Index Wereldvrede | Index Recensies
Hè, dat stijve, gebaleineerde
tailor-made fluweel.
Couperus, Wereldvrede.
You cowardly rascal,... a tailor made thee.
Shakesp., Lear. II, 2.
Ik word een verbazende diepte gewaar, nu ik, van deze
Levensleer-overwegingen af, mij zal gaan bezighouden met het laatste werk van
den Heer Couperus, Wereldvrede I). Zúlk eene daling naar het meer
konkreete is wel wat hinderlijk.
Eene voorstelling van den gedachtengang langs welken deze
schrijver van zijn goede romans Eline Vere, Noodlot en
Extaze tot zijne slechte Majesteit en Wereldvrede, minder
of meer bewust, gekomen moet zijn, is zoo gemakkelijk te verkrijgen.
In den aardigen salon van zijn denken is ook een geurig
tochtje doorgedrongen van de windstrooming in het gedachteleven dezer tijden,
die terugwoei van de fijne toppen der prettige uitbeelding van het in
glinsterende mijmerdraden door u opgevangen omgeving-leven en van het
individueele zielebeweging-bespieden naar de wijde vlakte van het algemeen
wereldleven en der groote gemeenschapsideën.
Ik wil, heeft hij gedacht, nu eens meer in het breede gaan
werken. Ik wil een roman schrijven, waarin, als vertegenwoordiger der
Menschheid, een geheel volk, een geheel landsbestaan, in de typen zijner
bestand-deelen: de Koning of Keizer, de Aristocratie, èn de menigte, voorkomt.
Ik wil een roman schrijven, waaraan eene Idee, eene algemeene, de ge-
I) Het bevindt zich in den Gids
van Augustus en September.
352
heele menschheid rakende, Gedachte ten grondslag ligt. Het groote
sociaal-politieke vraagstuk van dezen tijd zal ik in een roman afbeelden. Ik
kies niet partij, - dat doet een kunstenaar niet - maar ik beeld de groote ideën
af, zoo als zij plastiesch worden in het leven der wereld.
Zoo maakte hij eerst Majesteit, waarin men het
eigenlijke denken en doen der Staatshoofden beschreven vond, hoe de verhouding
is van een autoritair Vorst tot zijn Volk, hoe die van een liberaal.
De liberale Vorst was in Majesteit echter nog maar
Kroonprins, zijn aktie bepaalde zich tot wenschen en voornemens. Buitendien was
in Majesteit
de Idee nog niet na-drukkelijk genoeg ingewerkt en was de volledige voorstelling
der hofzeden, van het, ook huishoudelijke, hofleven, nog te veel hoofdzaak.
Daarom wilde de schrijver aan Majesteit, Wereldvrede
toevoegen, waarin de Idee al-beheerschend zoû wezen en waarin getoond zoude
worden wat er in werkelijkheid worden kon van de goede bedoelingen van den
liberalen Vorst.
Feitelijk is er in Majesteit niet eene duidelijke,
pleitende, voorstelling van de autoritaire Idee, zoo als die wel, van de
liberale Idee, voorkomt in Wereldvrede. In Majesteit vinden
wij slechts het karakter van Keizer Oscar en de, instinktieve,
gehechtheid van generaal Ducardi aan de afstammelingen van het oude vorstenhuis,
die het autoritaire vertegenwoordigen. Niemant, die het autoritaire mooi
gevoelt, die er eene luide meening over heeft.
Wereldvrede is dus niet in balanceerend kontrast met
Majesteit
en zonder het te willen, - zoo als blijkt uit de Voorrede van Wereldvrede
- heeft de auteur partij gekozen. Na de lezing houdt men dit kort vertoog uit de
verhalen over: Het autoritaire is verkeerd, het liberale is goed; als een der
eerste bewerkingen van de liberale Idee moet de Wereldvrede komen, en
daartoe de Ontwapening ; het is echter jammer dat van de ontwapening vooreerst
niet komen kan, want wie denken moge over het uitroeyen van den buitenlandschen
oorlog wordt weldra overvallen door den binnenlandschen. Zoo is er altijd strijd
... en zoo voort.
