Een vraaggesprek met Adriaan van Dis
Tegen de smaak van de tijd, opinies en columnistengeklets

Adriaan van Dis. Detail van een foto van Bert Nienhuis  

Parallellen tussen Louis Couperus en Adriaan van Dis (1946) zijn niet moeilijk te trekken. Beide auteurs zijn reislustige estheten met een Indische achtergrond. En ook voor Van Dis blijkt Nederland uiteindelijk te klein. Ik trof hem tussen de verhuisdozen in een vrijwel leeg appartement; de schrijver vertrekt naar Parijs. Officieel en misschien wel definitief.

DOOR 

‘Ik heb Couperus voor het eerst ontmoet in het Grand Théatre Gooiland. In de persoon van Albert Vogel, die een voordracht gaf. Daar stond een man met een strakke zwarte bril, die naast een palm, leunend op een klein hoog tafeltje, vertelde van en over Couperus. Toen ik hem “De binocle” hoorde voorlezen, met die meneer met dat fascinerende kale hoofd, dacht ik: “Dit is toneel.” Nu wilde ik al toneelspeler worden, maar zó toneelspelen, enigszins gemaniëreerd en toch zo prachtig van taal, dat sprak mij zeer aan. Ik was toen zeventien. Vanaf dat moment ben ik Couperus gaan lezen.’
    ‘Zo is het dus begonnen, met een voordracht. Met de toneelkant van Couperus. De kant die we tegenwoordig een beetje aanstellerig vinden. Ook in zijn eigen tijd werd de man trouwens al bespot door al die horkerige klompenmensen. Maar ik beschouwde kunstenaars in de eerste plaats als bevlogen mensen met een sierlijke levensstijl, die niet ’s avonds in hun lelijke klof aardappels staan te jassen. Precies zoals Couperus was: een harde zwoeger, maar voor de buitenwereld een elegant meneertje dat onberispelijk gekleed langs de straten flaneerde. Niet gaan zitten zeuren dat het leven even tegenzit; je moet er gewoon behoorlijk uitzien. In die zin is Couperus een held voor me geweest. Ook was ik toen erg bezig met de keuze tussen homo- en heteroseksualiteit, en daarin sprak Couperus ook een woordje mee. Maar daarna kwamen er heel veel anderen.’
    ‘Ik ben Couperus gaan lezen voor mijn boekenlijst: Van oude menschen… en Eline Vere. Hoewel ik de laatste roman nooit herlezen heb, blijft het mijn favoriete boek van Couperus. Ik werd erin opgezogen. Vooral bepaalde woorden vond ik erg mooi, poudre-de-riz bijvoorbeeld. Couperus is een betere stilist dan zo’n hoekige schrijver als W.F. Hermans, die ik een groot schrijver vind, maar een lelijke stijl heeft.’

De dingen die niet verteld werden
‘Ik ben niet opgevoed met Couperus. Ik ben grootgebracht in een huis van oud-indischgasten waar veel petroleumstelletjes pruttelden en Indië als het ware uit de stoom naar

25
boven kwam. Ik herkende wel veel in Van oude menschen…, die wereld van dingen die niet doorverteld werden, die werden weggestopt onder het karpet. Ik ben zelf een onwettig kind. Mijn vader had nog een vrouw en twee kinderen, over wie niet gesproken werd. Zijn overgrootvader bleek met een inlandse vrouw getrouwd te zijn geweest, maar die kleur werd totaal niet erkend: we hadden zogenaamd Italiaans bloed, omdat de kleur van de familie toch verrassend bruin bleef. Later hoorde ik het werkelijke verhaal.’
    ‘Ik was klein toen we in het repatriëringhuis leefden. We waren daar niet bezig met literatuur, maar met de oorlog die geweest was en met de oorlog die nog moest komen: Korea en de Russen die voor de deur stonden. Couperus speelde daarin geen rol. Thuis hadden we helemaal niets met het “romantische” en deftige Indië. Mijn moeder werd in de Nederlandse gemeenschap met de nek aangekeken, omdat ze een donkere man en drie mooie maar ook zeer bruine dochters had, dus voor ons was Indië meer een gebied van buitengewesten, van isolement, smart en discriminatie. We wilden absoluut niet in Den Haag wonen, want dat was een Indische stad, een stad van tempo doeloe en nostalgie. We hadden dan ook geen Couperus in huis. Wel de roman Rubber van M.H. Székely-Lulofs, die meer de schandalige kant van Indië benadrukte.’
    ‘Mijn moeder was getrouwd met een Indische jongen, meer dan halfbloed zelfs, die is onthoofd door de Jappen. Toen verscheen mijn vader op het toneel, met zijn “Italiaanse bloed”. Mijn vader en moeder waren veel kwijtgeraakt, beiden kwamen berooid terug in Nederland. In mijn eerste tien jaar in het repatriantenhuis was Indië sterk aanwezig, niet het Indië van tikkende klokken, maar van de kris en de worteldoek. Mijn moeder wilde

