Het favoriete fragment van… Martijn Icks
‘Kunstig beweeg van onzichtbare spieren’

DOOR 

Zoals velen ontmoette ik Couperus voor het eerst in het klaslokaal, tijdens de lessen literatuurgeschiedenis op de middelbare school. Ik herinner me dat De berg van licht in het lesboek werd aangehaald. Het onderwerp van de roman – de uitspattingen van een jonge zonnepriester die korte tijd het Romeinse rijk regeert, zoiets stond in de samenvatting – klonk intrigerend, maar omdat ik hem in de lokale bibliotheek niet kon vinden, koos ik voor mijn leeslijst De stille kracht en Iskander. Het eerste boek vond ik wat langdradig, het tweede kon me wel bekoren. Ook toen al ging mijn belangstelling voornamelijk naar de Oudheid uit.
    Na mijn eindexamen verloor ik Couperus uit het oog. Ik ging in Nijmegen studeren (Geschiedenis) en honderdduizend andere dingen slokten mijn aandacht op. De schrijver en ik hadden nog wel een vluchtige ontmoeting in de Nijmeegse bibliotheek, waar ik alsnog De berg van licht te pakken kreeg, maar de roman bleek tamelijk ontoegankelijk geschreven te zijn en ik legde hem al snel weer aan de kant.
    Twee dingen brachten de Haagse schrijver terug op mijn pad. Het eerste was mijn stageproject, dat ik uitvoerde in dienst van het Louis Couperus Museum. Het museum wilde een tentoonstelling organiseren rond het thema homoseksualiteit en het werk van Louis Couperus. Eén van mijn docenten, dr. Stefan Dudink, was benaderd met het verzoek een begeleidende tekst te schrijven. Hij had daar zelf geen tijd voor, maar vroeg of ik er geen interesse in had. Ik stemde toe en boog me voor het eerst in jaren over enkele werken van Couperus: Noodlot, De komedianten en – eindelijk – De berg van licht. Nu ik wat verder in die roman doordrong, werd ik er al snel door gegrepen.
    Het tweede ding dat me weer met Couperus in contact bracht, was mijn proefschrift. Ik had Oude Geschiedenis als specialisatie gekozen en schreef mijn scriptie over Heliogabalus, de beruchte Romeinse kindkeizer. Dat onderwerp bleek zo interessant dat ik er vervolgens ook mijn proefschrift aan wilde wijden. Nu wilde ik echter ook het Nachleben van de jonge heerser, zijn voortleven in kunst en literatuur, in mijn onderzoek betrekken. Opnieuw moest ik De berg van licht onder de loep nemen.
    Inmiddels heb ik aardig wat boeken van Couperus gelezen, maar De berg van licht blijft mijn favoriet. Dat heeft natuurlijk veel met de setting en de hoofdpersoon te maken, maar dat zijn niet de enige redenen: ook het prachtige taalgebruik (ontoegankelijk misschien, maar zo creatief en beeldend), de psychologische uitdieping van de keizer en bovenal het tragische verhaal van zijn ondergang spreken me erg aan. Het boek wordt alleen maar knapper als je de antieke bronnen kent: dan pas zie je hoe meesterlijk Couperus alle elementen tot een dramatische eenheid heeft gesmeed, vaak door er een eigen draai aan te geven.
    De berg van licht was aanvankelijk niet als roman bedoeld. Couperus wilde in eerste instantie alleen de dans van Heliogabalus (of Bassianus, zoals hij ook werd genoemd) in de zonnetempel beschrijven; de rest van het verhaal is er omheen gegroeid. De uitgebreide beschrijving van de dans, waarbij de jonge priester de uitzinnige menigte als een popster opzweept, is dan ook een van de meest evocatieve en mooist geschreven

27
passages uit het boek. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het moet zijn geweest om in 218 in Syrië te zijn en tussen de soldaten te staan, kijkend naar de dans van de toekomstige keizer. Couperus beantwoordt die vraag op een wijze die geen historicus kan overtreffen:

