Index Wereldvrede | Index Recensies
Louis Couperus, Wereldvrede; uitgave van
L. J. Veen te Amsterdam.
'Majesteit' was een mooi boek, vol voorname gevoelens in
voorname omkleeding. Wanneer de keizerlijke helden en heldinnen van den roman
hun vorstelijke gedachten zoo gedistingeerd uitdrukten, in de edele taal van
treurspelhelden getemperd door de recherche van gens du monde, werd men
geïmponeerd door de kennis die een Hollandsch heer daarvan had. En - grooter
roem voor den dichter, - ook degenen die stillekens den afstand tusschen deze
vorsten en de kaartenkoningen van Mej. Catharina Alberdingk Thijm's
Koninklijke misdaad niet zoo onmeetbaar vonden, die wel een beetje
snobbism ontdekten in de dikopgelegde 'splendeur' van het
wassenbeeldenspel, zij vonden in 'Majesteit' eenige werkelijke grootheid, eenige
tragische poëzie.
Voor beide groepen moet 'Wereldvrede' teleurstelling geven.
Van de 'splendeur' is ditmaal minder werk gemaakt (zelfs het woord komt niet
meer voor), maar het blijkt nu, dat zij heel moeielijk gemist kan worden. Er
blijft bijna niets over, geen compositie, geen karakterteekening, geen
intimiteit; men is begonnen, zich te willen interesseeren voor twintig personen,
- het prinsje, Estelle, de koningin, Wlenzci, Edzard, Ruxodi, - om telkens na
een paar bladzijden te bevinden, dat dat niet de door den schrijver bedoelde
helden zijn. Ten slotte blijven over: aan den eenen kant Keizer Ottomar met zijn
Wereldvrede, waarvan
112
het bespeechen, na al de congresverslagen in couranten, niet heel interessant
meer is, en aan den anderen kant prinses Vera Zanti, die noch met den Keizer
noch met den Wereldvrede iets te maken heeft. Zij wisselt zelfs met den Keizer
geen woord; dat zij vermoord wordt is een particuliere zaak, buiten den
Wereldvrede om. Het boek sluitend heeft men heel weinig gevoeld, een beetje
gezien en niets gedacht.
Deze indruk van teleurstelling zou niet zoo sterk zijn, als
'Wereldvrede' niet bedoelde een pendant van 'Majesteit' te heeten; men zou,
wanneer het een eersteling gold, waardeering hebben voor het werkelijk mooie
dat, ondanks alle reserves, in het boek voorkomt. De begonnen en niet afgemaakte
karakterschetsen, de bliksemvlugge vizioenen, zijn soms heel mooi. Het kleine
prinsje in de armen van zijn vader, Vera met Edzard in haar boudoir, de Keizer
en Keizerin te samen, zonder liefde maar vereend door hun plicht, zijn kleine
meesterstukjes, bekroond door het prachtig opera-tableau van het oproer, de
barrikaden, den brand. Ook is er in de enkele aanduidingen waarin de hoofdstad
geteekend wordt, een kunstige vermenging van hoofdsteden (Weenen, Berlijn,
München, Rome, Stockholm) die inderdaad een grootsch vizioen van historische
praal geeft; telkens ook vindt men trekjes die den dichter teekenen, (zie bv.
als eind van het moordtooneel zoo heerlijk: 'En in dienzelfden nacht, nachtroze
morgen, over de dageraadkleurige zee, dreef weg het yacht van prins Edzard, die
uren te vergeefs gewacht had op Vera en nu eindelijk alleen ging....'), telkens
is er een beeld of adjectief vol distinctie;... maar het is als in het
Italiaansche liedje, 'non può consolare': al die details kunnen geen
vertroosting geven voor de teleurstelling van het dikke, leege boek met groote
namen en holle woorden, waar wij van Couperus iets moois verwachtten.
(Uit: Nederland 1896, nr.1, p.111-112.)
Redactionele ingreep:
-p.111:
voorname omkleedlng > voorname omkleeding