Het favoriete fragment van... Peter van Zonneveld
De geheimzinnige weemoed der Indische zeeën

DOOR

De stille kracht is de mooiste roman van Louis Couperus. Ik ben er meer op gesteld dan op de Max Havelaar en beschouw het als het absolute hoogtepunt van de Indische literatuur. Vrijwel alle thema’s en motieven die bepalend zijn voor de Indische bellettrie komen in deze roman aan bod: van de relatie tussen regent en resident tot de verhouding tussen de Europeaan en zijn huishoudster, van de opkomst van de islam tot de Indo-problematiek, van de feodale sfeer waarin welgestelde Indische families leefden op het land tot de zwaarmoedige stilte van het deftige Batavia. Het valt niet mee om daarbinnen de mooiste passage aan te wijzen, maar als het dan toch moet, kies ik voor een fragment uit het eerste hoofdstuk. Resident Van Oudijck, vermoeid van zijn werk, maakt een avondwandeling naar de kust. Hij wordt vergezeld door zijn oppasser, die met een tali api, een vuurtouw, aangeeft welke hooggeplaatste hier voorbijgaat. Aan zee gekomen staart de resident een tijdlang voor zich uit:

In dit oogenblik, moê van het cijferen, opademende in den wind, ademde hij tegelijk met de frischheid van de zee den weemoed van de zee in, den geheimzinnigen weemoed der Indische zeeën, den opspokenden weemoed der zeeën van Java; de weemoed, die aanruischt van verre als op suizende wieken van geheimzinnigheid. Maar zijn natuur was niet om zich over te geven aan mysterie. Hij ontkende het mysterie. Het was er niet: er was alleen de zee en de wind, die frisch was. Er was alleen de walm van die zee, als iets van visch en van bloemen en zeewier; walm, die de frissche wind uitwoei. Er was alleen het oogenblik van herademing, en wat hij, onafweerbaar, voor geheimzinnigen weemoed voelde toch sluipen in zijn, dien avond, wat weeke gemoed, dacht hij te zijn om zijn huislijken kring, dien hij liever wat nauwer gevoeld had, dichter sluitende om wat in hem was vader en echtman. Was er van weemoed nog iets, dan was het dàt. Uit de zee kwam het niet; uit de lucht aan, van verre, niet. Hij gaf zich niet over aan een allereerste sensatie van wonderlijkheid… En hij plantte zich steviger, welfde zijn borst, richtte-op zijn flinken, militairen kop en snoof, snoof den walm in en den wind…

29

De hoofdoppasser, neêrgehurkt, met zijn gloei-vuurtouw in de hand, gluurde aandachtig op naar zijn heer, als dacht hij: wat doet hij hier zoo vreemd te staan bij den vuurtoren… Zoo vreemd, die Hollanders… Wat denkt hij nu… Waarom doet hij zoo… Juist op dit uur op deze plek… De zeegeesten waren nu om… Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest… Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren… Wat doet de Kandjeng Toean nu hier… Het is hier niet goed, het is hier niet goed… tjelaka, tjelaka… En zijn spiedende oogen gleden op en neêr langs den breeden rug van zijn heer, die maar stond en uitzag… Waar zag hij naar toe…? Wat zag hij aanwaaien in den wind…? Zo vreemd, die Hollanders, vreemd…

De eerste alinea is heel typerend voor Couperus: het terugkeren van woorden en zinnen die steeds sterker, steeds nadrukkelijker worden, als een bezweringsformule. Hoe moet je dat omschrijven? Om die kenmerkende Couperiaanse stijlfi guur aan te duiden kan ik niets beters bedenken dan de term cumulatieve herhaling. De verteller presenteert die weemoed van de zee als een feit, als een natuurverschijnsel dat Van Oudijck weliswaar ervaart, maar niet als zodanig onderkent. Hij stelt zich niet open voor die maritieme melancholie, maar schrijft het effect daarvan aan iets anders toe, aan wat hij mist in zijn huiselijke kring.
    In de tweede alinea richt de verteller zijn aandacht op de oppasser. Zulke ondergeschikte vertegenwoordigers van de inheemse bevolking krijgen zelden een stem in de Indische literatuur. Elders in de roman worden de gedachten van de regent weergegeven op een manier waaruit blijkt dat de verteller die gedachten kent, maar het opvallende hier is nu juist de formulering ‘als dacht hij’, met de nadruk op ‘als’. De verteller weet niet, maar vermoedt. De passage geeft ook prachtig de afstand weer tussen de Hollander en de Javaan, een distantie die onoverbrugbaar lijkt en daardoor vooruitwijst naar de centrale idee van de roman. Bovendien is het natuurlijk een vooruitwijzing naar de geheimzinnige krachten die later in stilte hun werk gaan doen, dwars tegen de luide kracht van de overheerser in. En is de angst van de oppasser uiteindelijk ook niet een metafoor voor Couperus’ eigen visie op Insulinde, omdat hij dat zelf toch vooral als bedreigend ervoer?

Dit is het zevende deel in de serie ‘Het favoriete fragment van…’, waarin verschillende auteurs hun licht laten schijnen op de mooiste, ontroerendste of opmerkelijkste passage uit het werk van Louis Couperus. Het citaat is afkomstig uit De stille kracht. Volledige Werken Louis Couperus, deel 17, p.10-11.

(Uit: Arabesken 13 (2005), nr.25, p.28-29.)