Index Metamorfoze | Index Recensies
BURGERJONGEN OF ARTIEST?
Zeker niet uit welgevallen voor de kritiek, misnoegd om nu
al het derde boek over 'majesteiten', onderging Louis Couperus zijn
'Metamorfoze' en maakte wat hij in een reeks zieletoestanden waarnam tot boek. (L.
J. Veen. - Amsterdam).
Een boek schrijven is eigenlijk slechts 'naborduren' wat de
ziel reeds helderder heeft doorleefd. Het is zeer interessant voor de leeken uit
'Metamorfoze' te leeren, hoe de boeken ontstaan en wat voor hun wording al moet
geschieden. Dat geldt uitsluitend de levende boeken, waarin de ziel van
den schrijver zelf zich gesplitst en verdeeld heeft over de personen zijner aan-
420
schouwing, personen die hij ziet, met wie hij leeft, van wie hij houdt.
Daarnevens komen ettelijke doode boeken uit, die enkel bestaan omdat er
geen straf is op de exploitatie dier lijken.
In de beide eerste tafereelen van dit interessante werk (dat
van 'Torquato Tasso' en van 'Mathilde') treedt de dichter en
schrijver, in de overige (Nirwana, Anarchisme en Metamorphoze) treedt meer
de mensch op.
Met elk tafereel of 'boek' neemt Hugo Aylva een andere
metamorfoze aan. Het 'boek van Nirwana' is zeker het gewichtigste, ook door het
leven in de diepte. Het is mystisch, hoog en rein gedacht, exquise kunst, wel
ragfijn en teer maar hecht, kunst voor alle tijden, wortelend in het diep van
het geestelijk bestaan, in het ideale, en enkel nog met het woord, het woord der
kunst aan de stof gebonden.
Het 'woord der Kunst'! Ja, het woord is algemeen goed, doch
vele processen moet het ondergaan, 'heel gelouterd worden om materie te worden
voor kunst'. (334). Het woord in 'Metamorfoze' is eenvoudig, het leidt
gemakkelijk de hoogte op of de diepte in, uit zich bekwaam in de momenten van
geluk en de dagen der smart.
De schepper van het boek vol leven en ziel geeft zichzelf in
zijn kunst voor anderen. 'Mathilde' is Hugo Aylva's dochter, Arnold in
'anarchisme' is zijn zoon. Zijn metamorfozes (o, gelukkig, bevoorrecht mensch!)
zijn de 'efemere schijngestalten van enkele maanden'... en die geeft hij te zien
als 'lijk', als het 'witte lieve lijk van zijn kunst'. Soms bleef 'Mathilde'
weg, zooals Martia wegbleef voor 'Barty Josselin' van George du Maurier.
Mathilde was een aardsche, Martia een verschijning van de planeet Mars: in wezen
is dat hetzelfde. Met Mathilde leefde Hugo Aylva, zoolang hij over haar schreef,
daarom was het hem of zij dood was en hij, bij het onderhandelen met uitgevers,
hare nalatenschap regelde.
Daar zit mystiek in 'Metamorfoze', diepte, schitterend
perspectief. Dat kon niet anders. Hugo is 'metafyzisch' (26) en heeft 'behoefte
om telkens een ander te zijn dan die hij was.' (48) Zijn eenige gave van
menschenkennis is de duidelijke blik in het diepst van zijn eigen ziel... Zijn
levensweemoed was de bron van zijn kunst. (210) Hij gelooft aan een 'Noodlot' en
wacht 'op het onverwachte dat zou komen' (74-78), Kwam de 'metamorfoze' over hem
en kon hij ze niet tot kunst omwerken, dan werd ze hem tot abnormaliteit... Hij
werd dan bang voor het vreemde in zich. Het kwam hem voor of hij altijd in het
verleden had bestaan en eeuwig zou bestaan, hij voelde zich zóó verwant met
andere zielen, dat hij zich verbeeldde, of ze geheel of gedeeltelijk zijn eigen
ziel waren...
Ziedaar de aandoeningen en gedachten van één wiens ziel
verder reikt dan des levens oppervlakte. Hij acht zich gewoon mensch, nu, daar
behoort veel toe om geheel mensch te worden.
Dezelfde 'metafysiek' openbaart Aylva in zijn kunst. Als
dichter verbergt hij onder scherts het heimwee zijner ziel naar scheppen; en
toen hij zich bekennen moest, geen dichter te zijn, 'scheurde er iets pijnlijk
in hem'. (92-94) De overgang van dichter tot schrijver van zijn eersten roman
'vormt een moment in zijn leven dat hij zich altijd zal heugen'. Voor hem zal de
'essence van het leven', in kunst zoowel als in liefde, altijd 'melancholisch'
zijn. Natuurlijk. Het leven in de diepte is melancholisch.
