Een vraaggesprek met Liesje Schreuders
‘Neernijgen, opnijgen en weer neerzijgen’

Liesje Schreuders (1979) debuteerde als literair auteur op haar zestiende met de roman Aan de wilde kant (1996). In 2001 volgde De zondagsleraar. Schreuders studeerde daarnaast af met de scriptie A spurious gentleman – en ook nog een Italiaan: representatie van het Italiaanse karakter in Daisy Miller van Henry James en in Langs lijnen van geleidelijkheid van Louis Couperus. Enkele gegevens uit haar onderzoek bewerkte ze tot een artikel dat volgt na dit vraaggesprek, waarin zij spreekt over haar persoonlijke band met Couperus.

DOOR 

‘Het allereerste grotemensenboek dat ik las kwam uit de kast van mijn vader: Het meisje met het rode haar van Theun de Vries. Daarna las ik Jane Eyre en vervolgens Eline Vere. Ik zal toen een jaar of twaalf geweest zijn. Couperus heb ik van huis uit meegekregen. Mijn moeder en stiefmoeder hadden allebei hun Couperusverhalen. Zo noemden ze het lekker met z’n tweeën, zonder dat anderen meegenieten, je eten opsmikkelen “Carel-en-Catoën”. Een man met te veel kracht, die hij zelf niet begrijpt, noemden we Gerrit, eveneens een personage uit De boeken der kleine zielen. Mijn hele familie houdt van Couperus. Zo kon mijn stiefmoeder met smaak allerlei details uit het leven en werk van de auteur opdissen. Ze had het dan over ‘bouderen in het boudoir’ en over de voordrachten die hij hield, terwijl hij elegant leunde tegen een zuil. We moesten ook wel lachen om dat typische fin-de-siècleachtige van Couperus, maar ook voerden we serieuze gesprekken over bijvoorbeeld de psychologie in zijn werk.’
    ‘Ik bewonder Couperus, maar dat klinkt eigenlijk te persoonlijk. Alsof het om de man zelf zou gaan. Couperus moet je lezen; zijn boeken behoren tot de belangrijkste van de Nederlandse literatuur. Ik heb altijd het gevoel gehad dat hij, of liever zijn werk, bij mij hoorde. Zoals Vondel, Multatuli, Nescio, enzovoort bij je horen. Meer een feit waar je neutraal tegenover staat, dan een persoonlijke eigenschap die je kunt bewonderen. Zijn werk is er, het staat bij je in de kast en op een bepaald moment ga je het lezen.’
    ‘Toen ik Eline Vere voor het eerst las zal ik er waarschijnlijk niet veel van begrepen hebben. Het is sowieso moeilijk om achteraf vast te stellen wat de invloed is van boeken die je leest voor je zestiende. In elk geval heb ik de roman verslonden. Wat een stijl! Ik schreef veel in die tijd, zogenaamde stijloefeningen, en ik begon meteen in de stijl van Couperus te schrijven. Met erbarmelijk resultaat natuurlijk. Ik weet nog dat ik het verschrikkelijk vond en me afvroeg waarom ik het deed. Maar ik kon het niet laten. Ik was volledig in de ban van de sfeer van Eline, die bij ons thuis werd samengevat als “het dwepen en zwijmelen en dat neigen naar, neernijgen, opnijgen en weer neerzijgen”. Later heb ik het boek opnieuw gelezen en toen viel het een beetje tegen.’

16
God zonder godsdienst
‘Ik heb lang niet alle boeken van Couperus gelezen, maar De stille kracht en De boeken der kleine zielen bijvoorbeeld vond ik waanzinnig goed. Het interessantst in zijn werk vind ik het thema van het noodlot, ook in verband met de notie van de erfelijkheid. De mythische oorsprong van de Europese beschaving bestaat uit opposities, het dualisme, uit het hoogtepunt voor het verval. En het probleem van de vrijheid, dus de beperkingen die de samenleving je oplegt, in het huwelijk, in verwantschap, in sociale kringen. Dat komt allemaal bij elkaar in het noodlotsthema. Tegelijkertijd is het lastig om het noodlot bij Couperus écht op waarde te schatten. Hij schrijft vanuit een atheïstisch wereldbeeld, of tenminste is zijn cultuur volkomen burgerlijk en ik geloof niet dat hij veel op heeft gehad met het christendom. Tegelijkertijd zie je hem zoeken naar een auctorieel vertelperspectief. Het noodlot wordt dan min of meer een god zonder godsdienst. Couperus komt er niet echt uit en het noodlot lijkt dan meer een excuus om niet in verzet te hoeven komen, zoals bijvoorbeeld in Langs lijnen van geleidelijkheid en natuurlijk Noodlot. Dit vind ik overigens niet zijn beste boek over het thema, dat is De boeken der kleine zielen. Daarin speelt het lot een veel subtielere rol.’
    ‘Je kunt je afvragen in hoeverre het noodlot een rol speelde in zijn eigen leven, maar dat blijft natuurlijk een raadsel. Anders dan vaak wordt gesuggereerd denk ik bijvoorbeeld niet dat de liefde voor hem persoonlijk een probleem was. Maar in zijn werk wordt het wel degelijk geproblematiseerd. Niet alleen homoseksualiteit, maar seksualiteit op zichzelf, dat wat hij ‘zinnelijkheid’ noemt. Daar zweemt altijd iets schandelijks omheen, iets dat eigenlijk niet kán. Maar ik geloof dat iemand die mensen zo duidelijk doorzag, zich niet echt kon bekommeren om wat men van hem vond. Couperus was misschien geen rebel, maar ook geen somberman.’
    ‘Hij buitte het taboe natuurlijk ook uit. Zolang je iets niet mag noemen heb je een enorme vrijheid om er omheen te schrijven. In zijn beschrijvingen van zijn personages was Couperus ontzettend openhartig zonder echt te zeggen waar het op stond. Hij respecteerde de grenzen van zijn tijd door als het ware ze met een dikke viltstift aan te geven, meer hoefde hij niet te doen. Dat wil zeggen: meer had hij niet nodig, want het waren niet zijn grenzen.’

