Index Wereldvrede | Index Recensies
VREDE OP AARDE.
In een mooien omslag, maar een die meer aan 'oorlog' dan
aan 'vrede' doet denken, ligt voor de ramen der boekwinkels 'Wereldvrede', het
vervolg op 'Majesteit' van Louis Couperus. (Amsterdam. L.J. Veen.)
De schrijver wil zijn werk beschouwd hebben als een 'roman',
als een 'werk van kunst', geenszins als eene 'propaganda voor de Idee van den
Vrede', al heeft hij groote sympathie voor die 'Idee'. Waarom zou ook deze
Gids-redacteur voor den oorlog of oorlogzuchtig zijn? Alleen in vrede kan zijn
kunst bloeien.
Geen propaganda dus. Een zuiver kunstwerk, dat zoowel de
vrienden van den oorlog als de voorstanders van den Vrede intact laat in hun
'Idee', niemand boos maakt, ja, de rust niet ontneemt en de gemoedskalmte van
zelfs de ijverigste discipelen voor de macht van het kanon of het gezag van het
scheidsgerecht.
Aan deze eischen voldoet 'Wereldvrede' voldoende. Kenners en
vrienden van kunst zullen het, zij het ook
15
matig, waardeeren, doch wee degenen, die meer willen zoeken dan kunst in deze
Couperus-kunst, ze komen bedrogen uit.
Recht van morren hebben ze niet. Want in het wezen der zaak
ligt nu eenmaal, dat een Idee, in handen van een artist iets 'banaals' krijgt,
al heet het euphemistisch: 'objectief'.
Beoogde toch dit werk propaganda voor den Wereldvrede, het
zou te mak zijn, want wie den Oorlog wil bestrijden, moet een kloeker man
vooruitschuiven dan Othomar van Liparië. Voor een 'propaganda' ware deze keuze
minder gelukkig, ook zou de 'roman' daarvoor te zwak zijn aan feiten en
argumenten.
Tot heden zagen wij meest dichters en schrijvers, in het
algemeen: gevoelmenschen, ijveren voor de Idee van den wereldvrede. Groote namen
zijn aan de Idee verbonden, mannen die op z.g. Vrede-congressen de schare
betooverden door de 'kunst' van hun woord. '... Supposez - zei Victor Hugo op
het Congres te Parijs, door christinnen en kwakeressen sterk vertegenwoordigd -
'supposez, que les peuples de l'Europe, au lieu de se jalouser, de se haïr, se
fussent aimés, les 128 milliards donnés depuis 30 ans à la haine eussent été
donnés à l'amour...', waarop de christinnen hadden geapplaudisseerd en de
kwakeressen gebloosd.
Emile de Girardin en Castelar hebben niet minder schitterende
reden aan het 'vraagstuk' gewijd. Dat alles heeft niets gebaat en zal nooit iets
baten. Wie den Oorlog bestrijden wil, moet hem met forschen vuist bij zijn
halskraag pakken. Gesteld: twee gewapenden gaan elkaar te lijf en gij wilt ze
scheiden. Gaat gij nu een mooi praatje tegen beiden houden? Neen, ge pakt ze bij
den nek, slingert hen uit elkaar of ontwapent de bezetenen.
Zeker is iets gewonnen, stellen vorsten zelven, als Othomar
van Liparië, zich aan het hoofd der 'redeneerringen', wonen zij de opening van
het Vredecongres bij, of houden zij zelven een speech. Doch het leidt
tot niets. En waren ook alle vorsten van de wereld op het Congres
verschenen, en de Oorlog in eigen persoon, de 'zaak' zou onveranderd zijn
gebleven, evenals de 'sociale quaestie' na het bijeenkomen van Europa's
afgevaardigden te Berlijn onveranderd bleef.
De Oorlog zelve is tegenwoordig voor den Vrede. Er zijn geen
oorlogsmannen meer. De liefhebberij er voor is heen. De krijgsman gaat ten
oorlog, als de predikant naar den preekstoel: om den broode. En vorsten zijn
altijd meer voor de parade dan voor den oorlog zelven geweest. 'Ik haat den
oorlog - zei een Russisch generaal, die bederft de legers.'
Hoe dat zij, 'Wereldvrede' is voor de Idee zelve van geen
gewicht. Er valt daarover meer te zeggen dan vervat is in de rede en de brochure
van den oud-majoor Wlenzci. Daar schuilt geen bliksem in zijn woorden of gewicht
in zijn argumenten. Vriend noch vijand van de Idee voelen daarbij iets in hen
popelen.
Ten overvloede wordt Othomar voor weifelingen geslingerd en
stelt onze artiest hem niet in de gunstigste positie om vrede aan de wereld te
brengen, nu zijn eigen Rijk in opstand komt. Zijn leven is één marteling, altijd
moet deze monarch anders handelen en spreken dan hij zou willen doen en zeggen.
Natuurlijk, dat is 'regeeringszaak', en hem kwellen 'regeeringszaken' zoo zeer
daar de man een tobber is, te teer van gemoed om heerscher te zijn. Hij neme een
voorbeeld aan de Voorzienigheid, die slaat en kastijdt tot op het been, en toch
Liefde is. Of aan den minister van Houten, die ongevoelig blijft als de
afgevaardigden 'treuren'. De grondslag van de waereld rust niet op teer- en
weekheid. Zulke vorsten als Othomar mogen in goeden gunst staan bij
kunstvrienden, epische figuren zijn ze niet, het zijn kapellen, verdwaald in de
binnenkamer van een artist, waar ze, onzeker waarheen te willen vliegen,
fladderen in de zon van den Vrede tegen het raam, dat op de waereld uitziet. En
als de schrijver ze in Baarn laat vliegen naar L.J. Veen, sluit die ze op in een
papieren doos en zendt ze de waereld in. En zoo komt de mooie vlinder onder het
publiek. Maar niemand overtuigt mij, dat die vlinder een 'Koning', een
'majesteit' is in de epische beteekenis van het woord.
Wat Othomar in zijn 'dagboek' schrijft, is wel dichterlijk,
maar hoe zwak en teer zijn die indrukken, vergeleken bij de grootsche emoties,
welke de beheerscher van een machtig Rijk, als Liparië is, zou kunnen
ondervinden.
En vanwaar die geweldige opstand, dat schier ineenstorten van
een Keizerstaat? Is het een visioen? Zijn de tijden waarlijk zoo ernstig en
vreeswekkend? Zit de legitieme vorst, en nog wel één, door zijn volken geliefd,
zoo onvast op zijn troon? Heeft de phantasie recht, de mogelijkheid van zooveel
verbittering en verwoesting te stellen?
'Wereldvrede' komt mij voor te zijn meer de psychologisch
afdruk van artistengevoel dan afspiegeling van waereldgeschiedenis. Het is éen
van kleur en toon met 'Majesteit'. Beide zijn tweelingen, die niet gescheiden
kunnen leven. Forsch zijn ze niet van spieren, wel teer van zenuwen. Als
kasplanten gekweekt in de serre, gaan ze thans het ruwe bestaan in en zullen
moeten toonen bestand te zijn tegen de invloeden van den tijd en de wisseling.
Teere kunst, op vorsten geënt - bloei op tot glorie van ons
land, tot heugenis van den dichter.
Wolfgang.
(Uit: De Nederlandsche Spectator 1896, 11 januari, p.14-15.)