353
De roman Wereldvrede is verdeeld in een Proloog,
twee Hoofdstukken, waar tusschen een Intermezzo, en een Epiloog; en wordt
voorafgegaan door een Voorrede.
Och, die Voorrede reeds aanstonds. Zoo als sommige plekken in
de Reis-Impressies
reeds deden vermoeden, gelijkt deze schrijver als hij persoonlijk het woord
voert, - zijne goede werken in aanmerking genomen - op een concertzanger, die
men de fraaiste liederen heeft hooren zingen, maar die in het gewone leven een
ordinair en onaanhoorbaar gespreksmensch is, op den zanger, ja waarlijk, uit
Eline Vere.
Een Congres-toast van minder gehalte zal zelden gehouden
zijn.
De roman Wereldvrede is, in der daad, slechter
nog dan Majesteit. Dezen keer is gedaald tot benéden het middelmatige.
Had de zelfde auteur maar niet die vele mooye hoofdstukken in Eline Vere
geschreven, ware hij maar niet tot het sublime gestegen in Extaze, men
kon Wereldvrede ongemoeid laten, het een onderhoudende novelle vinden,
het iemant meêgeven in den spoortrein,... om den tijd te korten...
Nú kleurt daar steeds uit Eline Vere, nu straalt
daar nog altijd uit Extaze zoo veel na, en dan is het zoo zeer jammer
dat het hiertoe moest komen.
Een enkel ietsje als in Eline Vere wordt in
Wereldvrede
nog gegeven: zoo'n aardig gebeurtenisje van stoeyende jongen man en vrouw,
eindelijk zij op haar kousjes de groote plantbladeren aan 't punten en hij haar
steunend, - maar neen, de bekoring is gebroken, het eigenlijke is er af, nu is
het niets meer, het is leêg, het is duf.
Ook is er nog sprake van 'muziek der sferen', maar het staat
er als een enkel koud woord, een dood gedwaald stukje uit Extaze.
Een werk moet geschreven worden in een zekere warmte-spanning van het wezen, een zekere sterkere helderheid van het hoofd, een meerder leven van de ziel. En nu is het opmerkelijk, dat Wereldvrede, zonder éene gelukkige vergissing, daar buiten om, daar onder, geschreven is. Het werk is niet
354
door het gevoel van den auteur heen gegaan en heeft dus niet zijn zekeren
gevoels-stijl aangenomen.
Onder de wijzigingen, welke het gedachteleven in de
laatste jaren hebben bewogen, onder de kleinere en grootere vertakkingen, die
úit haar zijn voort- en de groeyingen, die naast haar zijn óp-gekomen, - zal de
oorspronkelijke Nieuwe-Gids-theorie steeds geldend blijven, welke het essentiëel
imperatieve der stijl-noodzakelijkheid heeft gesteld, den stijl door haar
gereduceerd tot zijn etherische ziele-wezenlijkheid: het geluid.
Of gij schrijft een gedicht, waarin verkondigd wordt, dat de
wereld een ellendige zaak is en gij de door die wereld miskende godheid, dat
alleen gij, individu, in aanmerking komt en vloekwaardig zijn God, Vaderland en
Familie, zijnde deze de groepeeringen, waarin het individu zich afbuigt om
menschheid-deel te worden; dan of gij er een maakt waarin gij u zelf klein noemt
en in eerbied verzonken voor den Algemeenen God, Koning-Vaderland en Familie; of
gij geeft een vóorál múzikalen sonnettencyclus dan een vóorál pikturaal
mysteriespel, of gij een impressionistischen roman hebt of een neo-realistischen
idee-roman, - behalve al de andere kritiek-middelen, de filosofische, de
historische, tot de linguistische toe, - zal al tijd de toets van den stijl,
gereduceerd tot dien van het geluid of van een der aequivalenten, van kracht
blijven om een werk zeer gewichtig tot in den kern te doorgronden en zijn
deugdelijkheid te proeven.
