Index Majesteit | Index Recensies
MAJESTEIT
In ons oude Europa is het Koningschap eer dan te tanen de
'rijzende Zon', waarheen allen, die macht, eer of bescherming zoeken, onderdanig
den blik hebben gewend.
De kansen staan goed voor het Koningschap en gevaar heeft het
niet te duchten, hoe ook besprongen door de meest loyale opposities van Lords en
Whigs en de minder loyale van dynamietmannen. De vele republikeinen, wat zijn ze
waard? zoolang de manhaftigheid hunner meening wegschuilt onder de rokken van 's
lands Maagd. En de socialisten! Aan lammeren gelijk. Hun bestemming toch is,
'geleidelijk' en 'vreedzaam' te blijven. Gevaarlijker acht gij de anarchisten.
Ja, doch hun aantal is gering, en hun partiëele aanslagen, hier en daar, richten
te weinig kwaad uit, om, als het angstige 'oogenblik' voorbij is, niet moedig
tot de staatszaken (legeruitbreiding meest en belastingverhooging) terug te
keeren.
De ver-gaande theoriëen van de socialisten, o.a. hun vrije
opvatting van den 'privaat-eigendom', hebben het Koningschap en het pausdom
nader tot elkaar gebracht. De eisch ging in zijn brutaliteit te ver. Eigendom
heeft ook de Kerk lief. Ja, de priesters hebben zich - volgens Voltaire - aan
hun 'goederen' steeds vaster geklampt dan aan de beelden hunner heiligen.
De bourgeoisie, verstoord om het bestaan eener partij
vrijzinniger dan zij en voor de gewonnen duiten beducht, kroop het koningschap
dieper in dan de Koning zelf. Tot verbazing van velen bleken keizers en pausen
vrijmoediger de rechten van het volk te durven erkennen dan oprechte
volksvrienden. De dwaze en onwetenschappelijke haat van deze lieden jegens het
volk, dat hen voedt, kleedt, dekt en behuisraadt, kon wel eens tot het gevolg
leiden, dat er nog twee curiositeiten zijn in Europa: de aueros in de Russische
wouden en de voldane bourgeois ten noorden en ten zuiden van den Moerdijk.
Zelfs de Russische nihilist wil het koningschap niet
annihileeren, erkent de Czaar slechts dat het volk, vrouw en kind, er niet zijn
om 'dividenden' te scheppen voor heeren (en welke heeren soms!) of voor
maatschappijen, onderwijl het volk zelf geen familieleven kan leiden.
Zoo ziet men, het nihilisme incluis is conservatief. Het
koningschap, als het slechts verstandig doet, staat weer een toekomst open. Hoog
tronen de majesteiten nog op haar voetstukken; dat klapt en stampt en juicht en
vlagt, als de kinderen der paleizen hun aanzicht laten schijnen over de schare.
Met graagte en belangstelling zal daarom gelezen worden: 'Majesteit' door Louis
Couperus. (2 Dln. L.J. Veen. Amsterdam).
'Majesteitromans', mits door geen knoeiers of vleiers
geschreven (als de romans van zekeren heer Grimm) hebben te allen tijde lezers
geboeid. In vrije uren misschien nog het meest wil de lezer eer dan naar beneden
naar boven blikken, liever dan in eigen lage sferen rondgeleid worden in hun
onbekende hoogere kringen. Wijsgeeren hebben het verschijnsel toegelicht.
Dichters die 'objectief' zijn, ontleenen hun stof aan koninklijke martelaressen.
De val van een troon bonst meer dan de val van een kantoorkrukje. De dramatische
krachtwerkingen verhouden zich als de vierkanten der valhoogten.
En toch, in langen tijd, hier of elders, kwamen geen
majesteitromans, buiten de gewaagde verdichtsels van Ebers en anderen, tot ons.
Meende men het publiek er aan ontwassen, of dacht men de bekoring dier werken
gedaald? Twee vergissingen. Aan de kleinsteedsche en burgelijke kringen
(majesteiten lezen al die dichttaal wel niet) brachten de romans van Dumas,
Mühlbach en Grimm grooter genot, dan dat pluizen in krielzielen van moderne
meesters gaf, welk gepluis ook meer lag in de richting der kunst dan in den
geest der tijden.
