Het favoriete fragment van… Petra Teunissen-Nijsse
‘Ik wil slechts de Seconde’

DOOR

De komedianten natuurlijk!’ Dat was mijn eerste gedachte toen de redactie van Arabesken mij vroeg om een favoriet fragment uit Couperus’ werk te kiezen. Deze antieke roman is één van mijn lievelingsboeken en staat vol met prachtige scènes. De druipende openingsscène bijvoorbeeld of het gehos van de knaapjes Cecilius en Cecilianus op de knieën van Colosseros. Toen ontdekte ik dat de openingsscène al als allereerste favoriete fragment in Arabesken had gestaan. Voor de afsluiting van deze reeks koos ik dus een verhaal uit een ander dierbaar boek: Het snoer der ontferming. [1]
    De Japanse verhalen en legenden van Het snoer der ontferming [2] zijn Couperus’ laatste werk geweest. Tijdens zijn reis naar Japan in 1922 werd hij letterlijk doodziek. Wekenlang lag hij in een ziekenhuis in Kobe. Waarschijnlijk las hij daar vele Japanse mythen en legenden in vertaling in het werk van Edmond de Goncourt en Hadland Davis. Na terugkeer in Nederland schreef hij zijn eigen Japanse verhalen voor Groot Nederland. Pas na Couperus’ dood, najaar 1923, publiceerde dit tijdschrift het ontroerende ‘De Aestheet’. In dit verhaal komen al Couperus’ kwaliteiten bij elkaar: zijn meesterlijke beschrijvingskunst, spanningsopbouw, levendige portretten, emoties en milde spot. Bovendien is dit één na laatste verhaal in Het snoer der ontferming te lezen als een soort testament. [3]

Miniroman in contrasten
‘De Aestheet’ verhaalt over de laatste uren van theeceremoniemeester Sen–no–Rikyn. Hij is in ongenade gevallen bij de wrede heerser Hideyoshi en pleegt in diens opdracht zelfmoord met een ceremonieel zwaard. In slechts achttien bladzijden ziet Couperus kans om een miniroman te schrijven. Compleet met natuurbeschrijvingen, portretten, een conflict en twee klassieke Japanse rituelen: een theeceremonie en harakiri.
    ‘De Aestheet’ is opgebouwd uit contrasten. De tegenstelling tussen Sen-no-Rikyns verfijnde leerling O-Cha en de monsterreus Hideyoshi alias ‘Apesmoel’ levert prachtig proza op. Couperus leeft zich helemaal uit in de contrastrijke beschrijvingen van het weelderige paleis van Hideyoshi en de uitgekiende eenvoud van het theepaviljoen. Een derde ‘contrastpaar’ is het ceremoniële hofleven van de tiran tegenover de verstilde wabi cha, de theeceremonie. Tot slot is er de spanning tussen de lieflijke omgeving en de gruwelijke zelfmoord. De slotzinnen doen wat dreigende sfeer betreft niet onder voor die in ‘De Binocle’: ‘Nauwlijks was het rinnende bloed, vermillioen, te onderscheiden van de hier en daar opschemerende, rood gelakte drempels, omdat die in de maneschijn diep glansden als met een bloedkleur.’

Bronnen
Couperus liet zich voor de beschrijvingen in Het snoer der ontferming van de natuur, de kleding en de interieurs inspireren door prenten van de Japanse tekenaars Utamaro en anderen. Volgens H.T.M. van Vliet is de beschrijving van Hideyoshi gebaseerd op Utamaro’s prent ‘The Taikô and His Five Wives on an Excursion to the East of Kyoto’. Het was hem niet bekend waaraan Couperus alle bijzonderheden over Hideyoshi en het verhaal over de estheet heeft ontleend. [4]

