Een vraaggesprek met Ton Anbeek
De oneindigheid van menselijke verhoudingen
 
Emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde en romanschrijver Ton Anbeek heeft een diepe liefde voor Couperus. Dit bleek eerder uit zijn publicaties, waaronder Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985 (1990) en enkele studies over naturalistische romans. De fascinatie van Anbeek geldt meer het werk van Couperus dan diens leven en richt zich op vele technische, psychologische en maatschappelijke aspecten van Couperus’ oeuvre.

DOOR

Anbeek heeft het voordeel op de middelbare school twee zeer enthousiaste leraren Nederlands te hebben gehad. De laatste was Sötemann, een bijzonder belezen docent, ook wat betreft Engelse, Franse en Duitse literatuur. ‘Als hij zei dat iemand een groot schrijver was, dan was het een groot schrijver. Ik meen hem eens te hebben horen zeggen dat hij Couperus de belangrijkste Nederlandse romanschrijver vond.’
    De eerste romans van Couperus die Anbeek las, in zijn middelbareschoolperiode, waren Eline Vere en Van oude menschen. ‘Merkwaardig genoeg, om een grillige reden van het lot, kwam ik maar nooit toe aan De boeken der kleine zielen. Ik vond het ook zo dik. Tijdens een vakantie, misschien pas na mijn eindexamen, had ik er een pocketversie van en die heb ik in vier stukken gesneden, wat sommigen nogal barbaars vonden. Wellicht mede hierdoor heb ik een wat eigenzinnig oordeel over dit boek. Het eerste en derde deel vind ik het mooiste dat er in de Nederlandse literatuur aan proza geschreven is. Het tweede deel is traditioneler, met twee mensen die langs elkaar heen glijden, vol verwachtingen. Het vierde deel, dat een soort sciencefiction is aangezien het zich later afspeelt dan Couperus het schreef, is sterk tijdgebonden door de eugenetische gedachte die erin zit. De hoofdfiguur komt uit een decadente familie en trouwt met een wat beperkte, maar gezonde vrouw.’
    Het eerste en derde deel zijn voor Anbeek aanvoelbaarder dan de andere twee. ‘Ik las laatst dat iemand vond dat Van oude menschen… niet zo’n geslaagde roman was door de veelheid aan personages. Toen werd ik een beetje verdrietig. Als je zelf de illusie hebt gehad dat je een roman kunt schrijven, merk je hoe moeilijk het is meer dan vier personages geheel tot hun recht te laten komen. Couperus doet dat moeiteloos  

29
in Van oude menschen… en in het eerste deel van De boeken der kleine zielen. Je onthoudt ze allemaal. Dat is vaktechnisch een topprestatie. De meeste Nederlandse romans hebben één hoofdfiguur die wat naar z’n navel zit te staren en af en toe iemand tegenkomt.’ Couperus weet echter volgens Anbeek een hele wereld op te roepen, met veel verschillende karakters die alle, soms door slechts één zin, tot leven komen. Zielenschemering vindt Anbeek ontroerend omdat je daarin – niet voor het eerst (dat was in Emants’ werk), maar wel bijna – iemand gek ziet worden. Hierbij speelt een seksuele obsessie. Met het personage Gerrit van Lowe heeft hij dan ook meer voeling dan met Lot Pauws. Het type van de dandy spreekt hem weinig aan.

De verhalenverteller
Anbeek vindt Couperus een verhalenverteller in de goede zin van het woord. ‘We hebben het postmodernisme gehad, waarin geëxperimenteerd en gespeeld werd met de verhouding tussen werkelijkheid en fictie, maar dat is absoluut voorbij. Nu krijgt iemand die een goed verhaal vertelt en daarbij een maatschappij doorlicht en in al haar aspecten toont, zijn kans weer.’
    Daarmee is niet gezegd dat de toekomst er voor Couperus rooskleurig uitziet. Vele factoren spelen een rol. Couperus is een erg interessante auteur, maar het taalgebruik – overigens niet in De boeken der kleine zielen – is voor veel lezers lastig. Soms moet je door een taaie passage heen, ook in de goede boeken. Anbeek noemt in dit verband de opening van De stille kracht, die niettemin functioneel is. ‘Hier zie je de poëet Couperus

30
terugkomen, en dat was geen goede poëet. Maar waar hij aan het vertellen gaat, lijkt hij het poëtische te vergeten.’
    De boeken die Couperus zelf het mooist vond, beschouwt Anbeek als volkomen onleesbaar, met uitzondering van De berg van licht, omdat dit een literair-historisch interessante roman is. Het gaat om boeken als Psyche, Fidessa en de koningsromans. Eigenlijk is het oeuvre van Couperus voor Anbeek in 1905 afgelopen en dus heel klein. Afgezien van Eline Vere schreef hij in de periode 1900-1905 zijn grote werken. De manier waarop Couperus de maatschappij in zijn beste werk beschrijft, is tijdloos, evenals de emoties en verwachtingen. Dat alles blijft herkenbaar. Ook in sommige verhalen laat Couperus dit zien, zoals in ‘De binocle’ en ‘Het afscheid’.