Het is in die zekere warmte-spanning van het wezen, die sterkere helderheid van het hoofd, dat tot werking komt het geluid, het vermogen van den stijl. Die goed schrijven wil, moet zich van zijn dagelijkschen-levens-staat opstijlen tot zijn hoogere-natuur-staat.
Die stijl nu, dat geluid, dat de gemeene ziel van alle waarlijke en blijvende schrifturen is, die als een laag in den aether van de menschheidsziel is, waartoe alleen de schoonen
355
stijgen en elkaar als zoodanig daarin herkennen, die het geheimzinnige
eigenlijke leven der woordenhechtingen áchter hun uiterlijke uitgedruktheid is,
- ontbreekt in een werk als Wereldvrede geheel, of, nauwkeuriger, hij
is alleen eenigszins aanwezig op twee eerste bladzijden.
Twee maal is de schrijver met een waardig gebaar van taal
begonnen: den Proloog in zijn eerste paragraafje, en het Tweede Hoofdstuk in het
zijne. Maar de tweede maal was het al niet meer te vergelijken met de eerste.
De eerste:
Heilig kalm over de wijdte der zee, die als een immense beker vol blauw was tusschen de wegwazende wanden der bergen, steeg de zon in den wordenden dag.
Wijd lag daar de wereld uit: de azuren golf van Thracyna, de oeverranden harmonisch gebogen als door een kunstenaar, zich voortslingerende in, het van licht schemerende, verschiet niet de lenige gratie van parelsnoeren, die de zee zouden omzoomen.'
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
'Zee en bergen trilden in het transparante lichtwaas van den helder en helderder wordenden dag. Hooger welfde de boog van den hemel en telkens wijder, als met telkens wijder sferen, met hemelkringen, die zichtbaar werden. Telkens wijder ook werd de wereld, als breidde zij zich uit niet eene oneindigheid van horizonnen van zilveren zee en zilveren licht.
Castel Xaveria, lag hoog, als een blank paleis, in de lucht.... Het kroonde als een blanke diadeem het wijde lichtlandschap....'
Dit stukje, eindigend met het lieve:
'Zacht glimlachend leidde hij aan zijn hand het kind, dat vroolijk, met een helder stemmetje tot hem sprak, en als een kleine klok zijn kindergeluid heen en weer galmde door de ijle ruimte van het lichtlandschap. Vreemd helder klonk het door den wijden morgen heen, als was er niets in de wereld dan de klank van die kinderstem.'
356
Hoe hooren wij in deze fraaye Introduktie de dadelijke verbeelding van het
Wereldvrede-gevoel, door den schrijver ondervonden.
Deze en de mindere, maar nog aannemelijke, aanvang van het
Tweede Hoofdstuk, zijn de fraai beschilderde en misleidende schermen, waarachter
het ordinaire schouwspel begint, de welluidende klaroen-tonen inleidend den
armzaligen optocht.
In den Proloog - op Castel Xaveria - vernemen wij verder, dat Keizer Othomar van Liparië persoonlijk en werkdadig tot den Wereldvrede wil helpen komen, door zelf het aanstaande Vredes-Kongres in zijne hoofdstad Lipara te openen. Hij is vervuld van goede bedoelingen maar toch niet zonder melancolie er over.
De inhoud van den Proloog is de beschrijving van het
bezoek door Wlenzci, President van het Kongres, aan den Keizer gemaakt. Twee van
de slechte elementen, waaruit het werk is samengesteld, vertoonen zich hier
reeds duidelijk: vale oppervlakkige aanduiding van het uiterlijk gebeurende en
zeer geringe vaag lyrische rhetoriek.
