Het favoriete fragment van... José Buschman
‘Met de hoop elkaâr weêr terug te zien’

DOOR 

‘Het was een zachte, mooie, weemoedige dag.’ Ik sta aan de oever van het Bodenmeer, aan de overkant schemert mistig-blauw Zwitserland. Ik ben in het Duitse stadje Lindau, waar Couperus in 1913 z’n vijftigste verjaardag vierde en waar hij afscheid nam van zijn vriend Orlando. Over zijn verjaardag en over dat afscheid schreef Couperus een magistraal feuilleton, ‘Ter uwer verjaring’, dat in z’n geheel een ‘favoriet fragment’ van mij is. Het onderzoek naar de ware identiteit van Orlando laat me voorlopig niet los. Mijn speurtocht in Italië (zie De Parelduiker 2004/1) heeft mijn vermoeden weliswaar gevoed, maar nog niet bevestigd. In Lindau gaat de zoektocht verder, ook al ben ik hier op een bijzondere dag...

Zijn laatste fles Heidsieck
In 1913 maakten Louis Couperus en zijn vrouw Elisabeth een rondreis van zes maanden door Spanje, op uitnodiging van Orlando, die ook meereisde. Aan het slot ging het hele gezelschap, doodmoe, met de trein via Lyon naar Lindau, vanwaar het echtpaar Couperus zou doorreizen naar München (voor de overzomering) en Orlando voor zaken naar Wenen en daarna naar Smyrna zou vertrekken. Op negen juni namen ze hun intrek in een hotel in Lindau, met de bedoeling daar één nacht te blijven.
    Op een zonnige februarimiddag loop ik over de Seepromenade in Lindau. Het stadje Lindau is niet meer dan twee vierkante kilometer groot en ligt op een landtong omringd door het water, dat tijdens mijn bezoek jammer genoeg niet bevroren is, zoals in het beroemde gedicht ‘Der Reiter und der Bodensee’ van Gustav Schwab. Met een oude Baedeker in de hand kijk ik rond, de tijd lijkt hier te hebben stilgestaan. Een ranke, witte vuurtoren en een enorme sokkel met daarop een zittende leeuw markeren nog altijd de twee armen die de ingang tot de kleine haven vormen. Tegenover het stationnetje staat een kast van een hotel, en hoewel Couperus in zijn feuilleton de naam van zijn hotel niet noemt, ben ik er stellig van overtuigd dat hij hier, in Hotel Bayrischer Hof, verbleven moet hebben. Het hotel heeft, als enige, een grote tuin aan het water. Couperus spreekt van die tuin, waar hij, Elisabeth en Orlando het ‘Abendbrot’ gebruikten. Het was ook in die tuin dat zij besloten één dag langer te blijven, om zo de verjaardag van Couperus nog met z’n drieën te kunnen vieren. Het werd een prachtige dag, die tiende juni 1913, ze toerden langs de Bodensee en die avond in het hotel schonk Orlando zijn laatste fles Heidsieck sec uit, de champagne waar Couperus zo van hield.

Twee wereldoorlogen
Ik stap het witgepleisterde Hotel Bayrischer Hof, dat er een beetje als het Amstelhotel in Amsterdam uitziet, binnen en ontmoet daar dr. Robert Stolze, de huidige eigenaar. Van hem krijg ik te horen dat het hotel sinds de oplevering in 1854 ononderbroken in handen van zijn familie is geweest. Op mijn vraag of er nog oude registerboeken zijn, zodat ik kan achterhalen met wie Couperus (de ‘Hollandse Thomas Mann’) hier gelogeerd heeft, antwoordt dr. Stolze verontwaardigd: ‘Maar mevrouw, er zijn hier twee wereldoorlogen overheen gegaan.’ Op een toon alsof dat mijn schuld is geweest, vertelt hij dat het gebouw weliswaar intact is gebleven, maar dat er van het oude interieur niets meer over is. Na de Tweede Wereldoorlog werden er in het Bayerischer Hof Franse oorlogsinvaliden

43
ingekwartierd, met algehele uitwoning en vernietiging van familiepapieren tot gevolg. Als hij de teleurstelling op mijn gezicht ziet, geeft de huidige eigenaar mij een boekje mee met de titel 125 Jahre Hotel Bayerischer Hof. Op pagina 15 staat vader Walter Stolze afgebeeld, trots in zijn Wehrmacht-uniform. Hij is eerste officier geweest en heeft nota bene in Nederland gediend. Even later bezoek ik het enige antiquariaat van Lindau, om wat oude ansichten te kopen. Die met het Bayerischer Hof erop blijkt opvallend prijzig. De antiquaar grijnst en draait de ansichtkaart om: ‘Es gibt hier viele Sammlers’. Op de postzegel prijkt het portret van Adolf Hitler.
    Uitkijkend over het meer denk ik aan Couperus, en wat er door hem heen ging op zijn vijftigste verjaardag. Het feuilleton is op een vreemde manier onrustbarend, met een zacht voorgevoel van afscheid, oorlog en verwijdering. Ik zie de besneeuwde bergtoppen, een misthoorn loeit driemaal kort achter elkaar. Ik sta hier vandaag op mijn eigen vijftigste verjaardag en voel de motregen langzaam neerdalen.

Het was een zachte, mooie, weemoedige dag. Er was niemand om ons, die ons kende. Dien morgen had mijn vrouw mij omhelsd, zonder moquerie, een beetje ontroerd. En Orlando had gezegd: – Je bent misschien daar ginds hùn ‘groote’ auteur, maar hier ben je toch alleen maar mijn vriend, niet waar... Ik vroeg hem of hij heusch naar Smyrna moest. Hij beweerde van ja. (...) Het was mijn verjaardag, ik wilde dus niet schertsen, maar voelde mij toch ook niet onuitstaanbaar. Er was iets dankbaars in mij en ook wel iets héel, héel weemoedigs. Die weemoed hing in de lucht, weefde om de boomen, zweefde over het water van de Bodensee... Er was iets mats, iets liefs, iets dankbaars ook in, en dan, iets zich maar schikken in wat niet anders kòn. En het niet tragiesch op nemen... als men reeds vijftig is... Ik sliep niet veel die nacht, na mijn stillen, zácht lieven, weemoedigen verjaardag. Dien volgenden dag brachten wij Orlando naar zijn Weenschen expres... Ik heb u immers gezegd, dat Smyrna zoo een allerliefst oord is om den zomer door te brengen... Terug zien, afscheid nemen... met de hoop elkaâr weêr terug te zien: wij ‘Indische menschen’ o wij kennen het zoo, niet waar... En wij, wij gingen naar München...

Uit: ‘Ter uwer verjaring’, feuilleton van 18 juni 1913 uit Het Vaderland. Opgenomen in: Van en over mijzelf en anderen, tweede bundel [juni 1914]. Het citaat is overgenomen uit Volledige Werken Louis Couperus, deel 27, p.327-328.

Dit is het negende deel in de serie ‘Het favoriete fragment van...’, waarin verschillende auteurs hun licht laten schijnen op de mooiste, ontroerendste of opmerkelijkste passage uit het werk van Louis Couperus.
    José Buschman is historica en medeoprichtster van het Louis Couperus Genootschap. In 2007 verschijnt bij Uitgeverij Bas Lubberhuizen haar boek over Louis Couperus in Noord-Afrika.

(Uit: Arabesken 14 (2006), nr.27, p.42-43.)