Werk en leven
Het beeld dat veel mensen van Couperus hebben, vindt Anbeek niet geheel juist. Couperus heeft de indruk gewekt dat hij decadent was, dat alles hem kwam aanwaaien en dat hij weinig tijd aan zijn werk besteedde. Dat, toen hij naar Indië ging, de kamer waarin hij zou logeren geverfd moest worden in een kleur die hem aanstond, is malligheid, en overigens ook grappig. Maar hij is een harde werker geweest.
    ‘Wat ik jammer vind, is de nadruk die ligt op de vraag of hij homoseksueel was. We moeten ons erbij neerleggen dat we het niet weten. Neem nu bijvoorbeeld Extaze. De mannelijke hoofdfiguur, Taco Quaerts, een echte mannetjesputter, is gebaseerd op jonkheer Ram. Je kunt zeggen dat zowel Jules van Attema als Cecile van Even Couperus zelf is. Maar wat ik veel interessanter vind, is dat de seksuele lust niet van de man komt, maar van de vrouw. Taco heeft het klassieke beeld madonna-hoer, zij [Cecile van Even, RvG] is geclassificeerd als madonna en dat betekent dat het voor hem onmogelijk is een verhouding te beginnen. Voor zijn seksuele verlangen heeft hij andere vrouwen. Dat was vernieuwend van Couperus en het interesseert mij meer dan alle speculaties. Daarmee moet men ophouden.’
    Couperus heeft gezegd dat alles over hem in zijn boeken is te vinden en dat ziet ook Anbeek zo. Seksuele opwinding van een heteroseksueel beschrijft hij ook, weliswaar discreet, bijvoorbeeld bij de schaatstocht in Het heilige weten, waarbij de fysieke ontspanning man en vrouw beiden opwindt. In Metamorfoze heeft Couperus als een soort voorloper van het postmodernisme een merkwaardig spel gespeeld met feit en fictie. De schrijver hierin, duidelijk de auteur zelf, heeft boeken geschreven die lijken op die van Couperus, maar er wordt een andere draai aan gegeven. ‘Dat is boeiend en moet bestudeerd worden. Ik ken geen schrijver die dat in die tijd zo gedaan heeft. De relatie leggen tussen leven en werk kun je nu en dan doen, maar uiterst voorzichtig. Het ligt veel ingewikkelder dan men soms denkt. Couperus is iemand die erg mystificeert en dat moet je respecteren. Het meerduidige maakt zijn teksten juist modern.’

31
Beschrijvingen van de maatschappij
Couperus en Hermans zijn voor Anbeek de grootste Nederlandse romanschrijvers. Hermans is een ideeënschrijver, bij Couperus draait het om menselijke verhoudingen. Ideeën aandragen was niet zijn sterkste punt. De ideeën in Langs lijnen van geleidelijkheid maken het boek tegenstrijdig. Er is de obsessie - typisch voor het fin de siècle - dat de vrouw door haar eerste minnaar tot echte vrouw wordt gemaakt en daardoor in zeker opzicht afhankelijk van hem blijft. Tegelijkertijd belichaamt Cornélie de Retz een ander maatschappelijk gegeven, namelijk een vrouw die scheidt en een eigen leven wil leiden, wat ontzettend moeilijk was, omdat een alleenstaande vrouw sterk moest zijn en geld moest hebben. Dat brandmerk van haar gestrande huwelijk heeft daarmee niets te maken. Couperus zag dit zelf ook in.
    ‘Het is niet zo dat de ideeën in zijn werk onzinnig of karikaturaal zijn. Zijn socialistische beeld van Brauws in Het late leven, dat erg optimistisch is, was in die tijd heel algemeen. Het heeft iets zweverigs, waar we nu allergisch voor zijn. Brauws, die van zeer goede stand is en arbeider wil worden, is iemand die te vergelijken valt met vele studenten uit de jaren zestig. Dergelijke maatschappelijke aspecten in Couperus’ werk fascineren me, net als de psychologische, maar de filosofische aspecten boeien me veel minder.’
    Eline Vere grijpt Anbeek aan vanwege het portret van de maatschappij dat erin geschilderd wordt, dat breed is en toch nooit triviaal, soms zelfs zeer diepgaand. ‘Als het waar is dat Couperus het in één keer opschreef, bijna zonder doorhalingen, is dat fenomenaal. Het is logisch dat dit boek veel jongeren aanspreekt. Er wordt vaak gezegd dat jongeren van nu geen romantiek meer kennen en de hele dag maar met oordopjes in lopen, maar als je ze wat beter leert kennen, zie je dat ze wildromantisch zijn, vol grote dromen. Gelukkig is dat hetzelfde gebleven, net als bij Eline. Haar verliefdheid op een zanger, dat is heel herkenbaar voor een puber. Maar dergelijke onderwerpen lijken tegenwoordig taboe.’
    Die roman blijft, zegt Anbeek. ‘Het is een klassiek monument voor adolescenten. Bijzonder eraan vind ik ook het einde, dat haast niemand opvalt. Otto trouwt, waaruit blijkt dat het noodlot niet overal fataal toeslaat. Aan vele romans uit die tijd zie je dat Zola’s idee van determinerende invloeden geleidelijk aan geloofwaardigheid inboette. Wellicht is het tevens een concessie aan het publiek. Maar Eline heeft ook gewoon pech. Als St. Clare eerder was teruggekomen, was er waarschijnlijk niets gebeurd.’
    In De stille kracht zegt Couperus duidelijk dat de westerse en oosterse wereld elkaar niet verdragen. ‘Als je zo‘n boek schrijft, ben je geen voorstander van kolonisatie. Couperus mag dan geen politiek standpunt hebben gehad, maar het boek is beslist antikoloniaal.’ Als journalist schreef hij niet altijd even boeiend over de maatschappij, wat volgens Anbeek lag aan zijn stemming. Couperus kon soms ook nogal schmieren. ‘Vaak heeft hij evenwel scherpe observaties gemaakt, als hij z’n dag had.’

Dit is het dertiende deel van een serie vraaggesprekken met literaire auteurs over de betekenis van Couperus voor hun werk.

(Uit: Arabesken 17 (2009), nr.33, p.28-31.)