Het is in het vierde paragraafje van den Proloog, dat sprake
is van de muziek der sferen. De Keizer van Liparië schrijft in zijn Dagboek, dat
toen hij tot zijne vrouw was gekomen en hij voor het eerst illuzies in zich
voelde 'ontwaken', het was
'... een lente van bloesems in [zijne] ziel. Het was een ontwaken in een rozengloor van onbegrijpelijke dageraden, die in eens opklaarden aan den wijden hemel over [zijn] land! Het was een muziek der sferen, het was een hemelvaart der ziel, en in licht van witte zonnen zag [hij zijne] roeping wenken, die [hij] nog nooit had begrepen!'
Treurig voor een schrijver, die de muziek der sferen en de hemelvaart der ziel in waarheid zoo nabij is geweest (in Extaze), nu met die woorden te spelen als met holle glazige knikkers.
357
Treurig voor een Keizer als hij aan ernstige gedenkschriften bezig meent te zijn
en het blijkt dat hij heeft uitgeslagen de taal van een opgewonden schoolknaap,
die een dichterlijk opstelletje maakt. -
Het is te vermoeden, dat zulk een Keizer den wereldvrede
geheel in de war zal sturen.
Het Eerste Hoofdstuk schetst de beschrijving van het
Kongres te Lipara.
Bij de genoemde slechte elementen komen zich thands andere
voegen. De roman wordt hier al spoedig even banaal van gemeubel als de kamers
van Quaertz op het Plein in Extaze geweest moeten zijn.
In 't begin nog een enkel, - zij 't dan ook in een zeer licht
soort reporter-stijl - aardig stipje -: 'de stad met haar uithangborden en
reclameplaten als één reusachtig prentenboek',... 'de muziekbladen (lees:
balken, v.D.) der telefonen'... Maar dán de geheel verkeerde episode der prinses
Zanti.
Het verhaal, dat een inwendige éenheid geheel mist, waarin
geen spoor van psychologie aanwezig is, noch van die der menigte noch van die
der individuen, dat dus ook niet aandoet het spel der samenkomende en botsende
en op elkander reageerende karakters, die met hun veelheid van bewegingen toch
in éen eenheid van groep besloten zijn, welke het leven der geheele menschheid
weêrspiegelt, - bestaat uit deze drie losse deelen:
Ten eerste: de Keizer met zijn vredesplannen, en het
oproerige volk;
Ten tweede: Prinses Zanti met haar anarchistischen
voormaligen echtgenoot Melena en haar minnaar, Prins Edzard van Karlskrona;
Ten derde: de tooneelspeelster Estelle Deveaux, die gehuwd is
geweest met den vroegeren geliefde der Keizerin.
Met het gebabbel over de lotgevalletjes, de kamers en de
kleêren van Prinses Zanti, wordt ook den schijn van literatuur verlaten.
Nauwelijks schemert hier en daar eene ge-
358
meenzaamheid met een soort salon-realisme-jargon door, met een enkel woord.
En, o narigheid, de Haagsche dandy van Eline Vere,
frisch en bekoorlijk, een lieve bloem van de Hollandsche samenleving, die in
Noodlot bleek ook het hoogere dandysme genaderd te zijn, spreekt hier vele
malen de taal van zijn kleedermaker. De streeling, waarmede blaauw peluche
mantels, vosse-bont, gaze-de-lys en ijsbeerenvellen worden behandeld, is de grof
familiare liefkozing van een winkelier: een lage verlekkering op kostbare
manufakturen, - zonder smaak, zonder distinktie van gezicht er op.
De Muze van den schrijver was hier een modiste van den
tweeden rang.
Tot den Prins haren minnaar zegt Prinses Zanti bij het begin
van een 'flirt' dit ontzachelijke naaistertjes-woord:
'Neen, niet in de Turksche Kamer. Uwe Hoogheid heeft zich
verleden niet netjes gedragen in de Turksche Kamer ...'
'Niet netjes gedragen'! Zeer zonderling zijn dergelijke
kleine ontsnapte wendinkjes, zoo als ik er vroeger bij dezen auteur reeds een
enkele releveerde. Iets als een valsch-klankje in zijn goeden-toon,... zoû het
op een torntje van verburgerlijking in de Hollandsche society duiden?
