Stille krachtmeting

Natuurlijk schreeuwt De stille kracht om eens fatsoenlijk verfilmd te worden, en dat leek uiteindelijk ook te gaan gebeuren, maar wat te denken van het nieuws dat nu twee regisseurs zich hebben vastgebeten in hetzelfde been? Loopt een derde ermee heen? Of, waarschijnlijker in een klein filmland als Nederland, komt het er dan helemaal niet meer van? Op locatie hoeven ze elkaar in ieder geval niet voor de voeten te lopen – Indonesië is groot genoeg. Maar ook in artistieke zin hoeft dat niet per se het geval te zijn.

Er is het hoopgevende voorbeeld van de verfilming van Les Liaisons dangereuses, de magistrale briefroman van Pierre Choderlos de Laclos. Zowel Stephen Frears als Milos Forman begon op ongeveer hetzelfde moment aan een eigen filmversie, aanvankelijk onwetend van elkaars plannen. Zo kon het gebeuren dat Michelle Pfeiffer tegelijkertijd de rol van Marquise de Mertuil en die van Mme de Tourvel kreeg aangeboden. Beide heren zullen toen ongetwijfeld hun regisseurspet hebben afgenomen om zich eens uitgebreid op het achterhoofd te krabben. Maar ze lieten zich niet door elkaar intimideren en gingen hun eigen weg. Met twee zeer verschillende, maar uitstekende films als resultaat, ongeacht of je uiteindelijk de voorkeur geeft aan de cynische, kille ondertoon in Dangerous Liaisons of dat je je liever laaft aan de warmbloedige erotiek in Valmont. Wie weet heeft juist de wetenschap dat een ander met dezelfde muze vrijt de regisseurs tot grote hoogte gestuwd.

Laten we dan maar hopen op een soortgelijke artistieke wedloop tussen Paul Verhoeven en Orlow Seunke. Misschien levert die eindelijk eens een prachtige Couperus-verfilming op. Dat moet toch eens lukken, want geen enkele auteur is zo goed verfilmbaar als Couperus, die als geen andere auteur schreef met een cinematografische pen. Nu nog een regisseur die over een literaire lens beschikt. En over een grote zak met geld natuurlijk.

Dreigende duisternis

‘De binocle’, de naamgever van deze rubriek, is ongetwijfeld het meest geanalyseerde verhaal van Louis Couperus. In Uitgaan op niveau, vriendenboek voor Ad Zuiderent bij zijn afscheid van de Opleiding Nederlandse Taal en Cultuur van de Vrije Universiteit in Amsterdam op 24 april 2009, houdt ook neerlandica Jacqueline Bel het duistere verhaal nog eens tegen het licht.

De titel van dit verhaal, aldus Bel, waarschuwt de lezer al dat er hier iets met de wijze van zien, met het perspectief, aan de hand is. Er verandert iets definitiefs met de feestelijke ruimte van het operagebouw zodra de lichten worden gedoofd, de gordijnen opengaan en op het podium ‘het-verhaal-in-het-verhaal’ begint.

Vooral de duisternis speelt daarbij een belangrijke rol; niet alleen door de dreiging die ervan uitgaat, ook door de versterkende werking ervan op de ‘duistere’ neigingen van het hoofdpersonage: ‘Tijdens [het] eerste operabezoek weet de hoofdpersoon zijn neiging te onderdrukken. Zijn kijker laat hij achter, alsof hij geschrokken is van de duisternis die de binocle binnen in hem heeft blootgelegd. Als de hoofdpersoon vijf jaar later echter voor de tweede keer een bezoek brengt aan Dresden en hij opnieuw naar Die Walküre gaat met een plaats op het vierde balkon, slaat het noodlot wel toe.’