Kwam eenmaal de liefde, dan moest zij diep in de ziel gaan
van dezen metaphysischen mensch. En de liefde kwam. Hij had ze niet gezocht, zij
was tot hem gekomen, in de gedaante van het 'Noodlot'. Hij aanvaardde het,
dierbaar was hem dat Eene; hij moest er wreed onder lijden, werd er ziek van,
hyp, en zou 'zieledood' zijn geworden even als Hélène, waardeloos, object voor
de Liefde, maar deze 'superieure jongen' bezat het geheim der metamorfoze
(waaraan ook in zijn leven een einde zal komen) en vond, in het 'boek van
anarchisme', Emilie, die hem met zijn kunst en zijn Nirwana verzoende.
Een eigenschap in hem was, niet te kunnen waardeeren wat hij
had. Ongenoegzaam had hij zijn moeder gewaardeerd en zijn vriend. Bij den arbeid
die troost en verlucht, bij het schrijven van zijn boeken had hij - dat bleek
later - het schrijven er van nooit gewaardeerd. Ja, ook op gespannen voet stond
hij met de kunst. Zij hield meer van hem dan Hugo van haar. Zij komt op hem toe
en eischt dat hij 'strale'. Met het bijbelwoord roept hij haar toe: 'laat af',
zooals Dostojewsky toen hij door slagaderbreuk getroffen, dezen tekst toevallig
opsloeg en wist dat het nu gedaan was, het leven vaarwel zeide. Over Hugo Aylva
wordt anders beslist. Hij staat op van zijn ziekbed en komt tot de kunst terug.
'Nirwana werd boek.' En hij, die van de kunstsprookjes had willen hooren , moet
nu weer zelf aan het vertellen gaan. Reeds had zijn vrouw hem zijn gemakzucht
verweten en tot werken geprikkeld. Juist kwam een 'kritiek' hem melden, dat hij
te veel produceerde. Min. v. Houten klaagde er eenmaal over dat de Kamerleden
hem beter schenen te kennen dan hij zichzelf; Hugo Aylva richt hetzelfde verwijt
tot de critici.
Prachtig en schitterend veraanschouwelijkt de maëstro in zijn
a part zijn met Hélène De Vicq (in het 'boek van Nirwana') het mysterie der
stilte. Hier klopt het hart van 'metamorfoze', hier straalt de diamant in haar
montuur van goud. Hélène putte een berustende levenskracht uit haar 'zieledood'
en de Bergh verborg zijn innigen levenshaat onder goed zijn en opgewektheid.
Diep dringen de levenswortelen van beide personen in den
grond van Hugo's eigen bestaan.
Hij zelf is enkel tegenover de kunst een actieve
persoonlijkheid. Deze heeft hem in haar macht en dwingt hem tot het actieve.
Maar tegenover andere verschijnselen van het leven, de vriendschap bijv. schikt
hij zich in het lot hem toebedeeld, dat is: de vriendschap die ontvangt.
Het leven heeft Hugo Aylva gelouterd. Hij slaagde er in, te
waardeeren wat hij had. Eigenlijk heeft dat Emilie, zijne vrouw, bewerkstelligd,
de kunst heeft hem nog niet onder de pantoffel. Beiden zullen nog dikwijls
kampen en met hun bloed de gieren der lectuur laven. Gij ziet, de levende
boeken ontstaan zoo gemakkelijk niet. En dan komt de kritiek, lovend den stijl
of smalend het parfum. Uit de reeks tekortkomingen en deugden, door haar gemeld,
vormt de schrijver zich een beeld van zijn eigen persoon, en kan onmogelijk
zichzelf daarin herkennen. Ja, het heeft mij steeds verwonderd dat vorsten,
tooneelspelers en schrijvers, nu overdreven vergood dan bovenmate gelaakt, nog
een grein menschenliefde hebben.
Het zal Hugo Aylva goed hebben gedaan die uitstortingen van
zijn gemoed en dat gemetamorfoseer van zichzelf. En ook de kritiek is ditmaal
content. Moge Circe's tooverstaf hem nog vele malen omvormen en het 'geluk'
421
hem niet ontrooven aan de kunst. Doch voor dien roof zal waken zijn verstandige
vrouw....
Wolfgang.
(Uit: De Nederlandsche Spectator 1897, 25 december, p.419-421.)
Redactionele ingreep:
-p.420:
niet te kuunen waardeeren > niet te kunnen waardeeren