Langzaam boog Bassianus de handen op en neêr, hief ze hooger, als reikte hij het verlangen den hemel toe. Zijn zilveren lichaam ving heel zachtjes aan te golven, heen en weêr, als deinde hij lichtelijk op den adem van zang, als ware hij een groote lelie, die op waai van zachten wind bewoog. Zijne oogen zagen niet strak meer, maar droomden heel ver weg, en zijn glimlach werd van ontferming aanbiddelijk. Heen en weêr, heen en weder deinde hij, de handen vaag geheven in reiking, òpheffing, en zijn zilverwitte leden wisselvloeiden van licht; zijn juweelen schoten vònken, telkens de zelfde, doofden, en vònkelden weêr. Plots sloegen alle cymbalen te gelijker tijd, en die veelvoudige slag was een schrik. De Menigte schrikte, hijgde. Op den cymbelslag had Bassianus zich voor-over op eenen voet gewiegd, den andere àf van den grond, en zoo wiegelde hij in evenwicht, kunstiglijk, als wiegelde hij weg van de aarde, in stralenden droom. Hij zweefde: zijn voet, zichtbaar in de linten des schoeisels, wreefde hoog, zoolde hol naar binnen; op de tip van de tenen beéfde hij, los van de aarde, heen. Zijn ogen smachtten ten hemel, maar zijn glimlach lokte de van liefde galmsmachtende Aarde hem te volgen… Sistra snerpten, en plotseling, onverwachts, wirrelde hij op den tenentip in het rond, draaide als een glinsterende tol, stond stil, begon, langzamer, om den Steen te gaan in ritmische wringing; zijn geheele lichaam wrong nu en telkens voor de oogen der zwelgende Menigte wisselde de volmaakte lijn van zijn lichaam: nù was het de snelle golving, van hals over even schraal schouderblad-gevleugelde rug en heel smalle leest omgegordeld, naar teederlijk rond welvenden onderrug, en lintomstrengeld slank achterbeen, nog even gestrekt, zich dan inhalende, en den voet voór plaatsende, hiel van den grond, op druk van zweef-lichte teen; dàn wirrelde hij om en men zag hem van voren, òmwendende, zoo dat zijn knapeborst uitzette en zwol tot een boezem van maagd, dubbel roze getipt onder het halssnoer, terwijl de maagholte introk, zich de ribben heel teêr duidelijk teekenden, en de buik tusschen den dalenden gordel op en neêr scheen te schokken in kunstig beweeg van onzichtbare spieren.

De mitra hem afgenomen, sloeg hij de armen rondom den kruin, steunde zich het achterhoofd in de armen en zijn lijf boog naar achteren, naar den Zwarten Steen toe, en meer en meer, tot het scheen of hij breken zoû. Iedere lijn van zijn lichaam zwolg de Menigte; dronken stond zij puiloogend op de bloem van zijn navel te staren. Maar de cymbels sloegen en hij richtte zich plotseling, wirrelde in een spiraal van verstraling, zoó snel, dat hij niet was dan een trilling zilverwit, goudstip overvonkeld. Tot hij zich weêr boog, maar rug gekeerd naar de Menigte nu, zoo

28

dat zij rug over onderrug héen zagen knakken, spanbogen de beenen, en het gelaat naar achteren hing, met oogen lachlonkend van onder-op. Hij knakte in halven cirkel, steeds lager, steeds ronder, in lenigheid onbegrijpelijk, en die onderhouden moest zijn door vele beweging, en balsemzalving; zijn armen bewogen vaag; hij was als een plant, wier stengel achterover kwijnt en zijn hoofd was een grote goud-witte bloem, met oogen, die de Menigte lonkten… Een bewondering, krijschbrullend, ontsnapte aan den groep der gladiatoren dichtbij, omdat zij, mannen van lichaamsoefening en -kennis het ongelooflijk hadden geacht, dat een tengere knaap zoo laag en zoo lang en zoo rond zich achterover hield gebogen, en noch ruggestreng brak, noch zelfs maar evenwicht even verloor… Bassianus’ glimlach verbreedde zich en langzaam, op cymbaalslaagjes, bloeide hij met schokjes omhoog, wirrelde, stond recht, de armen geheven, triomfeerend. Niet meer dan een roode blos tintte zijn voorhoofd, geen ader was zichtbaar gezwollen.

Uit: De berg van licht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 24, p.62-64.
Tekening door Laura van den Hengel.

Dit is het twaalfde deel in de serie ‘Het favoriete fragment van...’, waarin verschillende auteurs hun licht laten schijnen op de mooiste, ontroerendste of opmerkelijkste passage uit het werk van Louis Couperus.
    Martijn Icks is promovendus Oude Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In 2006 verscheen van hem het Couperus Cahier
Heliogabalus: geschiedenis, droom en nachtmerrie. Historische achtergronden bij De berg van licht.

(Uit: Arabesken 16 (2008), nr.31, p.26-28.)