Ook de motieven van de binocle-werper lijken duister, volgens Bel. ‘Couperus karakteriseert hem als een “Indo-Nederlander”. In andere werken, zoals De stille kracht, schrijft Couperus deze koloniale “tussenklasse” vaker deviant gedrag toe. Die Walküre is een geschiedenis van wraak. In dit geval dient de opera als spiegel en functionele ruimte voor de aanslag met de verrekijker.’

Volgens Bel biedt ‘uitgaan’ in een verhaal de mogelijkheid tot locatieverandering. Dat dient vaak weer als reflectie van veranderingen in het innerlijk van personages. ‘De binocle’ is hier een goed voorbeeld van. ‘Hoe het ook zij,’ concludeert Bel, ‘het loopt dus vaak minder goed af in de letteren als personages zich overgeven aan uitgaan, feesten en partijen.’

Flat characters

Het juninummer van het tijdschrift Indische Letteren is gewijd aan ‘het beeld van de inheemse bevolking in de Indisch-Nederlandse literatuur’. Vanzelfsprekend wordt hierin ook aandacht besteed aan Couperus’ De stille kracht (1900).

In een beknopt artikel bespreekt Geert Onno Prins de personages Soenario, Si-Oudijck, Oerip en Saïna in het licht van de veranderende verhoudingen tussen het Europese en inlandse bestuur rond 1900. Deze personages zijn volgens Prins flat characters; ze maken, in tegenstelling tot hun Nederlandse tegenspelers, geen ontwikkeling door, maar ze nuanceren wel het ‘stereotiepe beeld’ dat uit andere romans uit diezelfde periode naar voren komt.

Vooral het conflict tussen resident Van Oudijck en regent Soenario zou de veranderende economische verhoudingen tussen de Europese koloniale mogendheden en hun Aziatische kolonies weerspiegelen. Daarbij blijft Couperus zijn personages, ook de ‘inlanders’, als mensen van vlees en bloed beschrijven, zonder ze expliciet te veroordelen: ‘niets menselijks is hun vreemd’, aldus Prins.

Indische Letteren wordt uitgegeven door de Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde. Losse nummers kunnen worden besteld door 8,50 euro over te maken op postbanknummer 1977068 onder vermelding van het betreffende nummer.

Couperus en de islam

‘Voor Couperus was de islam in de eerste plaats een godsdienst met een bepaalde stemming, een gemoedsgesteldheid die kenmerkend was voor de wereld van het Oosten.’ Aldus Jan Fontijn in zijn essay ‘Weemoed op weemoed gestapeld. De melancholie van de islam’, dat onlangs in Tirade (nr.427, maart 2009) verscheen.

Fontijn peilt de overeenkomsten tussen Couperus, de contemporaine schrijver van haremromans Pierre Loti, en de avontuurlijke woestijnreizigster Isabelle Eberhardt, die alledrie de ‘melancholie van de islam’ beschreven. Vooral de vergelijking met Loti levert interessante inzichten op in het ‘oriëntalisme’ van Couperus. Thema’s als melancholie, fantasie, exotisme, het verleden als tegengesteld aan een onbevredigend heden en de ‘broosheid der dingen’ treft men zowel in Loti’s Figures et choses qui passaient (uit 1898!) als bij de auteur van Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan…

‘Bastet, de biograaf van Couperus, meent dat diens indrukken van het Midden-Oosten oppervlakkig blijven. Ik ben het daar niet mee eens,’ schrijft Fontijn. ‘Het picturale oog waarmee hij de oosterse werkelijkheid bekeek verraadt een grote vertrouwdheid met de oosterse traditie in de negentiende-eeuwse schilderkunst in binnen- en buitenland (…). Zonder overdrijving kan men stellen dat het leven van Louis Couperus door de wereld van het Oosten werd bepaald.’

