Index Noodlot | Index Recensies
Noodlot door Louis Couperus. (Amsterdam, Uitgevers-Maatschappij Elsevier, 1891.)
Geene sekonde zou ik aarzelen met mijn antwoord, als er
gevraagd ware naar de vier talentvolste jonge auteurs ten onzent. Hélène Swarth,
Frans Netscher, Jac. van Looy, Louis Couperus zouden onmiddellijk voor mij
optreden, en met hen de herinnering aan wat zij schreven. Noodlot van
den laatste is mijne jongste herinnering, maar zoo jong nog, dat het thans de
juiste tijd is, om er hier wat van te zeggen.
Couperus' laatste novelle heeft vele der beste eigenschappen,
die den auteur van Eline Vere tot een gevierd kunstenaar hebben
gemaakt. Tevens bezit dit werk nog eene nieuwe eigenschap - het is eenvoudiger
in conceptie en ontwikkeling, en daarom harmonischer. Noodlot biedt
echter daarbij ook eigenaardigheden, die men bij den auteur van Eline Vere
niet vond. Het dichterlijk naturalisme van den grooten roman wijkt voor het
mystisch fatalisme der kleinere novelle. Wat in den eerste zoo weldadig aandeed,
het bewustzijn van op vasten grond te staan, de zekerheid, dat de auteur zijne
studiën op de moderne samenleving met stouten blik en groote scherpzinnigheid
had volbracht, ontbreekt in het laatste verhaal.
Ten minste het schijnt mij zoo. Voor den gloedvollen,
dichterlijken blik op de natuur en de menschen, die aan het humoristisch
naturalisme van Alphonse Daudet herinnert, treedt nu veeleer het mysterieuze
sentimentalisme van Graaf de Villiers de l'Isle -Adam. Doch ook dit kan tot
grootsche kunstscheppingen leiden, zooals uit Axel
is gebleken. Intusschen zou het volkomen onjuist zijn, indien hier beweerd werd,
dat Couperus zich geheel aan het occultisme had gewijd. Enkele tooneelen uit
Noodlot
behoeven, wat stout naturalisme betreft, niet voor het burgerepos der Vere's te
wijken. De sombere hemel boven een Noorweegsch landschap, het tooneel van den
moord, als Frank Westhove den giftigen parasiet, die Robert van Maeren heet,
verwurgt, eenige tooneelen te Scheveningen, zijn geheel in naturalistischen
trant en met geniaal brio gedaan.
Maar de hoofdgreep, de centraalgedachte, waardoor Noodlot
eene novelle geworden is, schijnt minder gelukkig. Frank Westhove, de held, die
bijna aan eene heropstanding van Betsy Vere's dikken echtgenoot doet denken,
heeft de onbegrijpelijke lankmoedigheid, om een klaplooper, als Robert van
Maeren, ettelijke jaren tot zijn gast te houden. Deze Robert - de auteur noemt
hem 'Bertie' - schijnt niet ver verwijderd van zijn prototype, Vincent Vere,
maar overtreft dezen laatste ver in luie laagheid.
Het schijnt mij, dat de auteur, als nog levend in de
atmosfeer zijner eerste groote epische prozaschepping, aan de personen van Henk
en Vincent een paar dubbelgangers heeft willen geven. Vincent echter is een
fijner bewerktuigd schepsel, dan de 'poezennatuur', die Couperus 'Bertie' noemt.
Dat deze mangeur de blanc alleen om zijne plaats aan Frank's tafel niet
te verliezen, er toe overgaat, de goede verstandhouding van twee innig aan
elkander gehechte jonge lieden door het gemeenst bedrog te vermoorden, is echter
als kunstgreep in het geheel niet af te keuren. Uit zulk een motief zou
Thackeray, zou Balzac, zou Zola, een boeiend conflict van passiën, een
ontzettend ontknoopingstooneel hebben afgesponnen, dat hart en hoofd op het
heftigste zou hebben bewogen. Couperus heeft het beroemd motief uit Shakspere's
Othello
gevolgd, en laat 'Bertie'-Jago door Frank-Othello verworgen. In dit opzicht mag
men aan den jongen, schitterenden kunstenaar zijn zin geven, maar een minder
hoogtragische oplossing van het vraagstuk zou misschien het drukkend sombere van
Noodlot een weinig verheffing en ontspanning hebben geschonken.
Parasieten, panlikkers, tafelschuimers,
427
mangeurs de blanc, zijn reeds sedert het blijspel van Menander en
Terentius bekende figuren in de Europeesche litteratuur, maar altijd vertoonen
zij eene comische zijde, die het stuitende van hunne verschijning voor een goed
deel veraangenaamt. 'Bertie', de tragische panlikker uit Noodlot, zou
misschien den toorn van Frank niet waardig kunnen geacht worden, en ware, met de
bewijzen van zijn verraad aan de justitie verzonden, het beste van het terrein
der novelle te verwijderen geweest.
De tragische dood van Frank en Eva herinnert aan Shakspere's
Romeo en Julia, aan Schiller's Louise Miller en Ferdinand, aan de Villiers' Axel
en Sara de Maupers, aan Victor Hugo's Hernani en Doña Sol, aan Sue's Djalma en
Adrienne de Cardoville. Dat Couperus aan deze groote meesters getrouw eene
romantische vlucht neemt, mag niemand hem verwijten. Maar de vraag blijft, of
hij, die in stijl- en kleureffekten zich een goed leerling toont van den
modernen, naturalistischen Franschen roman, daarmee het hoog romantische van
zijn onderwerp heeft kunnen rijmen. Zijn stijl is en blijft zeer dichterlijk en
zeer schoon, maar hij schijnt, in den vollen rijkdom van schilderende
adjectieven, er niet naar te vragen, of zijne woordkoppelingen logisch te
verdedigen zijn. Evenwel ieder artist mag zich eenige vrijheid veroorloven - en
met dit voorbehoud is er alle aanleiding, om de schitterende kleurenpracht van
Couperus' stijl te prijzen.
Op één punt dient echter gewezen te worden. Couperus maakt
steeds in ruimer mate gebruik van bastaardwoorden. Dat hij dit doet, als hij
zijne personen laat spreken, kan niemand laken. De beschaafde Nederlanders
hebben in hunne gesprekken ten allen tijde misbruik gemaakt van bastaardwoorden.
Indien echter de schrijver voor zichzelf spreekt, behoort hij een
Nederlandschen, en geen verfranschten stijl te schrijven. Hij onthoude zich dus
van: 'extase, fiziologie (physiologie), hypnotizeeren, suggestie, theatraliteit,
hypnoze, gesuggereerd, mystiek wantrouwen, intens, lymfatische stroom door
sanguinische kracht, geaffineerd, complicatiën, passie van sympathie,
vriendschapsextase, materieel bien-être, zinnen ciseleerend, energieloos,
emotieloos', enz., enz.
Dit is geen kleingeestig vitten. Dit is niet een bekrompen
afdingen op de vrijheid van den kunstenaar. De kunstenaar is vrij, maar alleen
binnen de grenzen, die de rede aanwijst. Redelooze vrijheid is geene vrijheid,
maar bandeloosheid. De rede eischt, dat een Nederlandsch kunstenaar Nederlandsch
schrijve. En hoe meer talent een jong auteur als Couperus aan den dag legt, hoe
strenger hij zichzelf dezen eisch moet stellen.
(Uit: Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift
1891, p.426-427.)
Redactionele ingreep:
woordkloppelingen > woordkoppelingen