Bedenkelijk is ook de geestigheid, waarmede Lipara een echt
vrouwelijke rezidentie genoemd wordt omdat het Oktoberklimaat er 'verraderlijk'
is!
Het Eerste Hoofdstuk eindigt met nieuwe lyrische konfidenties
van den Keizer aan zijn dagboek, waarvan de auteur hem zelf, met eene
uitdrukking, die niet tot het Hollandsche taal-eigen behoort, zeggen laat: 'Ik
verlies mij in vragen ...'
Het Intermezzo begint met lyrische peinzerijen van den
schrijver zelf die hij inderdaad, - uit onbewuster eerbied? - van nòg minder
gehalte heeft laten zijn dan de ontboezemingen des Keizers.
Volgt de geschiedenis van Estelle Deveaux. Steeds mindert en
mindert de roman, het wordt een bezinksel der chroniques van Parijsche
dagbladen.
'Zoo was Estelle naar Liparië gegaan, geleid door haar
359
impresario, omgeven door een kleine hofhouding van noodige en onnoodige
trawanten, die de beroemdheid der aktrice fataal medesleepte in den gouden
stroom, dien zij met hare tooverstem ontspringen deed.'
Het is niet mogelijk nòg vulgairder te schrijven. Merkt op de
lichte ironie in het 'noodige en onnoodige', den gouden stroom en de
tooverstem.
Op de volgende bladzijde vinden wij:
'Toen voelde zij, dat de roem niet altijd een diadeem is maar
soms eene keten wordt'...
Het Tweede Hoofdstuk behelst de voorstelling van het
oproer. De roman wordt iets beter, - maar blijft beneden het middelmatige. De
beschrijving der onbedaarde avonturen van Prinses Zanti, - het is gevoelloze
verdunning van goede bladzijden uit Eline Vere. Tot het plastiesch
herleven doen van de bewegingen der menigten, opstandelingen en soldaten, is de
auteur onmachtig gebleken.
Het onderwerp was te groot en paste niet in den aard van den
schrijver.
In den Epiloog maakt de Keizer een reis door het land om
zijne populariteit te bevestigen en wordt er begonnen met den herbouw der
verbrande paleizen.
De Keizer is droevig gestemd en schrijft in zijn dagboek. Het
is gevoelige, volstrekt geen dorre of kantoor-brievenkout, maar het blijft zeer
gering.
Wat de schrijver zou hebben móeten doen is: geven de
groote ziel van een Keizer van dezen tijd, in welke, als in de personifikatie er
van, de strijdende levensrichtingen die de menschheid bewegen, samenkwamen en
botsten en uitvloeiden in een eindelijke, luide, harmonie van aktie, of in een
gelatenheidsharmonie van weemoed;
den Keizer-wijsgeer, den Keizer-dichter, een ziel en een
gestalte van groote gebaren; hoe hij zich staan ziet boven het volk zijner
landen, hij, de vertegenwoordiger Gods, de Tresaurier van den hoogsten
Levenswil, die de natie zal beeldhouwen tot zijn verwezenlijkte Gedachte; -
360
Híj is de opperste mensch, hij kan de Verbeelding brengen in
het Leven en zijn kunstwerk maken met het materiaal van de levende
menschenwereld;
hoe hij nu hoort, alleen in den nacht, die niet de majesteit
harer stilten hem omgeeft, de oude Idee hem spreken met de stemmen zijner
vaderen, hoe die den oorlog prijzen als de daad bij uitnemendheid in het
vorstenleven, tot handhaving en vergrooting van het zoo glorievol door hen
gestichte Rijk; een Keizer moet de leden van zijn volk niet enkelvoudig
beschouwen maar de gesamenlijkheid van het volk zien als het massale Gevolg van
zijn Persoon; sterven er velen in de donderende muziek van den veldslag, - de
overwinning zal het doode leven van zoo vele anderen tot een levende blijdschap