39
De precieze bron heb ik ook niet kunnen vinden, maar Couperus kan in allerlei geschiedenisboeken over de historische Sen-no-Rikyn (1522-1591) gelezen hebben. Sen-no-Rikyn of Rikyu was namelijk een grote beroemdheid. Alhoewel hij niet de eerste theemeester was, wordt hij nog steeds beschouwd als de eerste theemeester die de theeceremonie vastlegde in honderd regels. Het was shogun Hideyoshi Toyotomi die Rikyu verzocht de oude regels te herzien. Rikyu vereenvoudigde de theeceremonie in overeenstemming met de eisen van het zenboeddhisme. [5] Hij stond aan de bron van het concept van wabi (eenvoud). Hij richtte zich op sociale harmonie en de esthetiek van minimalistische schoonheid. Zo verving hij het luxe Chinese porselein door handgemaakte Japanse keramiek. [6] Rikyu heette vanaf dat moment ‘De Stichter van de Volkomen Kunst’. [7] Hideyoshi was gefascineerd door de theeceremonie. Hij gebruikte het ritueel voor politieke en diplomatieke doeleinden om Japan bijeen te brengen onder zijn heerschappij. Hij hield diverse grote theeceremonies, onder andere in 1587, waarbij hijzelf en Rikyu de thee bereidden.
    Hoewel we niet exact weten waarom Hideyoshi Rikyu dwong tot zelfmoord, wordt wel gesuggereerd dat er een conflict was over het gebruik van thee als spiegel van de nieuwe sociale orde die Hideyoshi probeerde in te stellen na zijn machtsovername. [8]

Arbiters-van-elegante-dingen
De invloed van Rikyu op de Japanse theeceremonie, de keramiek, de architectuur en de idealisering van wabi sabi is nauwelijks te overschatten. Hij is vereerd met een standbeeld en zijn gedichten zijn uitgegeven. Zijn theehuis Taian, twee matten breed, in Myokian bij Kyoto, is verklaard tot Japans erfgoed. Het dramatische verhaal van Sen-no-Rikyu inspireert ook nu nog kunstenaars. Regisseur Hiroshi Teshigahara maakte in 1989 de film Rikyu over het conflict tussen Rikyu en Hideyoshi Toyotomi. [9] Die film bevat een beroemde anekdote over Rikyu’s esthetica: ‘Toen Hideyoshi hoorde over de prachtig bloeiende morning-glories (winde) in Rikyu’s tuin, wilde hij ze zien. Toen hij de volgende morgen Rikyu’s tuin betrad, was er geen bloem meer te zien. Hij stapte verbaasd de theekamer in en zag daar één bloeiende morning-glory in alle glorie.’ Iets van dit verhaal vinden we terug in ‘De Aestheet’: ‘het vijvertje, waarin eene enkele waterlelie slechts lag te bloeien’. Het is niet bekend of Couperus Taian bezocht heeft, maar hij heeft wél een klassieke theeceremonie bijgewoond in Japan. Hij schreef in Nippon: ‘De thee-ceremonie is een verfijnde plechtigheid, die reeds eeuwen geleden – noem het een soort decadente periode van overbeschaving – in hare gecompliceerde wetten was voorgeschreven door de estheten en arbiters-van-elegante-dingen, die den toon aangaven.’ [10] De thee smaakte hem afschuwelijk, ‘het was borrelende groene schuim’, maar het werd ‘allerliefst opgediend’. De elegantie van de bijeenkomst sprak Couperus aan. Het inspireerde hem wellicht tot het schrijven van het verhaal van Rikyu, de estheet bij uitstek. [11]

Nuance en ironie
Couperus volgt in ‘De Aestheet’ de historische verhalen over Rikyu redelijk trouw. Een belangrijke eigen toevoeging is echter de figuur O-Cha. De tengere zeventienjarige leerling van Rikyu moet samen met zijn meester sterven. [12] Zelfs in zijn doodsnood weet hij zich te beheersen op verzoek van Rikyu, die ‘Zelfbeheersching en Overgave’ eist. Door de gewoon-menselijke reacties van O-Cha en de andere leerlingen [13] op Rikyu’s ernst nuanceert Couperus Rikyu’s strenge esthetiek. Hij spot er zelfs licht mee. Dat milde mede-

40
dogen met de kleine Japanse zielen in het loodzware verhaal, maakt de beschrijving van de theeceremonie tot mijn favoriete fragment:

Binnen het theepavillioen waren, met O-Cha, de drie jonge leerlingen bezig de thee te bereiden in opperste ceremonie. De aestheet gerezen, zette zich, gehurkt op de wreven, op het lange, gele, zijden kussen. Vóór hem, in de diepe stoof, in het midden van het pavillioentje, kookte in de bronzen pot het water.
– Ik zal proeven, O-Cha, of het is water uit de linksche bron, of water van de rechtsche beek, zeide de aestheet en de jonge knapen bogen en zeiden de ‘eervolste’ dingen.
Zij bereidden de thee, terwijl de aestheet toezag. Iedere beweging was als een avondbloem, die ontlook in deze weeke pavillioen-stemming, tusschen de hooge, dunne, geurig walmende lampen. De thee zoû niet zijn de ‘dauw-thee’, die is de morgenthee, getrokken op het bronwater, dat nog geurt van den eersten dauw. De thee zoû niet zijn de ‘pijn-thee’, die is de middagthee, geurig van pijnnaalden, in den middagzon doordrongen van aromen. De thee zoû zijn, zeér weinig, keizerthee, uit China gesmokkeld, uit de eigene keizerlijke theetuinen, waar maagden van edele geboorte haar plukten met langnagelige vingeren. Deze thee, tot poeier gewreven, mengden de knapen met enkele bladen van theerozen, geplukt in de lente en gedroogd. En met twee, drie camelia- knoppen. Toen het water zichtbaar en hoorbaar ziedde op den juisten graad, schepte O-Cha – wèl heette hij te recht Allereervolste-Thee! – met goudlaklepel aan langen steel het uit den bronzen ketel en goot het wazemend straaltje in den trekpot van gecraqueleerd Chineesch porcelein, teederst blauw van patine dat was door de beide broeders Tchang gecreëerd, in de elfde eeuw en zoo waren de miniatuur kopjes en schoteltjes, die stonden op lage, verlakte, vierkante tafeltjes. En elk voorwerp in het theepavillioen, waar de kunstvol geschikte keizersbloemen en eschbladeren, tusschen den wolkenden wazem van het theewater, decoratief, éven slechts, den achtergrond vulden tegen de gladde, cederen wandpaneelen, was iets van uiterste weelde-artisticiteit, door bedachtzaamheid, overweging en langdurigen verzamelaarsmanie eindelijk zoó verkregen, in schoonheid onmogelijk na te volgen, minder een gevolg van zeér kostbare uitgave dan wel zoó geworden, in den loop van aesthetiesch doorleefde jaren, door liefde voor zulke dingen en deze liefde tot in alleruiterste gekunsteldheid ge-eerediend. Er was niets, dat schokte en de knapen, tusschen deze fijne dingen, in deze atmosfeer van, de zinnen als glimlachend teeder prikkelende, mijmerwellusten, zorgden steeds, met inwendige vreezing, geen pinkgebaar zelfs te maken, dat den aestheet niet ge-eigend aan dit, hem zoete, oogenblik zoû zijn, hoe zij ook tegen elkander spottende glimlachten onmerkbaar, omdat zij het geheel allerdolst vonden en lachwekkend.

Dit was de Cha-no-Yu, de Theeceremonie, de Thee, die de Levensverrukking geeft, in het Chineesch Yu, in het Japansch Ah! ge-ideografeerd. Dit was de Thee-ceremonie onder de oogen van den Thee-meester, Sen-no-Rikyu, die zijne laatste levens-ode gedicht had en tusschen de laatste bloemen, die geschikt waren volgens zijne wetten. Dit was als de Zen-priesters het hadden voorgeschreven in hunne levenskunst, die het aardsche niet ontkende maar verfijnde, en dit was als de aestheet zelve het nog oververfijnd had. Alleen met een dergelijk bereid, even groen schuimend kop vloeibare jade, ‘thee’ genaamd, was deze Seconde te eindigen, in Zelfbeheersching en Overgave. [14]

41
Seconde
Couperus voegde nóg een eigen element aan Rikyu’s verhaal toe: zijn afscheidsgedicht. Volgens overlevering had Rikyu twee afscheidsgedichten geschreven, één in het Chinees en één in het Japans. Het Japanse gedicht luidt in vertaling:

I raise the sword,
This sword of mine,
Long in my possession-
The time is come at last-
Skyward I throw it up!
[15]

Couperus laat Rikyu echter een ander gedicht voordragen en herhaalt de laatste twee coupletten vlak voor de zelfmoord:

Ik wil slechts de Seconde.
Al werelds druk
Is mijn Geluk
Ontwonden.

