De psyche ontrafeld

Ondanks Couperus’ grondige afkeer van ziekte en ouderdom legde hij een grote interesse aan den dag voor personen met allerlei psychische afwijkingen. Vooral Het heilige weten, het vierde en laatste deel van de romancyclus De boeken der kleine zielen biedt de lezer een staalkaart van uiteenlopende neurosen, verenigd in één familie. Voor een recensente destijds aanleiding om zich geïrriteerd af te vragen of de roman niet beter ‘Gekken-zielen’ had kunnen heten.

Op 22 november 2003 organiseerde de Brakmankring, de Vestdijkkring en het Louis Couperus Genootschap het symposium ‘De zieke mens in de romanliteratuur’, naar het gelijknamige essay van Simon Vestdijk uit 1964. Karin Peterson, oud-voorzitter van het Louis Couperus Genootschap, sprak daar over ziektebeelden in het werk van Couperus. Haar lezing is gepubliceerd in de nieuwste aflevering van de Vestdijkkroniek (nr.103, februari 2004).

In ‘De psyche ontrafeld’ toont Peterson aan dat Couperus in zijn roman niet zomaar een stoet krankzinnigen aan ons voorbij laat trekken; zijn visie op psychische stoornissen is sterk beïnvloed door de psychiatrische wetenschap, die rond 1900 een grote ontwikkeling doormaakte. ‘Etaleerde Couperus in Eline Vere nog een statisch en deterministisch mensbeeld, waarin de temperamentenleer goed thuishoorde, in de laatste roman [De boeken der kleine zielen] beschrijft hij met veel liefde een situatie, waarin aandacht bestaat voor de onderliggende traumatische oorzaken die het gedrag van de psychiatrische patiënt bepalen.’

De Vestdijkkroniek is gratis voor leden van de Vestdijkkring; losse nummers kosten zes euro.

Mooie sokken

Behalve als wekelijks opinieweekblad verschijnt Elsevier dit jaar ook als maandelijkse glossy: Elsevier Thema. Het septembernummer is gewijd aan mannenmode. Onder de titel ‘Orchidee onder de uien’ laat Couperus-biograaf Frédéric Bastet in dit nummer nog eens alle clichés over Couperus als perfect geklede dandy de revue passeren.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog schnabbelde de immer om geld verlegen auteur bij door voor te dragen uit eigen werk. Het publiek had bij deze gelegenheden meer oog voor zijn onberispelijk toilet dan oor voor zijn schrijfsels. Zijn confrater Johan de Meester schreef: ‘ik was mij tot gisteren onbewust, dat er zúlke mooie sokken bestaan, met één breed wit streepje en vele smalle, fijn uit de lage lak schoentjes lijnend.’

En dan is er nog Couperus’ beruchte roze smoking, die heden ten dage als een koddige relikwie in het Letterkundig Museum wordt bewaard. Denken velen misschien dat Couperus hierin over het Lange Voorhout huppelde, als opzichtige relnicht avant la lettre, in werkelijkheid was het een kostuum dat Couperus zich speciaal had laten aanmeten voor het carnaval in Nice, toen roze de voorgeschreven kleur was.

Eigenlijk was Couperus’ smaak betrekkelijk sober. Dat blijkt tenminste uit zijn bijdrage voor een reclamefolder van het kleding magazijn Kattenburg & Co. Hierin schreef hij dat hij dankbaar was dat ‘onze mode zoo praktisch was, zoo eenvoudig, zoo streng.’ Maar, zo relativeert Bastet weer, hij kon moeilijk iets anders beweren: hij kreeg van Kattenburg maar liefst vijfentwintig gulden voor zijn artikeltje.

Hoe dan ook: hij mocht dan misschien een ‘kunstig bloeisel van fatterigheid’ zijn, zoals André de Ridder ooit schreef, Couperus was blijkbaar bovenal een praktisch persoon, een man van de wereld, die wist wat er te koop was én verkocht kon worden.

Drakevlerken

Tachtig jaar geleden reisde Couperus als speciaal correspondent van de Haagsche Post naar het Verre Oosten. De reportages die hij schreef over Japan en China werden in 1925, bijna twee jaar na zijn dood, gebundeld in het boek Nippon.

Toen fotograaf Paul van Riel dit boek onlangs in handen kreeg, realiseerde hij zich hoe goed de foto’s die hij de afgelopen jaren had gemaakt aansloten bij de beschrijvingen van Couperus. In nr.18 (mei 2003) van HP/De Tijd, de opvolger van de Haags(ch)e Post, staan enkele foto’s van de fotograaf afgedrukt, met daaronder een aantal citaten van Couperus.