Couperus verwerkte zijn indrukken van het Oosten onder andere in de postuum uitgegeven bundel reisverslagen Oostwaarts en in de roman De ongelukkige. Fontijn vergeet ook niet de passage uit De stille kracht te citeren, waarin resident Van Oudijck door de Arabische wijk van Laboewangi rijdt, een ‘stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi’, dat ‘het onuitzegbare mysterie [scheen] uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond…’

Ommezwaai

Het septembernummer van het tijdschrift Indische Letteren is in z’n geheel gewijd aan Louis Couperus. De interessantste bijdrage is van de Zweedse onderzoeker Åsa Josefson. Centraal in het gedegen betoog staan de twee diametraal tegenover elkaar staande visies die Couperus op het kolonialisme ontvouwt in respectievelijk De stille kracht (1900) en Oostwaarts (1923).

In de eerstgenoemde roman is de verteller bijzonder kritisch tegenover de westerse overheersing in Indië, en lijkt het einde daarvan aanstaande en onomkeerbaar. Ruim twintig jaar later is Couperus’ standpunt in deze kwestie ronduit reactionair: het gekolonialiseerde volk is geboren om te dienen, zo vindt de auteur, en hij zingt de lof van de hard werkende overheersers, die worden voorgesteld als helden. Bovendien: ‘Met onbreekbare banden zijn wij aan Indië verbonden, een ramp zoû het zijn voor Holland en Indië beiden, zoo ooit dezen werden gebroken.’

Josefson geeft drie mogelijke verklaringen voor deze ommezwaai. Ten eerste het verschil tussen het genre van de roman en de journalistiek (‘Couperus kon dieper gaan in een roman dan in een krant’). Als tweede mogelijkheid noemt de auteur de gevoelens van nostalgie die zich van de oudere Couperus meester zouden hebben gemaakt, en ten derde zou het tijdsverschil een rol kunnen spelen: ‘de maatschappij is geëvolueerd, wat zeker weerspiegeld wordt in de teksten van Couperus’, aldus Josefson.

Een vierde, nogal voor de hand liggende hypothese blijft onvermeld. Zoals bekend heeft Couperus bij het schrijven van De stille kracht de hulp ingeroepen van zijn zwager Gerard de la Valette, destijds resident te Passoeroean. Heeft Couperus, die immers ook in die tijd niet bepaald als progressief denker bekend stond, niet alleen dankbaar gebruik gemaakt van diens kennis van bestuurlijke aangelegenheden, maar misschien ook de dramatische mogelijkheden ingezien van de (wellicht kritische) visie van zijn zwager op het kolonialisme?

Men zou om deze vraag te kunnen beantwoorden de vele publicaties die Valette, overigens een bewonderaar van Multatuli, in Indische tijdschriften publiceerde, nader moeten bestuderen. 

Een fontein van champagne

In 2006 publiceerde de historicus Martijn Icks het Couperus Cahier Heliogabalus: geschiedenis, droom en nachtmerrie, waarin hij zich afvroeg of de Romeinse keizer eigenlijk wel zo door- en doorslecht was als de antieke bronnen ons willen doen geloven. Voor het tijdschrift Geschiedenis der Geneeskunde (nr.1, december 2007), stelt hij zich de vraag waarom het juist Heliogabalus was die in het fin de siècle kon uitgroeien tot hét icoon van de androgynie. Daarbij passeert niet alleen De berg van licht de revue, maar betrekt Icks ook Élagabal van Henry Mirande, Héliogabale van Auguste Villeroy, L’agonie van Jean Lombard en kunstwerken van Gustav Adolf-Mossa en Simeon Solomon in zijn verhaal. Hieruit blijkt onder meer dat alleen Louis Couperus echt sympathie voor zijn onderwerp kon opbrengen.

De berg van licht heeft al een aantal jaren de niet-aflatende aandacht van publiciste Caroline de Westenholz. Waar het Icks vooral te doen is om de (beeldvorming van de) historische figuur van keizer Heliogabalus, daar belicht De Westenholz de religieuze achtergronden van Couperus’ magnum opus. Dat deed ze zeer uitgebreid in een indrukwekkende reeks van publicaties voor Arabesken; voorKleio, tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur (nr.1, oktober-december 2007) zet ze haar bevindingen nog eens kernachtig uiteen.