Wat deert dan làtere Ure?
Hoe kort ook
Gelijk bloemerook
Mij déze weelde dure??

De Tijd kan haar mij rooven,
Maar volgde op haàr

42

Eén dag, eén jaar,
’k Zoû Eeuwigheid die looven!

Maar ’k vraag slechts de Seconde,
En zoo in zwart(e)
Nacht de Smart
Mij oóit bedreigen konde,

Tel ik de ènkele stralen
Van ’t kort Verleên,
Al dreef dit met den Eeuwstroom heen
Millioenen en milliarden malen! [16]

De aestheet was gelukkig. Dien volgenden dag, deze nacht wellicht zoû zijn leven, zijn sierlijk kunstleven gedaan zijn maar wat kwam er dit op aan? Of men leefde een eeuw, een dag of een úur... wat kwam er dit op aan, als dat enkele uur slechts uitgekozen ware! Als slechts de enkele eeuwigheidseconde, die men leefde er eene was van zorgvuldig gekweekte schoonheid! [18]

De dood was onvermijdelijk, maar nooit een verschrikking in de Japanse verhalen, noteerde Bastet. ‘Daarmee staat ook het Snoer der ontferming in de reeks van romans en verhalen waarin het Noodlot zo een belangrijke rol speelt. Het is er zelfs het juwelen sluitstuk van. Couperus wist dat hij niet werkelijk leefde, maar in diepste wezen geleefd werd.’ Bastet noemt het boek in zekere zin ‘een geestelijk testament’. [19] Mijns inziens bood Couperus met het gedicht over De Seconde zichzelf en zijn lezers tóch een troost voor het onvermijdelijke Noodlot: het belang van het moment. Het gedicht komt namelijk ook voor in Couperus’ feuilleton ‘Intieme impressie VII’, gepubliceerd in Het Vaderland van 18 maart 1923. Couperus filosofeert daar over de vraag ‘Wat is geluk?’ [20] Tegenover al het ongeluk in het leven zet hij de waarde van een kort moment van geluk: ‘En eigenlijk telt een dergelijk oogenblik, eene dergelijke seconde meer in ons leven, zelfs al pletterde het Ongeluk over ons neer, dan de maanden, dan het jaar van het ongeluk. Want dit weten wij, dat ons deel is op deze wereld; wij zijn op deze Hel niet anders geboren dan om het Ongeluk over ons te voelen neêrdaveren. Maar er is ons tevens gegeven het kleine, glanzende geschenk van het Geluk, met de, even als het Ongeluk zelve, onverwachte gelukkige Seconde (…).’ Hij vervolgt over een Japansch gedicht, dat hij ‘onlangs hoorde zingen in vreemde klanken, enkele maar, maar deze zéér rijk en vol, overvol van beduidenis’. Hij citeert het bovenstaande gedicht en besluit zijn Intieme Impressie met een wijze raad aan al zijn lezers: [21]

Het dunkt mij niet alleen verheven, het dunkt mij ook practisch en ik hoop hem na te kunnen volgen en wensch u, mijn lezer, deze heerlijke wijsheid toe: één enkel lief oogenblik te waardeeren uw leven lang en àl het verdriet en ongeval, dat u overkwam gedurende vele bittere jaren, niet meer te tellen dan de onvermijdelijke verdrietelijkheid van alle menschelijk lot.

Couperus heeft ons vele lieve ogenblikken nagelaten om te waarderen.

