De binocle

Epifanie

Van de hand van Piet Kralt verscheen onlangs een artikel in Nederlandse letterkunde (jaargang 6, nummer 2), getiteld ‘Het uitgelezen uur. Couperus en de beleving van het heden’. Kralt beschrijft hierin de ontwikkeling van Couperus’ opvattingen over (de relatie tussen) het geluk en het heden.

Hij doet dat aan de hand van het begrip epifanie, een intense vorm van werkelijkheidsbeleving die in de literatuur van het fin de siècle een belangrijke rol speelt. Denk aan de beroemde scène met het madeleinekoekje in À la recherche du temps perdu van Proust: een alledaagse waarneming wordt tot een plotselinge, intense, ongewone ervaring, die met de ratio niet of nauwelijks te begrijpen valt. Of denk aan het gedicht ‘La lune blanche’ van Verlaine, dat eindigt met de woorden: ‘Un vaste et tendre / Apaisement / Semble descendre / Du firmament / Que l’astre irise… / C’est l’heure exquise’.

Couperus citeert deze laatste regel instemmend in zijn reisverslag Met Louis Couperus in Afrika uit 1921, wanneer hij zichzelf beschrijft, zittend op een zuil in het oude Carthago. Twee jaar later, vlak voor zijn dood, bepeinst hij in een feuilleton dat hij in zijn leven dikwijls ‘een Seconde van Geluk’ heeft gekend: ‘De Seconde sloeg als met een lichten, gouden gongslag meestal onverwachts, onvoorbereid, en daar was het er (…).’ Het was dan ‘alsof de tijd stil stond’: een epifanisch moment.

Kralt toont overtuigend aan dat die positieve verbintenis tussen heden en geluk pas vanaf 1902 in het werk van Couperus tot stand komt. Daarvóór was het heden meestal negatief geladen, zoals in de romans Noodlot en Extaze en in het sprookje Psyche. In Extaze bijvoorbeeld ‘(…) is het heden klein en begrensd en het geluk dat de extase brengt, bestaat in de doorbreking van die grenzen naar de lichtende ruimten van de oneindigheid’, aldus Kralt.

Het omslagpunt vinden we in het verhaal ‘Jahve’, waarin voor het eerst ‘de zin van het bestaan in de aanvaarding van het heden ligt’. Deze omslag heeft zijn doorwerking in Couperus’ noodlotsbegrip, schrijft Kralt: ‘Tot dan toe interpreteerde Couperus het noodlot psychologisch (…), of (…) als een boven de mensen staande macht. Hierna interpreteerde hij het ook als de doem van de tijd, de onherroepelijke neergang der dingen, de eeuwige keten van worden-zijn-vergaan. Om dit kwaad te bezweren, zocht hij zijn heil in de intense beleving van het heden.’

Couperus liep daarmee enigszins achter op zijn tijdgenoten Van Deyssel en Gorter, bij wie de epifanie al rond 1890 ‘doorbreekt’. Maar Couperus’ ‘Seconde van Geluk’ is dan ook geen zuivere epifanie: ‘Het gaat bij hem niet zozeer om het korte ogenblik als wel om het feit dat dit ogenblik er nu is’, concludeert Kralt.

Facebooktwittergoogle_plusFacebooktwittergoogle_plus

Reacties

Nog geen reacties

Plaats een reactie

couperus in de media

Wij houden onze binocle nieuwsgierig gericht op verschillende media, altijd alert op de opduikende gestalte van Louis Couperus.

Ontging ons iets? Zou kunnen... Neem het ons niet kwalijk, maar mail en breng ons op de hoogte!

Let op: internet is een veranderlijk medium. Sommige links kunnen u inmiddels leiden naar niet bedoelde pagina's of... helemaal niets.

Foto van de dag

Elisabeth Couperus en Henri van Booven

Intussen op Twitter