En inderdaad: of het nu gaat om ‘de jonkezeilen als drakevlerken of immense vinnen van reuzenvisschen’ op de Parelrivier bij Guangzhou, ‘de visschen karmijn op den graat de vleezen bloederig purper’ in de winkels van Canton, of ‘al die papiertjes, die gewonden zijn om de takken van een prachtigen magnolia-heester in vollen bloei’ in Nikko, het is er allemaal nog, zoals de foto’s van Paul van Riel mooi laten zien. Van Riel deelt de gemengde gevoelens die Couperus koesterde voor het moderne Japan: ‘Natuurlijk is er nog steeds veel moois te zien in Japan, maar in een relatief klein land dat in Couperus’ tijd al overbevolkt was en inmiddels 120 miljoen inwoners heeft, (…), worden al die tempels, heiligdommen en parken steeds meer opgeslokt door het uiterst chaotische straatbeeld. (…) Wanneer hij klaagt over de barstensvolle treinen en de bij elke tempel en elk station aanwezige lawaaiige groepen scholieren, dan voel ik met hem mee.’

Het graf van Eline Vere

Toen de eerste afleveringen van Eline Vere in Het Vaderland waren verschenen, gonsde het in de hofstad van de geruchten. Welke jonge, Haagse freule stond model voor de ongelukkige heldin? Couperus wist haar immers zó levensecht te beschrijven, dat zij wel haar equivalent in de werkelijkheid móest hebben.

Hoewel Couperus, in navolging van Flaubert, verklaarde: ‘Eline Vere, dat ben ikzelf’, sluit zijn biograaf Frédéric Bastet niet uit dat de hoofdpersoon van de roman deels is terug te voeren op een meisje van vlees en bloed. Degene die volgens Bastet de beste papieren bezat, was Virginie la Chapelle. Zij componeerde de muziek voor de kinderoperette De schoone slaapster in het bosch, waarvoor Couperus het libretto schreef. Zij stierf op jonge leeftijd aan tuberculose.

Casper Postmaa van de Haagsche Courant wist het graf van Couperus’ muze te traceren. Zij ligt begraven op dezelfde plek als Couperus: Oud Eik en Duinen in Den Haag. Dat het graf niet eerder was opgemerkt, wekt geen verwondering: op de steen geen spoor van haar naam, maar slechts de tekst ‘to be or not to be, that’s the question’ en ‘Heilig deze tombe met smarte gewijd aan de verstorvene jeugd’.

Grimmige genootschappen

Naast alle hijgerige publiciteit over hommeles in het koningshuis, is er in weekblad HP/De Tijd (nr.10) gelukkig ook nog ruimte voor een reportage over zoiets bedaagds als literaire genootschappen. Hoewel… bedaagd? Volgens Peter Hoomans, schrijver van het artikel, is ook de wereld der schrijverskluppies een ware slangenkuil. Ondanks dat de meeste leden allang met korting de bus in mogen – de vergrijzing is voor veel genootschappen een groot probleem – schijnen ze elkaar geregeld in de uitgedunde haren te vliegen. Haat en nijd binnen de Vestdijkkring. Kinnesinne in The Blue Poet Society (de Boudewijn Büch-fanclub). Gekrakeel tussen twee Hermans Genootschappen. ‘Ik dacht dat ik in het bestuur van en literair genootschap zat,’ vertelt Ria Albers, secretaris van de Vestdijkkring, ‘maar het leek wel oorlog.’

Het Louis Couperus Genootschap wordt door Hoomans, samen met het Multatuli Genootschap en het Willem Elsschot Genootschap, tot de braafste jongetjes van de klas gerekend: ‘Gezelschappen als deze vergaderen niet alleen uitgebreid over de verenigingsstructuur en slaan elkaar niet alleen bij tijd en wijle het hoofd in over de te varen koers, maar organiseren ook wandelingen langs woonplaatsen van de auteur of plekken die een rol spelen in zijn werk; ze geven jaarboeken uit en een periodiek waarin alles wordt bijgehouden waarin de naam van de geliefde auteur opduikt.’

Waarvan akte.

Kokette cocotte

De biografische honger van Frédéric Bastet lijkt nog niet gestild. In het laatste nummer van De Parelduiker (nr.5) onderzoekt de Couperus-biograaf in hoeverre de flamboyante Brusselse tante van Eline Vere, Elize, gebaseerd kan zijn op een bestaande figuur.

In het boek Uit de suiker in de tabak (1884) van P.A. Daum is een kleine rol weggelegd voor een opmerkelijke dame. Nou ja, dame: ondanks haar naam – barones Coombergh de Resfeldt – is zij van oorsprong een levenslustig deerntje uit de Rotterdamse achterbuurten. Zij wist toevallig een oude baron aan de haak te slaan, die al snel na hun huwelijk overleed. Gerard Temorshuizen schrijft in zijn biografie van Daum dat de romanfiguur is gemodelleerd naar de lichtzedige Elise van der Meyde, die trouwde met de veertig jaar oudere Jonkheer Otto Carel Holmberg de Beckfelt, een voormalige bestuursambtenaar op Java die schatten heeft verdiend in de suiker.

Bastet, die in zijn artikel een aantal aardige anekdotes over deze Elise serveert, probeert op zijn beurt de lezer ervan te overtuigen dat Elize, de romanfiguur uit Eline Vere, wel erg veel overeenkomsten heeft met de wufte douairière die eerder Daum inspireerde. Couperus heeft hem waarschijnlijk goed gelezen, maar vond tevens dat Daum kansen had laten liggen, aldus Bastet. Hij suggereert hiermee dat de auteur van Eline Vere het portret van Elize gedeeltelijk naar de werkelijkheid heeft geschilderd en de kokette cocotte dus persoonlijk heeft gekend.