En thans is weer zoodanige 'koningsroman' gekomen. De jonge
man, doof voor het lieflijk gekweel van den 'wiedemaandsnachtegaal' in de
Baarnsche bosschen, daalde uit het Feënland der liederen neer in de
toovergaarden der romantiek en spreidde een schat van talenten uit over zijne
'Majesteit'. De stijl, met zijn volle, zoetgeurende gedachte, juweelengeflonker,
boeit, sleept mee, toovert om de lezeres een stroom van illusie en extase. De
beschrijvingen zijn glanzend, de woorden vloeien den dichter toe en als de bron
voor 'n oogenblik staakt, smeedt hij er van eigen vinding. Voor de metaphysika
zijner taal zijn alle substantieven dienstplichtig. De genius der cacographie
dient ook hem, doch meer als buitengewoon adjudant. Emoties, aandoeningen,
gedachten borrelen op en spatten uiteen. Van 'zielen', van majesteitszielen
worden de verborgenste vezelen ontrafeld. En dat zonder geweld, een kleine snee
met de schaar der scherpzinnigheid en de 'ziel' scheurt recht vaneen. Poppengoed
voor dames. Vele tooneelen (overstrooming, bals, gastmalen) dwingen het publiek
den décorateur voor het voetlicht te roepen. De glansbloem van al dat schoon is
wel de trouwpartij van den Kroonprins, een tooneel, in zijn volheid en pracht,
gelijk aan de prenten, met welke Duitsche en Engelsche Illustraties vaak zoo
gelukkig zijn, hun imperialistisch gemoed te stillen.
En tusschen die schitterende décors de aanschouwing van een
beetje 'psychologie', de laatste passie van hertogin Yemena, de eenige
liefdedro0om van aartshertogin Valérie.
Keizer Oscar en zijn Kroonprins, tegenover elkaar gesteld,
vertegenwoordigen twee generaties. De eerste sterk, zelfbewust door zijn
geborneerdheid, welke meebracht, al wat uit zijn laag voorhoofd kwam of wat zijn
pootige hand onderteekende, als voortreffelijk en 'heilig' te beschouwen.
Waardige telg van zijn wreed en talentloos geslacht. Maar de zoon - gedrukt,
tenger van bouw, verstandiger, minder wrange hardebol dan zijn vader, doch een
weifelaar, steeds in vreeze of de heerscherstaak zijn krachten evenaart, door
'modern' zenuwlijden diep geschokt, al welke psychische toestanden ook somatisch
worden verklaard uit de bloedmenging van het slavische en romaansche ras.
Gelukkig is er evenwicht. Lijkt prins Othomar op zijn moeder, de trotsche en
teedere Keizerin Elisabeth, de jonge Berengar komt in aard en natuur met zijn
vader overeen.
Zwak van geest en tenger van lichaam moge de Kroonprins zijn,
hij is met dat al een zachte, lieve, allercharmantste jongen, ook in de oogen
wel van de lezeres, al 'moet het leven nog veel aan hem vervormen' (I, 440). De
wilde theorieën van prins Zanti (een Krapotkine) beangstigen hem niet, maar de
stuurschheid van de boeren kwelt zijn 'teergevoeligheid' (I, 453).
Geen twijfel, de hertog van Xara is de held, de lieveling der
dames. De kracht van keizer Oscar is niet meer in de mode, en vooral zijn
ruwheid, als de man zich ergert aan zijn slappen zoon, valt buiten den goeden
'toon'. Verdriet moge Oscar hebben over het verzet tegen de legeruitbreiding, de
lezeres ziet nauwelijks tot hem op, haar deelneming, al haar sympathie is voor
den 'jongen', den lieven jongen, die geen passie in zich voelt en zelfs geen
'hoofdtrek' (1. 496), die bang is voor zijn eigen weifelingen en het te laat
nemen van besluiten, maar wiens peinzerijen tranen zullen ontwringen. 'Da kamen
die Castraten' - zingt Heine ergens, en het hart der vrouwen zwol van liefde en
liefdeswee.