maken; te sterven voor het Vaderland, de oude leuze, het is te verdedigen tot
den dood het land dat Uw vader heeft omgeven, de boomen en de huizen, de paadjes
en de oude kerken, die de menschen, in wier oogen gij verwantschap en vertrouwen
hebt gelezen, hebben bewoond en bemind; als aan zijn volk den geestdrift voor
den schoonen dood is ingegeven, zal hij het dan elders beter kunnen leiden dan
ten oorlog?... -
maar hoe hij hoort en voelt plotseling in het bonte gelicht
zijner rijke, luide dagen, een vreemde leêge stilte, die boven dat alles opkomt
en waarin hij zijn Persoon zelf ziet verkwijnen tot een klein, klein menschje
als een van die velen; waarin hij ziet dood de oude Idee, de vermenging tot éene
menschheid in de plaats gekomen der afzonderlijke grootheden van volk en volk,
de glorie van zíjn Huis en zíjn Rijk geslonken tot niets meer dan een oude
herinnering, een fraaye antiquiteit in het bewustzijn der geestelijk edelen
zijner natie;
hoe hij bemerkt dat ook déze gedachte tot het meest
wezenlijke van zijn bewustzijn behoort en hoe hij zich dan in wanhoop ziet als
een koud en nutteloos pronkstuk in de groote huishouding van het volk;
hoe hij dán langzaam aan het ontwerp in zich laat worden, om
de oude en de nieuwe Idee te vereenigen en beseft wat de waarachtige verrichting
van den Keizer van dezen tijd
361
moet wezen. Door de kracht van het Verleden en van het Feit is hij Keizer, in
het wezen van het Tegenwoordige en van de Gedachte is hij het niet meer. Nu zal
hij een nieuw begrip van het Keizerschap stichten. Híj alleen heeft de mácht de
tegen hem gerichte gedáchte werkelijkheid te doen worden. Nu zal hij zijn
Persoonlijkheid haar wezenlijkheid in den nieuwen vorm doen bereiken, door haar
te verplaatsen van den top naar het hart van het volk, niet hen drenkende met
zíjne Idee, maar zijne macht gevende aan de húnne, en zoo in waarheid
verpersoonlijkend de soevereine wil van het volksleven.
Dit had de schrijver willen geven. Of dan komen tot de
konkluzie van den blanken weemoed, om dat het karakter van den Keizer zwak is,
hij, de nakomeling van een oud, oud geslacht, zwak bij zijn schoonen geest. Hoe
dus zijn ontwerp schipbreuk lijdt tegen de rotsen der vast-gegroeide
overleveringen zijner omgeving, en hoe hij staat, in den oproer-nacht, hoog
boven de rosse en zwarte woelingen der menigte, in de verte van het elektriesch
licht zijner witte zaal, als een bestoven afgodsbeeld, een onbeweeglijke kleine
pop, terwijl van tengere onmacht in hem sterft de bloem van het zelfde gevoel,
dat ook in ruige struiken daar wild bewogen huivert en druischt in het volk in
de diepte.
Dit had de schrijver moeten en willen geven, en er is
niets van gebeurd. De roman Wereldvrede bewijst dus op nieuw hoe
gevaarlijk het is zijn eigenlijk gevoelsleven en kunstvermogen te verkrachten om
een werk te doen, dat uw verstand u superieur doet vinden aan het tot nu toe
goed door u gemaakte. Want nu mislukt dat niet alleen, maar eenmaal zonder
warmte bezig, ontvangt gij die ook niet weder bij het schrijven dier gedeelten
in het nieuwe, die van eenzelfde soort als uw vroegere goede werk zijn.
Hoe veel beter is een schoone stilte van onthouding dan dit
toonloos en hol geraffel en gepreludeer.
(Uit: Tweemaandelijksch Tijdschrift 2 (1895, november), nr.2, p.351-361.)
Redactionele ingreep:
-p.356:
Treurig voor een schijver > Treurig voor een schrijver