43
Dit is het achttiende en laatste deel in de serie 'Het favoriete fragment van...', waarin verschillende auteurs hun licht lieten schijnen op de mooiste, ontroerendste of opmerkelijkste passage uit het werk van Louis Couperus.
 
Noten
1. Het is een wrang toeval dat de opzet voor deze bijdrage werd geschreven vlak vóór de verwoestende aardbeving en tsunami in Japan van vrijdag 11 maart 2011.
2. Louis Couperus, Het snoer der ontferming en Japansche legenden. Volledige Werken Louis Couperus, deel 47.
3. Couperus had ‘De Aestheet’ bedoeld als allerlaatste verhaal, Elisabeth Couperus-Baud heeft het verhaal ‘De koelie’ aan de bundel toegevoegd. Zie de verantwoording van Volledige Werken Louis Couperus deel 47, p.224.
4. H.T.M. van Vliet, Eenheid in verscheidenheid. Over de werkwijze van Louis Couperus. Amsterdam/Antwerpen, 1996, p.291-322.
5. Overigens waren drie van zijn leerlingen christenen, waaronder Furuta Oribe.
6. Zie voor een introductie van Japans keramiek: Menno Fitski, ‘Keramiek voor de Japanse theeceremonie’. In: Cachet 2004, nr.28. Zie ook: http://www.cultuurwijzer.nl/cultuurwijzer.nl/cultuurwijzer.nl/i000219.html.
7. Over het belang van Rikyu voor de Japanse theeceremonie zie ook: Herbert Plutschow, Rediscovering Rikyu and the Beginnings of the Japanese Tea Ceremony. University of California, 2003.
8. Herbert Plutschow, ‘An Anthropological Perspective on the Japanese Tea Ceremony’. In: Anthropoetics 5, nr.1 (Spring/Summer 1999).
9. De film is te zien op http://www.tudou.com/programs/view/gUHdpePHtRQ.
10. Louis Couperus, Nippon. Volledige Werken Louis Couperus, deel 48, p.53.
11. Over Couperus’ voorliefde voor thee zie mijn eerdere artikel in Arabesken: ‘“De theestoof is de rigueur.” Louis Couperus en de negentiende-eeuwse theecultuur’. In: Arabesken 13, nr.26, p.4-14.
12. Wellicht heeft Couperus O-Cha gemodelleerd naar Rikyu’s even beroemde leerling Oribe, die in 1615 ook door zelfmoord een ontijdig einde vond.
13. Zo komen de vertederende knaapjes uit De komedianten ook in dit verhaal terug…
14. Louis Couperus, Het snoer der ontferming, p.142-143.
15. Het Chinese gedicht luidt: Seventy years of life / Ha ha! and what a fuss! / With this sacred sword of mine, / Both Buddhas and Patriarchs I kill! De gedichten zijn onder andere te vinden op http://wiki.chado.no/Sen%20 Rikyu. Couperus kon dit gedicht niet gebruiken omdat hij Rikyu laat sterven door een zwaard dat hij van Hideyoshi krijgt.
16. Ik hoop dat een Japanoloog eens de bron van dit gedicht kan vinden.
17. F.L. Bastet, ‘Nawoord’ bij Louis Couperus, Het snoer der ontferming en Japansche legenden, ed. Salamander, 1984, p.225-233 en Frédéric Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Amsterdam, 1987, p. 673.
18. Louis Couperus, Het snoer der ontferming, p.141.
19. F.L. Bastet, ‘Nawoord’ bij Louis Couperus, Het snoer der ontferming, 1984, p.225-233. Zie ook: Judith Vriesendorp-Gijsbers, ‘Het snoer der ontferming. Verhalen van een fatalist?’ In: Bzzlletin 17, nr.151 (speciaal Couperus-nummer), 1987, p.65-74.
20. In Louis Couperus, Ongebundeld werk, Volledige Werken Louis Couperus, deel 49, p.611.
21. Met deze interpretatie van het boeddhisme was Couperus zijn tijd ver vooruit. Zijn citaat zou niet misstaan in de nu razend populaire handboeken voor mindfulness.

(Uit: Arabesken 19 (2011), nr.37, p.38-43.)