26
geen bezittingen hebben, dus we leefden in een kaal huis. Wel stond er een grote hutkoffer waar de naam van mijn vader in druipende letters op stond. Op een gegeven moment, in 1956, ging een tante dood, tante Jo, die heel rijk was en aan wie we veel te danken hebben. Zij liet ons allerlei antieke spullen na: klokken, prachtige meubelen, kuifkasten. Mijn moeder wilde daar niets van hebben en gaf alles aan de decorafdeling van de Nederlandse Televisie Stichting. Alles werd in grote dankbaarheid aanvaard. Toen later de toneelbewerkingen van Couperus op televisie werden uitgezonden, was dat in het decor van onze tante Jo. Mijn moeder zat op het puntje van haar stoel: “Kijk, daar! De klok van tante Jo!” “En daar, daar staat de kast van tante Jo!”’

Geniale zeurpiet
‘Couperus heb ik herontdekt toen ik ging reizen en een paar van zijn reisverslagen las. Ik vond hem toen geweldig, omdat hij zo evocatief schrijft, met de lezer praat, zodat je je werkelijk aangesproken voelt en meegaat met de romanticus die het oude meer waardeert dan het nieuwe. Daarin is hij een voorbeeld geweest. Niet dat ik hem daarin heb nagevolgd – niet elk voorbeeld hoef je na te volgen – maar hij bood wel inspiratie. Ik was ook jaloers op hoe hij reisde. De tienduizenden guldens die hij meekreeg van hoofdredacteur Van Oss, toen hij als speciaal correspondent van de Haagsche Post naar het Verre Oosten reisde! De auto’s, de dragers, kisten vol kleren! Dat is wel iets anders dan hoe ik vorig jaar door Frans Polynesië trok, met een handtasje van negen kilo, want meer mocht er niet mee in het vliegtuig.’
    ‘Daarom noem ik hem een geniale zeurpiet: omdat onbelangrijke dingen zo belangrijk voor hem zijn. In onze gedemocratiseerde tijden weet iedereen dat jouw reis een voorrecht is. Dan ga je niet klagen over dat niemand je koffers draagt. Je zeurt niet over het gebrek aan service. Dat snobistische, het zich van de wereld afkeren: ik vind het leuk om dat bij hem te lezen, maar zo zit ik zelf niet in elkaar. Al die mensen die gruwen van André Hazes of van McDonalds… ik vind Big Macs heerlijk. Toen ik reisde door de Taklamakanwoestijn – dat betekent “wie hier toetreedt keert nooit weerom” – was er geen stromend water en kon ik me drie weken niet wassen. Ik vind het zeer aangenaam om dat te beschrijven, te zien hoe een overhemd dat een jaar lang niet gewassen is, gaat glimmen en glanzen.’
    ‘Wat ik enorm in Couperus waardeer, is zijn stilistische zorgvuldigheid. Het is voor een auteur belangrijk de tijd te nemen en niets af te raffelen. Couperus schreef weliswaar snel, maar zijn innerlijke stem was heel nauwkeurig. Zijn stijl mag dan wel soms een beetje overdreven zijn, het meeste van Couperus is toch nog zeer leesbaar, zeker zijn reisverhalen. Zo is Nippon een hoogst modern boek, dat je eigenlijk in een ordinaire band op Schiphol zou moeten kunnen kopen als je naar Japan reist. Natuurlijk heeft in het algemeen een simpele en glasheldere stijl als die van Elsschot meer overlevingskansen. Ik denk dat bijvoorbeeld Remco Campert over tachtig jaar nog steeds gelezen wordt. Couperus is blijkbaar de uitzondering die de regel bevestigt. Maar wie leest nog de poëzie van Kloos? En Roland Holst? Zijn gedichten maken me zenuwachtig. Een lent van vaerzen van Couperus is natuurlijk ook niet best. Vooral als dichter kreeg hij het verwijt te kiezen voor louter schoonheid, zonder inhoud. Aan de andere kant: Couperus voelde zich gedwongen veel van zijn esthetische en misschien wel erotische verlangens met de pen te beleven. Dat legde hem beperkingen op en maakte hem kwetsbaar. Ik houd van