 Het is een miniscuul pareltje dat Bastet uit de modder van de geschiedenis heeft gevist. Dat wil niet zeggen dat zijn verhaal niet lezenswaard is, ook al zullen we waarschijnlijk nooit zeker weten of het een vals pareltje betreft.

Handen nog warm van de fazant

L.H. Wiener is behalve auteur ook leraar Engels. In Van Gigch, een personage uit zijn pas verschenen roman Nestor, portretteert Wiener deels zichzelf als lesgevende schrijver.

In de Haagsche Courant van 29 november vertelt Wiener onder meer over zijn ervaringen als docent: ‘De leraar is in het huidige onderwijs gereduceerd tot een boekhouder. Hij mag administreren welke werkstukjes zijn leerlingen hebben gemaakt. Ik heb meegemaakt dat ik op een gegeven moment alleen nog maar zat te speuren naar de opzettelijke fouten in de werkstukken van leerlingen, gemaakt om de informatie die zij van het internet hadden geplukt nog een persoonlijk tintje te geven. Maar zo’n leraar wil ik niet zijn. Dat staat niet in mijn contract. Ik wil mijn enthousiasme voor literatuur over kunnen brengen, ik wil kunnen vertellen. Ik wil leerlingen een gedicht voorleggen en er op zo’n manier over praten, dat er iets gaat leven. Al zijn het maar een of twee leerlingen, dat is genoeg. Daarbij zal wel meespelen dat ik zelf zo’n jongetje was. Ik heb een leraar Nederlands gehad die op zo’n plechtstatige, gedreven manier voorlas uit de Naumachie van Couperus. Daar zat ik dan, mijn handen nog warm van de fazant die ik in de duinen had gevangen, en ik was diep onder de indruk.’

Couperus wird neu entdeckt

In Duitsland is er een échte cultuurzender, waar men regelmatig aandacht besteedt aan… literatuur. Zelfs, jawohl, aan een obscure, bijna tachtig jaar dode, Nederlandse auteur. Luister en kijk naar een fragment van ‘Kulturzeit’, een programma van de zender Sat3: Catherine Ann Berger in gesprek met de Duitse literatuurcriticus Thomas Steinfeld over Die langen Linien der Allmählichkeit, de nieuwe Duitse vertaling van Couperus’ roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900).

Animale gevoelens

J.L. Heldring, de éminence grise van columnerend Nederland, wordt 85 en verhuist binnenkort naar een serviceflat. Daar kan hij slechts een klein deel van zijn bibliotheek onderbrengen, maar zijn Couperussen gaan in ieder geval mee. In ‘zijn’ NRC belijdt Heldring in een paginagroot interview zijn liefde voor het werk van Louis Couperus: ‘Couperus is een goede schrijver, een van de grootste in Nederland. […] Hij is wijdlopig, maar zijn beschrijvingen van de psychologie van zijn personages, van het typisch Haagse milieu waarin ze leven, van hun drama’s – die zijn goed.’

Heldring las twee keer aan zijn vrouw Langs lijnen van geleidelijkheid voor. Vooral de beschrijving van de ‘fysieke, bijna animale gevoelens’ van de hoofdpersoon kan hem wel bekoren: ‘Couperus beschrijft het prachtig, maar zonder in details te treden. Die kende hij waarschijnlijk niet. Zijn Engelse uitgever had bezwaar tegen die laatste scène, als de vrouw in bed ligt te wachten op wat komen gaat. Dat woord “bed” wilde hij er niet in hebben. Couperus schreef aan zijn vertaler: maak er dan maar “sofa” van.’ 

Wat is er tegen restauratie?

In de VPRO-gids nr.47 staat een discussie afgedrukt tussen architect Herman Hertzberger en Wim T. Schippers, die zich beijvert voor de herbouw van het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt. Couperus fungeert als argument:

Hertzberger: ‘Prima, zo’n glaspaleis, maar bouw het op een moderne manier. Je gaat toch ook niet een roman schrijven in de stijl van Louis Couperus?’

Schippers: ‘Het is alsof wij de resten van een roman van Couperus hebben gevonden en die roman willen we reconstrueren. Het is geweldig om dat schitterende gebouw op die plaats terug te zien, dat is het enige wat ik wil. Wat is er tegen restauratie?’

couperus in de media

Wij houden onze binocle nieuwsgierig gericht op verschillende media, altijd alert op de opduikende gestalte van Louis Couperus.

Ontging ons iets? Zou kunnen... Neem het ons niet kwalijk, maar mail en breng ons op de hoogte!

Let op: internet is een veranderlijk medium. Sommige links kunnen u inmiddels leiden naar niet bedoelde pagina's of... helemaal niets.

Foto van de dag

Dankkaart Couperus Aletrino

Intussen op Twitter