Ze betoogt dat Couperus in deze historische roman een aantal oeroude religies met elkaar verbond. Zo is de kosmologie, zoals uiteengezet door hogepriester Hydaspes, ontleend aan de van oorsprong joodse kabbala, terwijl het concept van de androgyne messias een gnostische opvatting is. Heliogabalus’ dans rond de Zwarte Steen is weer geïnspireerd door het tantrisme, het ‘linkerpad’ van het shivaïsme uit het alleroudste India.

De ondertitel van haar opstel, ‘Een fontein van champagne’, verwijst naar een dorstigmakende anekdote in het begin van haar betoog, die de abstracte stof op een aardige manier inzichtelijk maakt.

Verledene opulentie

‘Ah, de romantiek van vergane glorie! Al in de jaren zeventig lazen we Louis Couperus’ novelle Aan de weg der vreugde (…). Meteen wilden we erheen: naar Bagni di Lucca! Maar er kwam, zoals het gaat met die dingen niets van. Soms reden wij er op slechts veertig kilometer voorbij, met spoed op weg naar nog verder zuidwaarts gelegen bestemmingen, en eenmaal was ik zelfs met de racefiets in het Lucca, een prachtige stad, vooral voor tienen en na zevenen als de stoeten dagjesmensen verdwenen zijn en je voetstappen weerklinken tegen de oude muren van de wonderlijk goed bewaard gebleven vestingstad. En nu, dertig jaar later, zijn we toch nog op weg naar Bagni di Lucca. We willen er niet zomaar aankomen, per trein of bus, maar het te voet benaderen.’

John Jansen van Galen treedt in de voetsporen van Couperus en bezocht voor Het Parool het Toscaanse dorp, waar ‘een adem van vroegere vorstelijkheid, van verledene opulentie dreef tussen de groene schaduwen’.

Na urenlang dwalen moest de wandelaar toch een lift accepteren van landgenoten om er te geraken en vraagt zich vervolgens af hoe lang zulke schilderachtige plaatsen nog zullen bestaan: ‘Er wonen doorgaans alleen een paar bejaarde mensen en er staan gerenoveerde tweede huizen van rijke Engelsen.’

Van oude lullen

Verleden week werd bekend dat de auteurs Marjan Berk en Yvonne Kroonenberg zijn aangezocht om hun boeken om te werken tot versies die ook door laaggeletterden begrepen kunnen werken. Wellicht een gat in de markt?

Wim de Bie stelt op zijn Bieslog voor om ook het werk van grote dode schrijvers te hertalen. Immers: ook hooggeletterden zijn vaak zwakke lezers. De Bie vroeg zich af hoe het begin van Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… zou kunnen worden bewerkt. Hij deed de volgende poging:

Oude lullen moeten weg

Een man die Stein heette had een lage stem. In het halletje van zijn huis riep hij de hond die Jack heette:
– Kom Jack, ga je mee met de baas? Kom!
De hond was boven. Hij begon meteen te blaffen. En hij rende de trap af.
De vrouw van Stein heette Ottilie. Zij zat in de huiskamer te lezen.
Zij werd kwaad op Stein omdat hij zo hard om de hond riep.
– O, die lage rotstem! zei ze boos.
Charles Pauws was de zoon van Ottilie. Hij keek naar zijn moeder en glimlachte. Na het eten dronk hij met zijn moeder een kopje koffie voordat hij naar zijn vriendin Elly zou gaan. Vader was met de hond uitgegaan en het werd stil in huis. Charles Pauws keek naar zijn schoenen. Hij vond dat ze goed zaten.
– Waar is Stein naar toe, Lot? vroeg de moeder. Ze klonk ongerust.
– Vader is gaan wandelen met hond Jack, zei Charles Pauws zachtjes. Charles Pauws is een moeilijke naam. Daarom werd hij thuis ook wel Lot genoemd. – Nee, hij is naar zijn vriendin toe! zei moeder Ottilie boos. Lot (Charles Pauws dus) greep even met een hand naar zijn hoofd. Moe werd je ervan.
– Hè moeder, zei hij. Rustig nou. Ik ga straks naar mijn vriendin Elly. Ik zit nu even met u gezellig een kopje koffie te drinken. Mijn vader is toch je man? Je moet niet zo’n ruzie met hem schoppen. Daar word je vroeg oud van.