27
kwetsbare mensen. Ik laat me heel graag opslurpen. Het kan me veel moeite kosten in een boek te komen, maar als ik er in zit dan kan ik het kritiekloos uitlezen. Ik zou wat dat betreft een slecht criticus zijn.’
    ‘Couperus’ hang naar schoonheid vind ik ook bij mezelf terug. Niet dat ik ontzettend streng ben wat mijn eigen schoonheid betreft, want dan woog ik wel dertig kilo minder. Schoonheid in je decor en omgeving, daar draait het om. Zo fiets ik dagelijks door Amsterdam, maar in zo’n lelijke patatstraat als de Damstraat zul je me niet aantreffen. Dan neem ik toch liever een andere route...’
    ‘Wat een modern schrijver kan leren van Couperus is de onvoorwaardelijke keuze voor de literatuur. En voor schoonheid. Geen concessies doen, tegen de smaak van de tijd, opinies en columnistengeklets in, gewoon je eigen plan trekken. Couperus was een onafhankelijk man, hoezeer hij ook afhankelijk was van centen, voorschotten en uitgevers. Daar gaat het om: niet bang zijn.’

Ontsnappen
‘Ik koos een citaat uit Couperus’ Metamorfoze als motto voor Dubbelliefde om het fictionele karakter van de “ik” te onderstrepen. Dat je als schrijver eerder de mogelijkheden dan de werkelijkheid van de “ik” beschrijft. Mogelijkheden die je in werkelijkheid nooit hebt kunnen of durven gebruiken. Als je zo zichtbaar bent geweest als ik – u weet, ik had vroeger dat boekenprogramma – dan is men des te sneller geneigd de “ik” uit een roman gelijk te stellen met de auteur. We wonen wat dat betreft in een veel te klein land. Daar heeft mijn vertrek naar Parijs ook veel mee van doen. Ik wil ontsnappen aan de “ik” die men mij oplegt, aan de zichtbaarheid. Couperus had dat in zekere zin natuurlijk ook. Vandaar die waarschuwing aan de lezer: al zou ik een roman schrijven, al zou die hoofdfiguur op me lijken, dan nog ben ik het niet, is het een roman en geen autobiografie.’
    ‘Heel veel mensen vinden Dubbelliefde een walgelijk boek, terwijl ik alleen maar heb beschreven hoe iemand zoekt naar wie hij is en daarbij alles uitprobeert, alles in het leven doet om uiteindelijk in te zien dat je dat alleen maar vindt in literatuur. Je hoeft niet alles te leven, je kunt het ook lezen. In Duitsland wordt dat beter begrepen dan in Nederland. Misschien dat het boek over twintig jaar zijn plek vindt.’
    ‘Het is grappig dat Dubbelliefde door jonge critici, laten we zeggen die van onder de veertig, heel positief is besproken, maar door mijn leeftijdsgenoten in het algemeen werd afgewezen. Waarom? Omdat ik de tijd bespot waarin zij zijn opgegroeid. Het was een vreselijke tijd. Je mocht je niet onderscheiden. Alles moest in één mal passen. De tijd van het collectief: we waren allemaal gelijk, dus hup: iedereen een zeven. Toen ik begon met studeren was het nog gewoon blokken geblazen. Veel tentamens en veel lezen, óók Couperus. In twee jaar las je 150 boeken. Nadat ik in 1969 een reis van negen maanden richting India had gemaakt, vond ik een totaal veranderde universiteit terug. Iedereen zei plotseling je en jij tegen de docenten, wat heet: we doken bij elkaar in bed. Dat was nog leuk, maar er werd ook door een paar verhitte studenten plenair besloten dat het bestuderen van Literatuur te elitair was. We moesten voortaan “krietise teksten” lezen. Ik zat dagen gebogen over die onleesbare Frankfurter Schule. De term 'roman' was uit den boze, je moest voortaan 'tekst' zeggen. Achteraf gezien vreselijke tijden.’