In deze 'psychologie', assertorisch toegelicht door prof.
Barzia, den geneesheer van Othomar, toont de schrijver veel meesterschap. Ook
houdt hij maat. De Kroonprins onderdrukt zijn lijden en toont zijn omgeving een
berustend gelaat. Freude stört, wie Leid, die Fassung; der Weise is
gleichgültig.
En bij het beloop der geschiedenis, in dat Moscovitische
tooneel, als de hertog van Xara afstand wil doen van den troon, blijkt het dat
ook hij een wil heeft, zoo goed als zijn energieke vader. Keizer Oscar wil dien
afstand niet, prins Othomar schiet zich door het oor, en - 'wie sterven kan, die
kan niet gedwongen worden.'
Boeiende bladzijde ook - het liefdeslijden van aartshertogin
Valérie. Later verloofd met den toekomstigen Keizer van Liparië, zonder liefde
van weerskanten, houdt zij even als hij het hoofd hoog en weten beiden, als
echte vorstenkinderen, goed te veinzen. Aardig brengt de schrijver daarbij te
pas de idyllische relazen der couranten, waarover de slachtoffers der 'politiek'
zelven schier geneigd zijn te lachen. Dat vorsten nog zooveel menschenliefde
bezitten, moge ons wel verwonderen.
Wat is nu in zijn geheel deze roman, aan de samenstelling
waarvan alle keizerlijke en koninklijke tragoediën der laatste jaren inhoud
moesten geven? Met veel vernuft heeft Couperus die groote en kleine feiten
gegroepeerd tot een dichtwerk. Si fabula vera est. Maar zijn de
samenstellende deelen op zichzelve waar, in hun geheel vormen zij een
verhaal-nirgendwo-nirgendwan. Meent gij dat Othomar zekeren Oostenrijkschen
vorst voorstelt, zijn vader, keizer Oscar, heeft familietrekken gemeen met Peter
I. Acht gij den verloofde van aartshertogin Valërie een Von Battenberg te zijn,
het zou ook den Prins van Oranje kunnen wezen. Gij herkent den aanslag op het
Winterpaleis te Petersburg, de Keizerlijke-Koninklijke familie-idylle van het
Deensche Hof, en toch is die prins Othomar voor u onmogelijk te denken als
Czarewitsch.
Gij werpt vergeefs den blik in de werkplaats van den dichter.
En zoo is het ons onmogelijk in dezen roman iets anders te zien dan een boeiend
verhaal zonder tendenz of bedoeling. De auteur coquetteert met u. En of hij u
naar de Giganten of naar den Zanthos brengt, nooit weet gij, waar gij u
eigenlijk bevindt. Het is een roman, die als Ding an sich majestueus,
doch als boek zonder 'hoofdtrek' is. Het saldo wijsheid, na de lectuur
verkregen, is te weten dat de belangen van een groot rijk in handen zijn van een
zwak man, die zijn gezag vrijwillig stuk voor stuk prijs geeft. Vorsten zullen
door dit boek niet veel wijzer worden, volken er weinig bemoedigends voor de
toekomst in vinden; gebaat zijn alleen de lezers van den Gids, die weer iets
'hoog moois' te genieten kregen. En nu Majesteit herdrukt en
afzonderlijk verkrijgbaar is, kunnen ook zij tevreden worden gesteld, wier
nieuwsgierigheid reeds zoo lang opgewekt was door geestenstemmen in de lucht,
die geheimzinnig fluisterden van een historisch drama. Wij weten thans dat
'Majesteit' zoover niet gaat, geen bijzondere emoties wekt, geen krachtziel van
een held openbaart, geen geest des tijds insluit, niets van dat al. 'Majesteit'
is een zeer kalm toneelstuk, 't welk de schare trekt door het prachtige
décoratief en de hooge personen, die er in optreden.
Wolfgang
(Uit: De Nederlandsche Spectator 1893, 16 december.)