De oorspronkelijke, hondsmoeilijke tekst staat hier.

Weemoedige rondleiding

‘In het buitenland is men nog geneigd een scheet van een beroemde schrijver in een flesje op te vangen en deze te koop aan te bieden, maar in Nederland is men niet zo vereerderig’, aldus schrijver Bart Chabot in een item van actualiteitenrubriek EenVandaag over het woonhuis van Couperus, dat nu alweer enkele maanden te koop staat.

Ondanks een pleidooi van Couperus-biograaf Frédéric Bastet om het fraaie pand aan de Surinamestraat een passende bestemming te geven, houdt de gemeente Den Haag de hand op de knip. Er is immers al een museum, waar een gedeelte van Couperus’ schrijfkamer is nagebootst (de auteur als pop van kunststof achter het authentieke schrijfbureau), en dat is al mooi genoeg. Grote kans dus dat de zonnige kamer waar Eline Vere werd geboren straks wordt verbouwd tot speelruimte voor rijke Haagse kids.

De sleutel tot de voordeur kost namelijk bijna drie miljoen euro, een bedrag dat het Genootschap, het Museum, of een andere stichting met warme gevoelens voor de auteur alleen maar bij elkaar kunnen drómen.

Wel was de makelaar bereid om, nu het nog kan, Eugenie Boer, conservator van het Couperus Museum, een kijkje te laten nemen in de statige kamers van dit cultuurmonument. Het zal een weemoedige en tantaliserende rondleiding geweest zijn. Hier kunnen we met haar meekijken. En fantaseren hoe de wereld er uit zou zien als zij werd bestuurd door lieden met enig historisch besef.

Stem Couperus!

Naar het voorbeeld van het succesvolle Britse literaire evenement The Big Read organiseren de NPS en NRC Handelsblad de verkiezing van ‘het beste boek aller tijden’. Via de website hetbesteboek.nl kan het publiek een keuze maken uit 250 voorgeselecteerde Nederlandstalige boeken. Men ook kan echter ook zelf een titel aandragen. Op 5 februari verschijnt op de website een shortlist van de tien beste boeken. Hierop kan men opnieuw een stem uitbrengen. Tijdens een televisieuitzending, op zondag 11 maart, wordt uiteindelijk de winnaar bekendgemaakt.

Welke auteur met deze eer dient te gaan strijken is natuurlijk volkomen duidelijk. De vraag is alleen: met welk boek? Op de longlist staan alvast drie titels van de schrijver genomineerd: Eline VereVan oude menschen… en De stille kracht.

Maak een keus, maar aarzel niet, en zorg dat De avond van het boek de avond van Louis Couperus wordt! Tip: een goed gemotiveerde keuze telt dubbel!

couperus in de media

Wij houden onze binocle nieuwsgierig gericht op verschillende media, altijd alert op de opduikende gestalte van Louis Couperus.

Ontging ons iets? Zou kunnen... Neem het ons niet kwalijk, maar mail en breng ons op de hoogte!

Let op: internet is een veranderlijk medium. Sommige links kunnen u inmiddels leiden naar niet bedoelde pagina's of... helemaal niets.

Foto van de dag

Onthulling gedenksteen geboortehuis Couperus

Intussen op Twitter