28
‘Na mijn Mo-B en een tentamentje Latijn ben ik via de academische weg verdergegaan: kandidaats en toen Zuid-Afrikaans. In mijn dooie eentje. Daar kon ik op eigen weg een nieuwe literatuur ontdekken. De schoonheid van dichters als Wijk Louw en Breyten Breytenbach, maar ook een engagement dat er toedeed. Na de esthetiek de ethiek: mij aansluiten bij het verzet tegen de Apartheid. Als lezer betrad ik met een kleine beetje moeite een totaal ander continent. Dat heeft een geweldige invloed op mijn verdere ontwikkeling gehad. Al lezend betrad ik een grotere wereld en kon ik ontsnappen aan het uniforme denken van nivellerende polderrevolutionairen.’
    ‘Dubbelliefde gaat wat mij betreft vooral over de oorlog, hoewel dat niet op de voorgrond treedt. Ik laat zien hoe iemand die heel gezeglijk is opgevoed door getraumatiseerde ouders, en altijd braaf en keurig was – een kind dat zich aanpast aan de trauma’s van de ouders – eenmaal volwassen geworden, doorslaat en zijn eigen oorlog gaat zoeken. Alle grenzen gaat verkennen. Opgevoed in properheid, zoekt hij als student de grenzen van de goorheid. Gefascineerd door zwervers, puistjes en ongewassenheid. Die smerigheid zoek hij letterlijk op, juist omdat zijn ouders altijd op properheid hebben gelet. Want properheid haalde je door het Japanse kamp heen.’

Schaduw
‘Ik vind het niet erg om met Couperus vergeleken te worden. Integendeel. Maar echte parallellen zijn er niet tussen ons. Couperus was een moedige man die probeerde te zijn zoals hij wilde zijn, terwijl hij zich tegelijkertijd volledig aanpaste aan zijn tijd. Diezelfde paradox vind je terug in zijn homoseksualiteit. Ik denk wel eens dat hij niet eens een openlijk homoseksueel leven geleid zou wíllen hebben. Hij zou niet hebben kunnen kiezen tussen die twee werelden.’
    ‘Mijn belangstelling voor homoseksualiteit had, behalve met hormonen en angst voor intimiteit, veel te maken met mijn ideeën over esthetiek, Oscar Wilde en andere provocerende nuffigheid. Maar ik was eerlijk gezegd vooral als de dood voor vrouwen. Toen ik na lang huiveren, leerde niet langer bang voor ze te zijn, is ook de seks met mannen uit mijn leven gesijpeld. Ik heb nu al achttien jaar een vriendin, maar ik zal die andere kant nooit verloochenen. De onafhankelijkheid en moed van veel homoseksuele auteurs zijn altijd een voorbeeld voor me geweest. Maar ik kan niet in de schaduw van Couperus staan. Ik heb nog een lange weg te gaan voordat ik me überhaupt aan hem kan spiegelen.’

Dit is het vierde deel van een serie vraaggesprekken met literaire auteurs over de betekenis van Couperus voor hun werk.

(Uit: Arabesken 12 (2004), nr.24, p.24-28.)