en meesterlijk
van ontwikkeling. Door de omstandigheden geplaatst te zijn daar, waar het noodig
is voorwaarts te schrijden zonder om- of zijwaarts te kijken, en dan zich af te
vragen met klimmenden angst, met groeiende wanhoop of dat voorwaarts gaan goed
is, het is een gegeven, dat door de botsingen, die het in eigen gemoedsleven
tevoorschijn roept, machtig van werking is.
Dit wat Othomar betreft. Nu het bijwerk.
Er waren velen, die het steeds betreurden, dat Couperus' 'pen
zich al meer verwijderde van het het schetsen der gezonde, frissche kindertjes,
der levenslustige jonge meisjes, der flinke jonge mannen, der het hart
verkwikkende grootmoeders', gelijk ook ik dat schreef in het begin van dit jaar.
Wie nu dat bijwerk in Eline Vere
steeds miste, heeft reden tot groote vreugde in Majesteit. Dezelfde
geestige en frissche tooneeltjes vindt men daar terug, maar met grootere kracht
en met grooter talent beschreven; En bovendien zijn er in dat bijwerk
scheppingen, die de meesterhand verraden. Zóó de teekening van Othomar's
vader: keizer Oscar, een teekening van dien aard, dat er de botsing
tusschen vader en zoon volkomen uit verklaard wordt, volkomen in de orde der
dingen is. De dramatische effecten, die in Noodlot gewild waren, komen
hier uit de karakters voort, en ook daardoor verzekert Couperus zich een plaats
naast de groote mannen.
Doch in dat bijwerk is de teekening van den kleinen prins
Berengar, zóó oorspronkelijk, zóó treffend, dat zij al wat Couperus vroeger
schreef, verreweg overtreft. Berengar, die vergiffenis moet gaan vragen
aan den schildwacht, dien hij uitschold; Berengar, die in ijlende
koortsen en stervende, zingende roept om dat ding (de kroon) zwaarder dan een
paard en toch veel kleiner, dat zijn broeder em beloofd heeft, zal niet licht
uit het geheugen gaan van Couperus' lezer.
Voeg daarbij nog den rijkdom van taal, de sierlijkheid van
woordenkeus, waardoor Couperus zich steeds onderscheidde; voeg daarbij nog zijne
beschrijvingen, die in zijn vroegere werken als misplaatst, hier en daar dezen
roman doen lijken, op een wondere, Oostersche sprookvertelling en ik kan
eindigen met te zeggen, dat Nederland zich mag geluk wenschen met dezen arbeid.
Of de critiek heelemaal zwijgen kan? Zeer zeker niet. Er is
in de verhouding tusschen Alexa en Othomar zeer veel
onaesthetisch, zeer veel overdrevens, zeer veel wat 'polite ears' hindert. Er
schuilt vooral in het schetsen van Othomar's
moeder nog veel ziekelijks, evenals in de voorgevoelens en onheilspellende
droomen van Othomar zelf.
Doch wanneer ik ten slotte aan het geestesoog voorbij doe
gaan de vele mooie scènes, te veel om alles op te noemen, dan verzoent men zich
ook met dat ziekelijke en met dat onaesthetische. Er is geen enkele schrijver
van beteekenis, die zich uit vroegere geestesbanden ontwrigt.
Ferdinand Keizer.
(Uit: Zondagsblad van Rotterdam 1893, datum onbekend)