Objectiviteit, volgzaamheid en controle
‘Als ik de laat-twintigste-eeuwse literatuur, ook mijn eigen werk, vergelijk met dat van Couperus, zie ik wel schatplichtigheid, maar verwantschap toch niet echt. Couperus “hoort” bij je literaire opvoeding, zijn psychologische inzichten zijn van alle tijden. Je kunt zeker een hoop van zijn werk leren. Maar er is ook iets afstandelijks aan die negentiende eeuw, met de alwetende verteller die van het ene naar het andere perspectief kuiert, ieders gedachten op een rijtje heeft, alles aan elkaar weet te praten tot een zinnig geheel. Aan het eind gaan de personages dood, ze verdwijnen, ze worden gek of ze berusten in hun onmacht. Dat is het. En daar valt weinig tegen in te brengen, natuurlijk.

17
Maar zo’n totale controle van de verteller op zijn personages doet op een bepaald moment geforceerd aan. Wat zit daar achter? Welke schijn wordt opgehouden?’
    ‘Er is een grote zelfverzekerdheid én een soort technisch optimisme nodig, een soort historische naïviteit, om in de derde persoon en met meer dan alleen dialogen een zogenaamd realistisch verhaal te schrijven. En een hoop lef ook. Ik heb het na mijn kindertijd niet vaak meer aangedurfd. Ik zie om me heen dat het wel weer, of nog steeds, geprobeerd wordt: een realisme te produceren zoals dat van Couperus, zonder de bijbehorende stijl weliswaar, maar toch volgens dezelfde principes. Die van objectiviteit, volgzaamheid, controle. Een geruststellend realisme. De tijd van de “psychologische” romans is misschien toch niet echt voorbij. Maar ik vraag me af of hiermee nog iets valt toe te voegen aan onze kennis.’

Paneuropese literatuurgeschiedenis
‘Helaas neemt Couperus in de wereldliteratuur tegenwoordig een bescheiden plek in. Zijn werk zou een vertaaltraditie moeten hebben en bestudeerd moeten worden in relatie tot geestverwanten zoals Leopardi, Tolstoj, Flaubert en James. Hij zou die vergelijking makkelijk doorstaan. Bovendien zou het ons allerlei interessante inzichten kunnen opleveren, bijvoorbeeld over de koloniale tijd en het oriëntalisme.’
    ‘In de Italië-romans, zoals Aan den weg der vreugde en Langs lijnen van geleidelijkheid, en de historische werken zit bijvoorbeeld die typisch negentiende-eeuwse verbeelding van het Noorden versus het Zuiden, net als bij James, Forster, Hawthorne en Freud. Maar Couperus ging er op een andere manier mee om dan de Engelsen. Als je Couperus in Europees perspectief plaatst, zie je ook hoe de cultuur en mythes van de Europese wereldmacht aan hun einde komen. Het leidt nergens meer toe. Misschien dat het noodlot ook daar weer een rol bij speelt.’

18
‘Als je de Europese beschaving met de woorden “romantiek” en “verlichting” zou samenvatten, dan past Couperus er precies in. Zijn werk zou een mooi hoofdstuk vormen in een paneuropese literatuurgeschiedenis, die duidelijk maakt dat de christelijke traditie eigenlijk helemaal niet zo diep ging als wel wordt beweerd. Dat er in elk geval ook andere tradities waren. Hij liet de beperkingen en achtergronden zien van de burgerlijke samenleving en de koloniale macht door de psychologie ervan bloot te leggen. De ideeën van vooruitgang, perfectie, het vrije subject, de romantische liefde.’
    ‘Het is interessant dat de vrijheid die Couperus zich veroorloofde in feite botste met het Europese realisme. En dat terwijl hij toch getrouw de werkelijkheid beschreef. Lees bijvoorbeeld Eline Vere naast Anna Karenina, Madame Bovary en eventueel Effi Briest. Couperus is de enige die zijn arme hoofdpersoon niet “dwingt” tot een huwelijk. Bij die anderen vraag je je toch af: waarom is ze dan in godsnaam met zo’n vreselijke kerel getrouwd?’
    ‘Maar dood moeten ze, ook Eline. Wat zegt dat over de Europese samenleving aan het eind van de negentiende eeuw? Dat mensen, als ze zich tegen de regels keerden, maar het beste konden verdwijnen.’

Dit is het elfde deel van een serie vraaggesprekken met literaire auteurs over de betekenis van Couperus voor hun werk.

(Uit: Arabesken 16 (2008), nr.31, p.15-18.)